Home

Gerechtshof Den Haag, 18-02-2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:234, 200.197.079/01

Gerechtshof Den Haag, 18-02-2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:234, 200.197.079/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18 februari 2020
Datum publicatie
18 februari 2020
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2020:234
Formele relaties
Zaaknummer
200.197.079/01

Inhoudsindicatie

Vernietiging arbitraal vonnis; art. 1065 lid 1 (oud) Rv.; nieuw argument voor bevoegdheid scheidsgerecht; Energy Charter Treaty (ECT); art. 1 lid 6 en 7 ECT; artt. 21 en 45 ECT; artt. 31 en 32 Weens Verdragenverdrag

Uitspraak

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.197.079/01

Zaak-/rolnummers rechtbank : C/09/477160 / HA ZA 15-1; C/09/477162 / HA ZA 15-2 en C/09/481619 / HA ZA 15-112

arrest van 18 februari 2020

inzake

1. de rechtspersoon naar het recht van Cyprus VETERAN PETROLEUM LIMITED,

gevestigd te Nicosia, Cyprus,

hierna te noemen: VPL,

2. de rechtspersoon naar het recht van de Isle of Man YUKOS UNIVERSAL LIMITED,

gevestigd te Douglas, Isle of Man,

hierna te noemen: YUL,

3. de rechtspersoon naar het recht van Cyprus HULLEY ENTERPRISES LIMITED,

gevestigd te Nicosia, Cyprus,

hierna te noemen: Hulley,

appellanten,

hierna gezamenlijk ook wel aan te duiden als: HVY (meervoud),

advocaat: mr. M.A. Leijten te Amsterdam,

tegen

DE RUSSISCHE FEDERATIE,

zetelend te Moskou, Russische Federatie,

hierna te noemen: de Russische Federatie,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.A. Dullaart te Naaldwijk.

Inhoudsopgave

1. Het geding – procesverloop; beslissing op bezwaren Russische Federatie

2. Inleiding en achtergrond

3. De bevoegdheid van het Scheidsgerecht (art. 1065 lid 1 onder a Rv); opvattingen van partijen, Scheidsgerecht en rechtbank

3.1 Inleiding en juridische context

3.2 Standpunt Russische Federatie

3.3 Standpunt HVY

3.4 Het oordeel van het Scheidsgerecht

3.5 Het oordeel van de rechtbank

4. De grieven

4.1 Inleiding

4.2 De bij de uitleg van de ECT in acht te nemen normen

4.3 De voorlopige toepassing van verdragen

4.4 Nieuwe bevoegdheidsgronden en bevoegdheidsargumenten in het vernietigingsgeding

4.5 De uitleg van art. 45 lid 1 ECT, meer in het bijzonder van de Limitation Clause, en de uitleg van art. 45 lid (2)a ECT

a. Inleiding

b. Het standpunt van de Russische Federatie

c. Het standpunt van HVY

d. De overwegingen van het Scheidsgerecht

e. De overwegingen van de rechtbank

f. Het oordeel van het hof

( i) De gewone betekenis van de termen van de Limitation Clause

(ii) en (iii) De context en het voorwerp en het doel van het Verdrag

(iv) ‘Statenpraktijk’ (art. 31 lid 3 WVV)

( v) De uitleg van de Limitation Clause conform de interpretatieregels van art. 31 WVV

(vi) Art. 32 WVV; de travaux préparatoires

(vii) De betekenis van ‘not inconsistent’

(viii) Conclusie ten aanzien van de interpretatie van de Limitation Clause van art. 45 lid 1 ECT en van art. 45 lid 2(a) ECT

4.6 Toepassing Limitation Clause in deze zaak (uitgaande van de uitleg die het hof aan die bepaling geeft) 8

4.7 Toepassing Limitation Clause in deze zaak (uitgaande van de uitleg die de Russische Federatie aan die bepaling geeft) 8

a. De scheiding der machten

b. Zijn geschillen omtrent publiekrechtelijke bevoegdheden arbitrabel? 0

c. Komt naar Russisch recht aan aandeelhouders een vordering toe voor waardevermindering van hun aandelen?

4.8 Het beroep van HVY op ‘estoppel’ en ‘acquiescence’, de regel uit IMS/DIO

4.9 Conclusie ten aanzien van de grieven

5. Overige gronden inzake de bevoegdheid van het Scheidsgerecht

5.1 Investering/investeerder, art. 1 leden 6 en 7 ECT

a. Inleiding

b. Het Scheidsgerecht

c. Standpunt Russische Federatie en vooropstellingen van het hof

d. Buitenlandse investering, buitenlandse investeerder

e. Zeggenschap over de investerende vennootschap (U-bocht)

f. Economische bijdrage aan gastland

g. Doorbraak van aansprakelijkheid

h. Legaliteit van de investering

i. Conclusie

5.2 Belastingmaatregelen, art. 21 ECT

a. Inleiding

b. Standpunt Russische Federatie

c. Raakt art. 21 ECT aan de bevoegdheid van het Scheidsgerecht? 3

d. Art. 21 ECT van toepassing?

e. Art. 21 lid 5(a) ECT

5.3 Conclusie ten aanzien van de bevoegdheid van het Scheidsgerecht (art. 1065 lid 1 onder a Rv)

6. Schending van de opdracht (art. 1065 lid 1 onder c Rv)

6.1 Juridische context

6.2 Standpunt Russische Federatie

6.3 Art. 21 lid 5(b) ECT

6.4 Vaststelling van de schadevergoeding

6.5 Beslissen door te gissen en treden buiten de rechtsstrijd

a. De BTW-aanslagen en boetes

b. De (on)afwendbaarheid van het faillissment van Yukos

c. De rol van Rosneft

d. De toerekening van de inkomsten van de schijnvennootschappen

e. Conclusie

6.6 De rol van assistent Valasek

6.7 Conclusie ten aanzien van schending van de opdracht (art. 1065 lid 1 onder c Rv)

7. Is het Scheidsgerecht niet op de juiste wijze samengesteld (art. 1065 lid 1 onder b Rv)?

8. Zijn de Yukos Awards niet met redenen omkleed (art. 1065 lid 1 onder d Rv)?

8.1 Juridische context

8.2 Standpunt Russische Federatie

8.3 De vaststelling van de schadevergoeding mist een steekhoudende motivering

8.4 Bewijs ten aanzien van de Mordovische vennootschappen

a. Context

b. De arbitrageprocedure

c. Standpunt Russische Federatie

d. Oordeel hof

8.5 Beslissen door te gissen en treden buiten de rechtsstrijd

8.6 Innerlijk tegenstrijdige conclusies inzake de YNG-veiling

8.7 Conclusie ten aanzien van motivering (art. 1065 lid 1 onder d Rv)

9. Openbare orde (art. 1065 lid 1 onder e Rv)

9.1 Juridische context

9.2 Standpunt Russische Federatie

9.3 Hoor en wederhoor; verrassingsbeslissing

9.4 Beslissen door te gissen en treden buiten de rechtsstrijd

9.5 De BTW-aanslagen

9.6 Innerlijk tegenstrijdige conclusies inzake de YNG-veiling

9.7 HVY hebben fraude gepleegd in de arbitrages

9.8 ‘Unclean hands’

9.9 Conclusie ten aanzien van de schending van de openbare orde (art. 1065 lid 1 onder e Rv)

10. Slotsom

11. Beslissing

1 Het geding – procesverloop; beslissing op bezwaren Russische Federatie

1. Het geding - procesverloop

1.1

Voor het procesverloop tot het tussenarrest van 18 december 2018 verwijst het hof naar dat arrest en naar het daaraan voorafgaande tussenarrest van 25 september 2018. In dit laatste tussenarrest heeft het hof beslist dat het bezwaar van HVY tegen een aantal stellingen van de Russische Federatie in de memorie van antwoord deels gegrond en deels ongegrond is. Het hof heeft in dat tussenarrest partijen tevens in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verdere procesverloop.

1.2

Partijen hebben zich bij akte uitgelaten over het verdere procesverloop. Het hof heeft daarop bij het tussenarrest van 18 december 2018 beslist dat HVY in de gelegenheid zullen worden gesteld nog een akte te nemen waarin zij kunnen reageren op bepaalde, in het tussenarrest gespecificeerde, stellingen die de Russische Federatie in de memorie van antwoord naar voren had gebracht, alsmede – binnen dat kader – op in eerste aanleg door de Russische Federatie overgelegde producties. Het hof heeft tevens beslist dat de Russische Federatie vervolgens in de gelegenheid zal worden gesteld om te reageren op de door HVY bij die akte over te leggen producties. Tevens heeft het hof in dat tussenarrest enkele beslissingen genomen over de termijnen waarbinnen producties voor het pleidooi kunnen worden toegezonden en over de duur van de pleidooien.

1.3

HVY hebben de in de vorige paragraaf bedoelde akte op 26 februari 2019 genomen.

1.4

De Russische Federatie heeft bij brief van 18 maart 2019 bezwaar gemaakt tegen de akte van HVY van 26 februari 2019 en het hof verzocht deze akte te weigeren, althans om een nader uitstel te verlenen voor de door de Russische Federatie te nemen akte. HVY hebben op dat bezwaar bij brief van 26 maart 2019 gereageerd. Het hof heeft bij brief van 29 maart 2019 beide verzoeken van de Russische Federatie afgewezen. Meer in het bijzonder heeft het hof naar aanleiding van de stelling van de Russische Federatie, dat HVY in hun akte niet zijn gebleven binnen de kaders die het hof in zijn tussenarrest van 18 december 2018 had gesteld, het volgende beslist:

“Het hof zal, voor zover dat voor de beslissing van deze zaak noodzakelijk is, bij het wijzen van het (eind)arrest vaststellen of HVY buiten de genoemde kaders zijn getreden en bepaalde stellingen van HVY op die grond buiten beschouwing kunnen laten. Ook zal het hof, indien het beginsel van hoor en wederhoor daar naar zijn oordeel aanleiding toe geeft, partijen in de gelegenheid kunnen stellen zich nader over bepaalde punten uit te laten.”

1.5

De Russische Federatie heeft bij akte van 25 juni 2019 gereageerd op de bij de akte van HVY overgelegde producties.

1.6

Op 23, 24 en 30 september 2019 hebben partijen de zaak voor het hof doen bepleiten, HVY door mr. Leijten voornoemd, alsmede door mrs. A.W.P. Marsman en E.R. Meerdink, advocaten te Amsterdam, en de Russische Federatie door prof. mr. A.J. van den Berg, advocaat te Brussel, alsmede door prof. mr. M.E. Koppenol-Laforce, advocaat te Rotterdam en mr. R.S. Meijer, advocaat te Amsterdam, telkens aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnota’s. HVY en de Russische Federatie hebben bij deze gelegenheid nog producties in het geding gebracht. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat tot de processtukken behoort. Ten slotte is arrest gevraagd.

2. Beslissing op bezwaren van de Russische Federatie tegen de akte van 26 februari 2019 en de bij de akte van 9 september 2019 overgelegde producties

1.7

Bij pleidooi heeft de Russische Federatie bezwaar gemaakt tegen de bij de akte van 9 september 2019 ten behoeve van het pleidooi overgelegde producties. Het hof hoeft op dit bezwaar niet te beslissen nu het deze producties niet voor zijn oordeel heeft gebruikt. Ten overvloede merkt het hof op dat de bij deze akte overgelegde producties in redelijkheid kunnen worden beschouwd als een reactie op de door de Russische Federatie bij de aktes van 15 augustus 2019 en 26 augustus 2019 overgelegde producties; ook zijn de door HVY overgelegde producties niet van een zodanige omvang dat in redelijkheid niet van de Russische Federatie gevergd zou kunnen worden dat zij daar tijdens de pleidooien op reageert.

1.8

Voor het bezwaar van de Russische Federatie tegen de akte van HVY van 26 februari 2019 geldt het volgende. Voor zover het hof de inhoud van deze akte of de producties bij zijn oordeel in aanmerking heeft genomen, betreft het stellingen of producties die niet buiten de door het hof in zijn tussenarrest van 18 december 2018 uitgezette kaders vallen. In het bijzonder stond het HVY vrij nadere opinies van prof. Schrijver en prof. Klabbers over te leggen in het kader van hun reactie op de bij memorie van antwoord overgelegde opinies van prof. Nolte en prof. Pellet (zie tussenarrest van 18 december 2018 nr. 3.1). HVY hadden deze producties overigens ook bij pleidooi kunnen overleggen.

2. Inleiding en achtergrond

2.1

Het gaat in deze zaak, kort samengevat en voor zover in dit hoger beroep van belang, om het volgende. Duidelijkheidshalve herhaalt het hof hier deels de overwegingen 2.2 tot en met 2.8 van het tussenarrest van 25 september 2018.

2.2

HVY zijn, althans waren, aandeelhouder in Yukos Oil Company (hierna: Yukos), een in de Russische Federatie gevestigde oliemaatschappij, die op 1 augustus 2006 failliet is verklaard en op 21 november 2007 uit het Russische handelsregister werd geschrapt.

2.3

HVY hebben in 2004 een arbitrageprocedure aanhangig gemaakt tegen de Russische Federatie op de voet van art. 26 van de Energy Charter Treaty (Trb. 1995, 108, hierna: de ECT, of ook wel: het Verdrag), stellende dat de Russische Federatie in strijd met de ECT hun investeringen in Yukos had onteigend en had nagelaten deze investeringen te beschermen. HVY vorderden dat de Russische Federatie veroordeeld zou worden schadevergoeding te betalen. De plaats van de arbitrage was Den Haag.

2.4

Het ingevolge het UNCITRAL-arbitragereglement benoemde scheidsgerecht (hierna: het Scheidsgerecht) heeft in drie afzonderlijke Interim Awards on Jurisdiction and Admissibility van 30 november 2009 geoordeeld over een aantal preliminaire verweren die de Russische Federatie had opgeworpen, onder meer met betrekking tot de bevoegdheid van het Scheidsgerecht. In de Interim Awards heeft het Scheidsgerecht bepaalde bevoegdheids- en ontvankelijkheidsverweren verworpen en ten aanzien van andere preliminaire verweren beslist dat het oordeel daarover zou worden aangehouden tot de inhoudelijke fase (‘the merits phase’) van het geding.

2.5

In drie afzonderlijke Final Awards van 18 juli 2014 heeft het Scheidsgerecht de nog resterende bevoegdheids- en/of ontvankelijkheidsverweren van de Russische Federatie verworpen, geoordeeld dat de Russische Federatie haar verplichtingen onder art. 13 lid 1 ECT heeft geschonden en de Russische Federatie veroordeeld aan HVY schadevergoeding te betalen van respectievelijk USD 8.203.032.751 (aan VPL), USD 1.846.000.687 (aan YUL) en USD 39.971.834.360 (aan Hulley), vermeerderd met rente en kosten. Kort gezegd oordeelde het Scheidsgerecht dat de Russische Federatie door een aantal belasting- en invorderingsmaatregelen jegens Yukos te nemen, had aangestuurd op het faillissement van Yukos met geen ander doel dan de uitschakeling van de heer Mikhail Khodorkovsky, de chairman van Yukos en één van haar aandeelhouders (hierna: Khodorkovsky), als potentiële politieke tegenstander van president Putin en het verwerven van de activa van Yukos.

2.6

De Russische Federatie heeft bij afzonderlijke dagvaardingen van 10 november 2014 Hulley, VPL en YUL voor de rechtbank Den Haag gedaagd en gevorderd dat de rechtbank de door het Scheidsgerecht in ieder van hun zaken gewezen Interim Awards en Final Awards vernietigt. Deze drie zaken zijn op vordering van de Russische Federatie door de rechtbank gevoegd.

