Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30-01-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:776, 21/1764

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30-01-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:776, 21/1764

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30 januari 2024
Datum publicatie
5 februari 2024
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2024:776
Formele relaties
Zaaknummer
21/1764
Relevante informatie
Art. 40 WOZ

Inhoudsindicatie

Wet Woz. Waardevaststelling woning.

Uitspraak

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 21/1764

uitspraakdatum: 30 januari 2024

Uitspraak van de elfde enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 2 november 2021, nummer UTR 20/4806, ECLI:NL:RBMNE:2021:5474, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amersfoort (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 7 te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2019 (hierna: de waardepeildatum) en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2020 vastgesteld op € 346.000.

1.2.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter (digitale) zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. A. Bakker als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam2] , taxateur.

2 Vaststaande feiten

2.1.

De onroerende zaak is een woning met onder meer een dakopbouw.

2.2.

In zijn bezwaarschrift heeft belanghebbende onder meer om toezending van een taxatieverslag, een matrix en de grondstaffel verzocht.

2.3.

De heffingsambtenaar heeft in reactie op het bezwaarschrift een taxatieverslag aan belanghebbende toegezonden. Daarbij heeft de heffingsambtenaar ook een taxatieformulier aan belanghebbende toegezonden, waarop een grondstaffel is vermeld, alsmede een tabel waarin – naast de verschillende objectonderdelen van de onroerende zaak - onder meer de voorzieningen, het onderhoud en de kwaliteit van de woning met een “7” zijn aangeduid.

3 Geschil

3.1.

In geschil is ten eerste of de heffingsambtenaar in de bezwaarfase de toezendplicht als bedoeld in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ heeft geschonden. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend, de heffingsambtenaar ontkennend.

3.2.

In geschil is verder de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum. Belanghebbende bepleit vaststelling van die waarde op € 311.000. Volgens de heffingsambtenaar moet de door hem vastgestelde waarde van € 346.000 worden bevestigd.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing