Home

Gerechtshof Den Haag, 12-02-2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:316, 200.234.246/01

Gerechtshof Den Haag, 12-02-2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:316, 200.234.246/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12 februari 2019
Datum publicatie
18 februari 2019
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2019:316
Formele relaties
Zaaknummer
200.234.246/01

Inhoudsindicatie

Nakoming zorgregeling. Ter gelegenheid van procedure gemaakte afspraken. Karakter daarvan: tijdelijk of niet. Dwangsom kan constructieve bijdrage aan nakoming zorgregeling leveren. Hoogte is bovendien voor matiging vatbaar.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.234.246/01

Zaak- rolnummer rechtbank : C/09/544787 KG ZA 17-1595

Arrest van 12 februari 2019

inzake

[de vrouw]

Appellante in conventie, geïntimeerde in reconventie

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. H. Dreesmann-Bruijntjes,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in conventie, appellant in reconventie,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. W.A. van der Stroom-Willemsen.

Het geding

De vrouw is bij exploit van 23 februari 2018 in appel gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag d.d. 8 februari 2018 (hierna: het bestreden vonnis), tussen partijen gewezen met de man als eiser en de vrouw als gedaagde.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.

In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang en zakelijk weergegeven, de vrouw veroordeeld tot nakoming van de tussen partijen op 7 november 2017 overeengekomen zorgregeling voor hun minderjarige kind [volgt naam] , geboren [in] 2016 te [plaatsnaam] (hierna: [de dochter] ) zoals neergelegd in het proces-verbaal van de op die datum 7 november 2017 gehouden terechtzitting van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, het een en ander onder oplegging van een dwangsom van EUR 2.500 per dag dat de vrouw geen uitvoering geeft aan het vonnis met een maximum van EUR 25.000 (deze dwangsom vatbaar voor matiging), met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw heeft tegen het bestreden vonnis zes grieven geformuleerd. Zij heeft, zakelijk weergegeven en voor zover nog van belang, primair vernietiging van het bestreden vonnis gevorderd en dat het hof opnieuw rechtdoende alle vorderingen van de man in eerste aanleg zal afwijzen, subsidiair de vorderingen van de man gedeeltelijk zal afwijzen onder toewijzing van een aangepaste zorgregeling als door de vrouw voorgesteld, dan wel een zodanige regeling als het hof in goede justitie juist acht.

Voorts heeft de vrouw incidenteel schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis gevorderd, waarop het hof op 29 mei 2018 arrest heeft gewezen waarbij de incidentele vordering van de vrouw is afgewezen. Voor de procesgang in het incident wijst het op voorbedoeld arrest.

De man heeft vervolgens bij memorie van antwoord in conventie geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, althans tot afwijzing van vordering van de vrouw tot vernietiging van het bestreden vonnis en heeft in reconventie een proceskostenveroordeling van de vrouw gevorderd.

Op de zitting van 19 december 2018 heeft de vrouw een akte overlegging producties genomen en hebben partijen het geschil bepleit. Vervolgens hebben beide partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

Beslissing