2.7

Op 20 april 2016 heeft de rechtbank in één vonnis, gewezen in de drie gevoegde zaken, de Interim Awards en de Final Awards vernietigd wegens het ontbreken van een geldige arbitrageovereenkomst. HVY hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

2.8

Bij Wet van 2 juni 2014 tot wijziging van Boek 3, Boek 6 en Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek en het Vierde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de modernisering van het Arbitragerecht (Stb. 2014, 200), in werking getreden op 1 januari 2015 (zie Stb. 2014, 254), is het arbitragerecht herzien. Ingevolge art. IV lid 4 j° lid 2 van deze wet blijft op het onderhavige geding het Vierde Boekvan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van toepassing zoals dat voor de datum van inwerkingtreding van de wet gold. Wanneer in dit arrest wordt verwezen naar bepalingen inzake de vernietiging of herroeping van arbitrale vonnissen gaat het om artikelen uit Boek IV van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de tot 1 januari 2015 geldende versie.

2.9

Hoewel het Scheidsgerecht in drie afzonderlijke arbitrages drie afzonderlijke Interim Awards en drie afzonderlijke Final Awards heeft gewezen in de zaken van Hulley, VPL en YUL, verschillen deze uitspraken niet wezenlijk van elkaar waar het gaat om de onderwerpen die in deze vernietigingsprocedure aan de orde zijn. Het hof zal daarom hierna kortheidshalve ook wel verwijzen naar ‘de’ arbitrage, ‘de’ Interim Award en ‘de’ Final Award. Aangezien de nummering van de paragrafen in de Interim Awards van elkaar verschilt, zal het hof verwijzen naar de nummering van de Interim Award en de Final Award inzake Hulley; dit geldt ook voor verwijzingen naar andere processtukken. De Interim Awards en de Final Awards zullen tezamen ook wel worden aangeduid als de ‘Yukos Awards’.

2.10

Het hof zal bij de toepassing en uitleg van de ECT en het Weens Verdragen Verdrag (het Verdrag van 1969, Trb. 1985, 79, hierna: WVV) uitgaan van de authentieke versies van deze verdragen in de Engelse taal. In voorkomend geval zal het hof bij de uitleg van de ECT ook andere authentieke taalversies in aanmerking nemen. In verband met de leesbaarheid van dit arrest zal het hof in de tekst ook de officiële Nederlandse vertaling van de ECT en het WVV gebruiken (gepubliceerd in respectievelijk Trb. 1995, 250 en Trb. 1972, 51), maar dat neemt niet weg dat het oordeel van het hof berust op de authentieke Engelse en Franse taalversies van de ECT en het WVV (zoals gepubliceerd in Trb. 1995, 108 respectievelijk Trb. 1972, 51), alsmede de authentieke Duitse en Italiaanse versies van de ECT (zoals gepubliceerd op de website www.energycharter.org).

2.11

De producties die in dit vernietigingsgeding door partijen in het geding zijn gebracht, zijn voorzien van de aanduiding ‘RF’ (Russische Federatie) of ‘HVY’ gevolgd door een nummer. In dit arrest wordt ook verwezen naar producties die partijen tijdens de arbitrage in het geding hebben gebracht. Deze producties zijn voorzien van de aanduiding ‘C’ voor producties van ‘Claimant’ (HVY), ‘R’ voor producties in de jurisdictie fase, afkomstig van ‘Respondent’ (de Russische Federatie) of ‘RME’ voor producties in de merits fase, afkomstig van ‘Respondent’, telkens gevolgd door een nummer. Wanneer het nummer is voorzien van een ‘D’ betekent dit dat het gaat om een deskundigenrapport. Bijlagen bij de door partijen overgelegde deskundigenrapporten hebben soms een aparte lettercode, zoals ‘S’ (voor prof. Stephan), ‘M’ (voor prof. Mishina), ‘ASA’ (prof. Avtonomov), ‘AVA’ (prof. Asoskov) etc.

