Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26-11-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7354, 23/2506
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26-11-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7354, 23/2506
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 26 november 2024
- Datum publicatie
- 6 december 2024
- Zaaknummer
- 23/2506
- Relevante informatie
- Art. 22 Wet WOZ, Art. 8:41 Awb
Inhoudsindicatie
Wet Woz. Ontvankelijkheid beroep.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/2506
uitspraakdatum: 26 november 2024
Uitspraak van de drieëntwintigste enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank) van 26 mei 2023, nummer AWB 22/393, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Kampen (hierna: de heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] te [woonplaats] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2020, voor het jaar 2021 vastgesteld op € 171.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben voorafgaand aan de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. D.A.N. Bartels, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam2] .
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende is tegen de uitspraak op bezwaar in beroep gekomen. Het beroepschrift is door de Rechtbank ontvangen op 22 februari 2022.
Met dagtekening 8 maart 2022 heeft de griffier van de Rechtbank aan Bartels Consultancy B.V. t.a.v. D.A.N. Bartels een nota gezonden, met het verzoek om het griffierecht ten bedrage van € 365 binnen vier weken na dagtekening van de nota te voldoen. Daarbij is er op gewezen dat, als het griffierecht niet of niet tijdig is bijgeschreven, het risico wordt gelopen dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaart.
Omdat op deze nota geen betaling is gevolgd, heeft de griffier van de Rechtbank met dagtekening 6 april 2022 per aangetekende post een betalingsherinnering gezonden aan Bartels Consultancy B.V. t.a.v. D.A.N. Bartels, met het verzoek om het griffierecht binnen vier weken na dagtekening van de herinnering te voldoen. Ook in deze herinnering wordt erop gewezen dat, als het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is overgemaakt, het risico wordt gelopen dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Uit de Track&Trace-informatie van PostNL volgt dat deze aangetekende zending op 7 april 2022 bij een PostNL-punt is afgehaald en dat voor de ontvangst van deze zending is getekend.
Namens belanghebbende is op 6 mei 2022 en bedrag voldaan van € 3,65 en op 26 maart 2023 van € 46,35.
De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet tijdig is betaald en geen sprake is van een verschoonbaar verzuim. De Rechtbank heeft geen uitspraak gedaan over het verzoek van belanghebbende om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en de griffier van de Rechtbank gelast het betaalde griffierecht ter hoogte van € 50 terug te betalen.
3 Geschil
In hoger beroep is in geschil of de Rechtbank het beroep van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en of de Rechtbank terecht geen uitspraak heeft gedaan over het verzoek van belanghebbende om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Belanghebbende beantwoordt beide vragen ontkennend, de heffingsambtenaar bevestigend.