Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30-01-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:777, 22/377
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30-01-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:777, 22/377
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 30 januari 2024
- Datum publicatie
- 9 februari 2024
- Zaaknummer
- 22/377
- Relevante informatie
- Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 40 Wet WOZ
Inhoudsindicatie
Wet Woz. Waardevaststelling woning. Afvalstoffenheffing.
Uitspraak
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 22/377
uitspraakdatum: 30 januari 2024
Uitspraak van de zevende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
en het incidentele hoger beroep van
de heffingsambtenaar van de gemeente Nunspeet (hierna: de heffingsambtenaar)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 december 2021, nummer AWB 21/363, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 221a te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2019 en naar de toestand op 1 januari 2020, voor het jaar 2020 vastgesteld op € 440.000. Tegelijk met deze beschikking is een aanslag onroerendezaakbelasting 2020 (OZB) voor het eigenaarsgedeelte vastgesteld alsmede een aanslag afvalstoffenheffing.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en – naar het Hof begrijpt – de aanslagen gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de heffingsambtenaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak op bezwaar in stand blijven. Verder heeft de Rechtbank de heffingsambtenaar opgedragen om het betaalde griffierecht van € 49 aan belanghebbende te vergoeden.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft het incidentele hoger beroep beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2023. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede [naam1] en [naam2] (hierna: taxateur) namens de heffingsambtenaar.
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. Het betreft een in 1984 gebouwde twee-onder-een-kap semi-bungalow met een vrijstaand kantoor.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikking voor het jaar 2020. Naar aanleiding van dit bezwaar is op 29 september 2020 een hoorzitting gehouden. In het verslag van de hoorzitting is onder meer het volgende opgenomen:
“[Belanghebbende] geeft aan dat hij al langere tijd in de clinch ligt over de WOZ-waarde. Er is twee keer eerder een verkeerde vierkante meterprijs berekend en als men kijkt naar wat de afgelopen drie jaar is gebeurt met de WOZ-waarde. Zulke verhogingen, dat is toch wel vreemd. De WOZ-waarde is in 3 jaar tijd zo'n 30% gestegen.
Vergelijkbare objecten hebben ook een bepaald percentage, maar [belanghebbende] vindt het maar een wassen neus. Binnen de gemeente Nunspeet komt men flinke dalingen, maar zeker ook flinke stijgingen tegen.
Bijvoorbeeld [referentieobject] is flink gedaald, maar het huis van de schoonouders van [belanghebbende] [toevoeging Hof: het object naast de onroerende zaak] is flink gestegen. [Belanghebbende] wil graag een degelijke onderbouwing waar de waardestijging vandaan komt. [Belanghebbende] overweegt een WOB verzoek in te dienen. Waarom landelijk een stijging van 7% en in Nunspeet een stijging van 30%. Welke grondprijzen hanteert de gemeente.
[De taxateur] geeft aan dat er conform de Wet WOZ en uitspraken van rechtbanken wordt gewerkt. Er wordt gekeken naar verkoopprijzen en rekening gehouden met inhoud, oppervlakte, onderhoud, ligging enz. Naar aanleiding van transactieprijzen wordt de waarde bepaald. Er wordt dus niet gewerkt met indexeringsprijzen en er wordt ook niet naar de oude WOZ-waarde gekeken.”
De Rechtbank heeft onder andere het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de heffingsambtenaar is aangeduid als verweerder:
“Hoewel dit niet geheel blijkt uit het hoorverslag, is ter zitting vast komen te staan dat eiser tijdens het hoorgesprek heeft aangegeven dat het voor hem niet inzichtelijk is hoe de door verweerder gehanteerde vierkantemeterprijs tot stand is gekomen en dat door eiser is gevraagd naar de door verweerder gehanteerde grondprijzen. De rechtbank is van oordeel dat deze informatie behoort tot de gegevens die op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ op verzoek moeten worden verstrekt. Zij houden immers een waardering in van de kenmerken van de woning van eisers en van de vergelijkingsobjecten. Door deze stukken niet al in de bezwaarfase aan eisers ter inzage te geven of ter beschikking te stellen, heeft verweerder niet voldaan aan de door de Hoge Raad in het arrest van 17 augustus 2018 geformuleerde eis van inzichtelijkheid en controleerbaarheid van de vastgestelde WOZ-waarde van de woning. [voetnoot: ECLI:NL:HR:2018:1316.] In zoverre is sprake van een schending van artikel 40 van de WOZ. De rechtbank zal het beroep in zoverre gegrond verklaren.”
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld en dat de aanslag afvalstoffenheffing tot het juiste bedrag is opgelegd. Vanwege schending van de toezendplicht van artikel 40 van de Wet WOZ heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard en een vergoeding toegekend voor het griffierecht.
3 Geschil
In het principale hoger beroep is in geschil is of de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.
In het incidentele hoger beroep is in geschil of de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase de toezendplicht van artikel 40 Wet WOZ heeft geschonden.
Ter zitting heeft belanghebbende de grieven dat de Rechtbank de uitspraak onvoldoende heeft gemotiveerd en dat de heffingsambtenaar de door de Rechtbank toegekende vergoeding voor het griffierecht nog niet heeft betaald, onvoorwaardelijk en ondubbelzinnig ingetrokken.