3. De bevoegdheid van het Scheidsgerecht (art. 1065 lid 1 onder a Rv): opvattingen van partijen, Scheidsgerecht en rechtbank

3.1

Inleiding en juridische context

3.1.1

Aangezien de rechtbank heeft geoordeeld dat het Scheidsgerecht zich ten onrechte bevoegd heeft verklaard van het geschil kennis te nemen en de grieven tegen dat oordeel zijn gericht, zal het hof eerst in grote lijnen beschrijven welke standpunten partijen omtrent de bevoegdheid van het Scheidsgerecht hebben ingenomen, alsmede wat het Scheidsgerecht en vervolgens de rechtbank naar aanleiding van die argumenten hebben beslist. Al deze argumenten en overwegingen komen later meer gedetailleerd aan de orde.

3.1.2

Het fundamentele karakter van het recht op toegang tot de rechter brengt mee dat de beantwoording van de vraag of een geldige arbitrageovereenkomst is gesloten uiteindelijk aan de rechter is opgedragen en dat een vordering tot vernietiging op de grond dat een geldige arbitrageovereenkomst ontbreekt door de rechter niet terughoudend wordt getoetst.1 Het hof kan in het midden laten op wie van partijen de bewijslast rust van het al dan niet bestaan van een geldige overeenkomst tot arbitrage. De vraag of in het onderhavige geval een geldige overeenkomst tot arbitrage tot stand is gekomen hangt af van de uitleg van de artt. 26 en 45 ECT in het licht van het recht van de Russische Federatie, niet van feitelijke geschilpunten. Voor zover al tussen partijen in het kader van deze vernietigingsgrond feitelijke geschilpunten bestaan, doen deze – zoals hierna zal blijken – geen vragen rijzen ten aanzien van de bewijslastverdeling.

3.2

Standpunt Russische Federatie

3.2.1

De Russische Federatie heeft in de arbitrage en in de onderhavige vernietigingsprocedure een beroep gedaan op de onbevoegdheid van het Scheidsgerecht op de voet van art. 1065 lid 1 sub a Rv. Zij voert daartoe, samengevat, het volgende aan. De Russische Federatie heeft de ECT wel ondertekend maar nooit bekrachtigd. Weliswaar bepaalt art. 45 lid 1 ECT dat iedere staat die de ECT heeft ondertekend (‘each signatory’) het Verdrag voorlopig zal toepassen, maar dit geldt alleen ‘to the extent that such provisional application is not inconsistent with its constitution, laws or regulations’ (hierna: de Limitation Clause). Art. 26 ECT, voor zover daarin arbitrage is overeengekomen als een van de mogelijke vormen van geschilbeslechting onder het Verdrag, is strijdig (‘inconsistent’) met het recht van de Russische Federatie. Art. 26 ECT is in strijd met de Russische Grondwet (hierna: de Grondwet), meer in het bijzonder met het daarin verankerde beginsel van de scheiding der machten, en met de in meerdere wetsbepalingen tot uitdrukking gebrachte regel dat geschillen van publiekrechtelijke aard niet arbitrabel zijn. Ook is de wet tot goedkeuring van de ECT niet binnen zes maanden na ondertekening van de ECT aan de Doema voorgelegd, zoals art. 23 lid 2 van de Russische Federal Law on International Treaties (hierna: FLIT) voorschrijft. Ten slotte kan onder Russisch recht een aandeelhouder niet de schade van de vennootschap vorderen.

3.2.2

De Russische Federatie voert verder aan dat niet is voldaan aan het door art. 26 ECT gestelde vereiste dat sprake is van een ‘Investment’ in de zin van art. 1 lid 6 ECT, en dat HVY ook geen ‘Investors’ zijn in de zin van art. 1 lid 7 ECT. Het gaat in wezen om een intern Russisch geschil tussen de ‘oligarchen’ (een aantal Russische zakenlieden die betrokken waren bij de privatisering van Yukos en die het hof hierna zal aanduiden als ‘Khodorkovsky c.s.’) en de Russische Federatie. Khodorkovsky c.s. zijn, aldus de Russische Federatie, de uiteindelijk belanghebbenden bij HVY, die zelf niet meer dan schijnvennootschappen zijn. Er is in dit geval ook geen buitenlands kapitaal in de Russische Federatie geïnvesteerd, terwijl de ECT alleen voor de bescherming van buitenlandse investeringen is bedoeld.

