Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18-02-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:966, 23/579

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18-02-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:966, 23/579

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18 februari 2025
Datum publicatie
28 februari 2025
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2025:966
Formele relaties
Zaaknummer
23/579
Relevante informatie
Art. 225 Gemw, Art. 4:17 Awb, Art. 7:11 Awb

Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Dwangsom wegens niet tijdig beslissen?

Uitspraak

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 23/579

uitspraakdatum: 18 februari 2025

Uitspraak van de elfde enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 januari 2023, nummer ARN 22/2599, ECLI:NL:RBGEL:2023:481, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van Tribuut (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 67,50.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting van 22 januari 2025 hebben partijen het Hof desgevraagd laten weten niet te verschijnen.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd, omdat geconstateerd is dat belanghebbende op 28 oktober 2021 omstreeks 09.08 uur zijn voertuig zonder parkeerbelasting te voldoen (‘zonder geldig kaartje’) had geparkeerd in een parkeervak aan de Martinetsingel te Zutphen (een gefiscaliseerde parkeerplek).

2.2.

Namens belanghebbende is hiertegen bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift is op 4 december 2021 door de heffingsambtenaar ontvangen en luidt als volgt:

Bezwaar

Hierbij maken wij, namens [belanghebbende], bezwaar tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting met bovengenoemd aanslagnummer (zie bijlage), omdat in strijd is gehandeld met een wettelijk voorschrift.”

(…)

Gronden

Na het ontvangen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, zal het bezwaarschrift (nader) worden gemotiveerd.

(…)”

2.3.

Bij brief van 10 december 2021 heeft de heffingsambtenaar de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd. Belanghebbende is daarbij in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na dagtekening van de brief het bezwaar te motiveren. Als (enig) op de zaak betrekking hebbend stuk is een kopie van de naheffingsaanslag verstrekt. Belanghebbende heeft niet op deze brief gereageerd.

2.4.

Bij brief van 25 januari 2022 heeft de heffingsambtenaar belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld het bezwaar te motiveren. Hiervoor is een termijn geboden van twee weken. Ook hierop is geen reactie ontvangen van belanghebbende.

2.5.

Bij brief van 8 maart 2022, door de heffingsambtenaar ontvangen op 9 maart 2022, heeft belanghebbende de heffingsambtenaar in gebreke gesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar (ingebrekestelling).

2.6.

Met dagtekening 13 april 2022 heeft de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar gedaan. Het bezwaar is kennelijk ongegrond verklaard. Die beslissing is als volgt gemotiveerd:

“Naar aanleiding van uw bezwaar heb ik de rechtmatigheid van de naheffingsaanslag opnieuw beoordeeld. Uw grief - die zeer algemeen van aard is - kan op geen enkele manier leiden tot vernietiging van de naheffingsaanslag parkeerbelasting. Voor zover u stelt dat in dit geval niet de fiscale naheffing van toepassing is, maar de Wet Mulder, dan kan deze grief niet slagen op grond van hetgeen de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arresten van 11 maart jl. (onder andere het arrest ECLI:NL:HR:2022:156).

Op 10 december 2021 heb ik de stukken opgestuurd met de vraag om het bezwaar nader te motiveren. Ik heb daarop geen reactie ontvangen. Ik mocht er vanuit gaan dat u voldoende informatie had en ervoor hebt gekozen het bezwaar niet nader te motiveren. Dit vindt ook steun in het feit dat u evenmin hebt gereageerd op mijn brief van 25 januari 2022 en dat u op 8 maart 2022 bij mij hebt aangedrongen op het nemen van een besluit op bezwaar. Kennelijk hebt u niet de behoefte gevoeld om verdere duiding te geven aan het door u ingediende bezwaarschrift. Ik kan dan ook niet anders concluderen dan dat hier sprake is van een ongegrond bezwaar (kennelijk ongegrond bezwaar).”

Een dwangsom wegens niet tijdig beslissen op het bezwaar is niet toegekend. Evenmin is belanghebbende gehoord op zijn bezwaar.

2.7.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de Rechtbank kon het bezwaar als kennelijk ongegrond worden afgedaan en heeft de heffingsambtenaar op goede gronden van het horen afgezien en terecht geen dwangsom toegekend.

3 Geschil

3.1.

In hoger beroep is alleen nog in geschil of de heffingsambtenaar een dwangsom heeft verbeurd wegens niet tijdig beslissen op het bezwaar. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het bezwaar terecht kennelijk ongegrond is verklaard.

3.2.

Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de heffingsambtenaar bevestigend.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing