Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-12-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7804, 23/1190
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-12-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7804, 23/1190
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 17 december 2024
- Datum publicatie
- 27 december 2024
- Zaaknummer
- 23/1190
- Relevante informatie
- Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ
Inhoudsindicatie
Wet Woz. Waardevaststelling bedrijfswoning met kantoorruimte en loods.
Uitspraak
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/1190
uitspraakdatum: 17 december 2024
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank) van 15 maart 2023, nummer ZWO 22/1123, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Steenwijkerland (hierna: de heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 7 te [plaats1] , per waardepeildatum 1 januari 2021, voor het jaar 2022 vastgesteld op € 385.000. Tegelijk met deze beschikking is voor het jaar 2022 een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor zover het betreft het eigenaarsgedeelte opgelegd.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft op 2 en 7 november 2024 nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2024. Daarbij is belanghebbende verschenen en gehoord. De heffingsambtenaar heeft het Hof voorafgaand aan de zitting schriftelijk laten weten niet ter zitting te verschijnen en voor zijn inhoudelijke standpunten volstaan met een verwijzing naar zijn verweerschrift. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2 Vaststaande feiten
De onroerende zaak betreft een in 2001 gebouwde bedrijfswoning (467 m3), met daaraan vast een kantoorruimte (15 m2) en een loods (in totaal ongeveer 600 m2) op een bedrijventerrein (enkelbestemming). Het perceel waarop de onroerende zaak is gelegen heeft een oppervlakte van in totaal 2.480 m2 .
De loods bestaat uit een voorgedeelte (300 m2) en een achtergedeelte (296 m2). Het voor – en achtergedeelte van de loods zijn fysiek van elkaar gescheiden door middel van een scheidingswand en beschikken beide over een grote overheaddeur. Het achtergedeelte van de loods heeft een eigen ingang aan de [adres2] 8. Ook het perceel is fysiek gescheiden in een deel dat hoort bij de bedrijfswoning, de kantoorruimte en het voorgedeelte van de loods en een deel dat hoort bij het achtergedeelte van de loods.
Per 1 oktober 2020 wordt het achtergedeelte van de loods ( [adres2] 8), met het daaraan toegerekende gedeelte van het perceel, verhuurd aan een derde die daar een bedrijf uitoefent (chaletbouw). In verband met die verhuur heeft belanghebbende de tussendeur in de scheidingswand tussen het voor- en achtergedeelte van de loods dicht gemaakt. Ook is het achtergedeelte voorzien van een eigen sanitaire voorziening (wc). Het achtergedeelte van de loods is via het voorgedeelte van de loods met tussenmeters aangesloten op water en elektriciteit. De overeengekomen huurprijs bedraagt € 995 per maand, oftewel € 11.940 per jaar.
Per 1 maart 2021 wordt de bedrijfswoning met kantoorruimte en het voorgedeelte van de loods verhuurd aan een derde. De overeengekomen huurprijs bedraagt € 1.745 per maand, oftewel € 20.940 per jaar. Op de waardepeildatum (1 januari 2021) was nog sprake van leegstand.
3 Geschil
In geschil is of de waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum te hoog is vastgesteld.
Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend en concludeert tot een waarde van € 288.000.
De heffingsambtenaar beantwoordt die vraag ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.