3.2.3

Verder staat volgens de Russische Federatie de illegaliteit van de investeringen van HVY in Yukos aan bescherming door de ECT in de weg. De inversteringen van HVY zijn illegaal, omdat HVY uitsluitend zijn opgericht en in belastingparadijzen zijn gevestigd om Russische belastingen te ontduiken. Ook zijn de investeringen van HVY illegaal omdat hun investeringen in Yukos en daarmee de zeggenschap over Yukos, ten tijde van de privatisering van Yukos en nadien, met behulp van corruptie en fraude zijn verworven en geconsolideerd.

3.2.4

De Russische Federatie voert ten slotte aan dat het Scheidsgerecht niet bevoegd is omdat art. 21 lid 1 ECT (de zogenoemde ‘carve-out’) bepaalt dat belastingmaatregelen niet onder de bescherming van de ECT vallen (“... nothing in this Treaty shall create rights or impose obligations with respect to Taxation Measures of the Contracting Parties”). Weliswaar maakt art. 21 ECT hierop een uitzondering (de zogenoemde ‘claw-back’) in die zin dat lid 5(a) bepaalt dat ‘Article 13 shall apply to taxes’, maar volgens de Russische Federatie klagen HVY niet over ‘taxes’ maar over ‘Taxation Measures’. Ten slotte voert de Russische Federatie aan dat het Scheidsgerecht ten onrechte heeft nagelaten advies in te winnen bij de nationale belastingautoriteiten (van de Russische Federatie, het Verenigd Koninkrijk en Cyprus), zoals art. 21 lid 5(b) ECT volgens haar voorschrijft.

3.3

Standpunt HVY

3.3.1

HVY zijn in de eerste plaats van mening dat de Russische Federatie haar recht heeft verwerkt, door estoppel dan wel acquiescence, om een beroep op de onbevoegdheid van het Scheidsgerecht te doen. De Russische Federatie heeft immers jarenlang de ECT voorlopig toegepast zonder ooit op kenbare wijze een beroep te doen op haar opvatting dat art. 26 ECT ‘inconsistent’ is met Russisch recht. Daarnaast brengt de regel uit het IMS/DIO arrest2 mee dat de Russische Federatie geen beroep mag doen op in haar eigen wetgeving besloten liggende bevoegdheidsbeperkingen, om te betogen dat geen geldige arbitrageovereenkomst tot stand is gekomen indien de wederpartij die beperkingen niet kende en redelijkerwijze niet behoefde te kennen. HVY betogen verder dat de Russische Federatie geen beroep kan doen op een eventuele onverenigbaarheid van art. 26 ECT met haar nationale recht, nu de Russische Federatie heeft nagelaten op de voet van art. 45 lid 2(a) ECT een verklaring af te leggen dat zij voorlopige toepassing niet aanvaardt.

3.3.2

De Limitation Clause moet volgens HVY zo worden uitgelegd, dat deze alleen van toepassing is indien het recht van een verdragsstaat het beginsel van voorlopige toepassing van verdragen niet kent. De Limitation Clause betekent niet dat een verdragsstaat zich aan de voorlopige toepassing van de ECT kan onttrekken, telkens wanneer een bepaling uit het Verdrag in strijd is met een voorschrift van nationaal recht. In het hoger beroep van dit vernietigingsgeding hebben HVY hieraan als subsidiair standpunt toegevoegd dat, ook indien zou moeten worden aangenomen dat de Limitation Clause geen betrekking heeft op het beginsel van voorlopige toepassing, het toch in ieder geval gaat om de vraag of de voorlopige toepassing van enige bepaling van de ECT onverenigbaar is met een regel van nationaal recht, niet of enige bepaling van de ECT op zichzelf in strijd is met nationaal recht. Overigens is art. 26 ECT volgens HVY niet onverenigbaar met enige bepaling van Russisch recht. Integendeel, de Russische Laws on Foreign Investment van 1991 en 1999 (hierna: LFI 1991 respectievelijk LFI 1999) bepalen uitdrukkelijk dat investeringsgeschillen tussen een buitenlandse investeerder en de Russische Federatie aan internationale arbitrage kunnen worden onderworpen. De FLIT is in werking getreden na ondertekening van de ECT en art. 23 lid 2 van die wet, dat bepaalt dat een voorlopig toegepast verdrag binnen zes maanden ter goedkeuring aan de Doema moet worden voorgelegd, is dus reeds om die reden niet van toepassing op de ECT. Overigens heeft niet naleving van dit voorschrift geen gevolgen voor de voorlopige toepassing van de ECT. Bovendien heeft op grond van art. 15 lid 4 Grondwet ook een voorlopig toegepast verdrag voorrang boven een federale wet, zodat er reeds om die reden geen sprake van kan zijn dat art. 26 ECT onverenigbaar is met Russisch recht.

