Gerechtshof Den Haag, 22-02-2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:412, 200.190.766/01
Gerechtshof Den Haag, 22-02-2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:412, 200.190.766/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 22 februari 2017
- Datum publicatie
- 23 februari 2017
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2017:412
- Formele relaties
- Prejudiciële vraag aan: ECLI:NL:HR:2017:1273
- Zaaknummer
- 200.190.766/01
Inhoudsindicatie
Partneralimentatie en KGB; prejudiciële vraag.
In HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3011, is geoordeeld dat bij de vaststelling van kinderalimentatie het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop (KGB) niet in aanmerking dienen te worden genomen bij de bepaling van de behoefte van het kind maar bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het KGB ontvangt. Het is de vraag welke gevolgen dit heeft voor de partneralimentatie. De prejudiciële vraag wordt gesteld of het KGB geldt als inkomen van degene die dit ontvangt, zodat het KGB diens (aanvullende) behoefte vermindert en daarmee de vast te stellen partneralimentatie verlaagt, of dat het KGB evenals andere inkomensafhankelijke overheidsverstrekkingen een aanvullend karakter heeft, zodat het buiten beschouwing blijft bij de bepaling van de behoefte van de ontvanger van het KGB.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Uitspraak : 22 februari 2017
Zaaknummer : 200.190.766/01
Rekestnummer rechtbank : FA RK 15-5622
Zaaknummer rechtbank : C/09/492820
[appellant] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. J.C.J. Smallenbroek te Leiderdorp,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. P.J.W. de Water te Katwijk.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De man is op 6 mei 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 5 februari 2016 van de rechtbank Den Haag. Aangezien 5 mei volgens de Algemene termijnenwet is gelijkgesteld aan een algemeen erkende feestdag en 6 mei 2016 als een daarmee overeenstemmende dag was aangewezen, is het betreffende beroepschrift tijdig ingediend.
De vrouw heeft op 4 juli 2016 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de man:
- op 19 mei 2016 een faxbericht van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlage, op 8 juni 2016 ingekomen via de gewone post;
- op 10 juni 2016 een brief van 9 juni 2016 met als bijlage een V-formulier van 9 juni 2016
met bijlage;
- op 15 november 2016 een faxbericht van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier
van diezelfde datum met bijlagen;
van de zijde van de vrouw:
- op 8 november 2016 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlage.
De zaak is op 16 november 2016 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.
Na de zitting zijn, volgens afspraak ter zitting, de volgende stukken bij het hof ingekomen:
- -
-
van de zijde van de vrouw op 17 november 2016 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;
- -
-
van de zijde van man op 23 november 2016 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage.
Het hof heeft bij brief van 6 februari 2017 de advocaten van partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het voornemen van het hof om een prejudiciële vraag te stellen aan de Hoge Raad, alsmede over de inhoud van de prejudiciële vraag.
Bij faxbericht van 14 februari 2017 heeft mr. Smallenbroek aan het hof medegedeeld geen nadere opmerkingen te hebben.
Bij faxbericht van 15 februari 2017 heeft mr. De Water het hof bericht geen nadere opmerkingen te hebben.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking heeft de rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van 10 maart 2015 van de rechtbank Den Haag – de door de man met ingang van 16 juli 2015 tot januari 2016 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw op € 627,- per maand bepaald en met ingang van 1 januari 2016 op € 619,- per maand, vanaf de datum van de beschikking telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Het meer of anders verzochte is afgewezen. Bij genoemde beschikking van 10 maart 2015 was de bijdrage bepaald op € 119,- met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw, hierna ook: de partneralimentatie.
2. De man verzoekt het hof:
- -
-
de bestreden beschikking te vernietigen;
- -
-
opnieuw beschikkende uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat de alimentatieverplichting per 15 juli 2015 op nihil wordt gesteld;
- -
-
de terugbetalingsverplichting vast te stellen en te bepalen dat het terug te betalen bedrag binnen 14 dagen na de datum van, het hof leest, de te wijzen beschikking door de vrouw voldaan moet worden aan de man en indien de vrouw in gebreke is, dat de man executiemaatregelen mag treffen ten laste van de vrouw, waarbij alle executiekosten voor rekening van de vrouw komen.
3. De vrouw verweert zich daartegen en verzoekt het hof het beroep van de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.
Ontvankelijkheid vrouw
4. De man voert, samengevat, het volgende aan. De rechtbank heeft het verweer van de man dat de vrouw niet-ontvankelijk is, niet behandeld. Volgens de man had het verzoek van de vrouw onvoldoende feitelijke grondslag om in behandeling te kunnen worden genomen.
5. De vrouw is van mening dat onduidelijk is wat de man bedoelt. Op het moment dat wordt vastgesteld dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden dient beoordeeld te worden of sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. De rechtbank heeft volgens de vrouw terecht geoordeeld dat er sprake is van een wijzing van omstandigheden, immers de echtelijke woning is verkocht en geleverd per 16 juli 2015, terwijl bij de berekening van de draagkracht van de man in de beschikking van 10 maart 2015 voor de partneralimentatie nog rekening was gehouden met de door hem betaalde woonlasten van de echtelijke woning. Daarom is de vrouw ontvangen in haar verzoek. Er is immers niet alleen sprake van een wijziging van omstandigheden maar ook van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden, aldus de vrouw.
6. Het hof overweegt als volgt. De rechtbank Den Haag heeft bij de berekening van de partneralimentatie in de beschikking van 10 maart 2015 inderdaad rekening gehouden aan de zijde van de man met woonlasten van de voormalige echtelijke woning, die op dat moment door hem werden betaald. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de voormalige echtelijke woning op 16 juli 2015 is verkocht en geleverd, zodat de man deze woonlasten vanaf dat moment niet langer voor zijn rekening hoeft te nemen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verkoop van de voormalige echtelijke woning een wijziging van omstandigheden oplevert in de zin van artikel 1:401 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), zodat de vrouw op de juiste gronden door de rechtbank is ontvangen in haar verzoek tot wijziging van de partneralimentatie met ingang van 16 juli 2015. Het hof gaat voorts voorbij aan de stelling van de man dat het verzoek van de vrouw onvoldoende feitelijk is. Naar het oordeel van het hof is dat niet het geval.
Ingangsdatum
7. Het hof gaat, evenals de rechtbank, uit van een ingangsdatum van de beoordeling van de partneralimentatie van 16 juli 2015, zijnde de datum van de wijziging van omstandigheden.