3.3.3

HVY zijn ‘Investors’ in de zin van art. 1 lid 7 ECT en hun aandelenbelangen in Yukos zijn ook ‘Investments’ in de zin van art. 1 lid 6 ECT. HVY zijn rechtsgeldig opgericht naar het recht van hun vestigingsplaatsen en gevestigd in staten die partij zijn bij de ECT, niet zijnde de Russische Federatie. De aandelen in Yukos die HVY hielden, vallen zonder meer onder de definitie van ‘Investment’. De ECT stelt geen aanvullende eisen aan de begrippen ‘Investor’ of ‘Investment’, zoals de eis van legaliteit of de eis dat kapitaal van buiten de gaststaat is geïnvesteerd. HVY bestrijden dat Khodorkovsky c.s. de uiteindelijke zeggenschap hebben in HVY of dat HVY schijnvennootschappen zijn die zijn opgericht om de Russische belastingen te ontduiken. Ook ontkennen HVY dat hun investeringen in Yukos en daarmee de zeggenschap over Yukos door corruptie en fraude zijn verkregen of geconsolideerd.

3.3.4

HVY stellen zich ten slotte op het standpunt dat art. 21 ECT geen betrekking heeft op de bevoegdheid van een scheidsgerecht op grond van art. 26 ECT maar op de materiële beschermingsomvang van de ECT. De bepaling is ook niet van toepassing omdat deze alleen ziet op bona fide belastingmaatregelen en daarvan was in dit geval geen sprake. De jegens Yukos genomen belastingmaatregelen waren er uitsluitend op gericht Khodorkovsky als politieke rivaal van president Putin uit te schakelen en zich de activa van Yukos toe te eigenen. Art. 21 lid 5(a) ECT bepaalt bovendien dat art. 13 ECT wel van toepassing is op ‘taxes’. Daarmee is niet iets anders bedoeld dan de ‘Taxation Measures’ bedoeld in art. 21 lid 1 ECT.

3.4

Het oordeel van het Scheidsgerecht

3.4.1

Het Scheidsgerecht heeft in de Interim Award, voor zover van belang, het volgende beslist:

( i) de Russische Federatie heeft niet (als gevolg van estoppel) het recht verwerkt zich te beroepen op de Limitation Clause (Interim Award nrs. 286-288);

(ii) de Russische Federatie kan een beroep doen op de Limitation Clause, ondanks dat zij geen verklaring heeft afgelegd op de voet van art. 45 lid 2(a) ECT, noch anderszins te kennen heeft gegeven dat zij art. 26 ECT niet voorlopig zou toepassen (Interim Award nrs. 260-269; nrs. 282-285);

(iii) de Limitation Clause vormt slechts dan een uitzondering op de voorlopige toepassing van de ECT, indien het beginsel van voorlopige toepassing onverenigbaar is met Russisch recht, niet als een specifieke ECT-verdragsbepaling onverenigbaar is met Russisch recht (Interim Award nrs. 301-329);

(iv) de vraag of sprake is van onverenigbaarheid met Russisch recht moet worden beoordeeld naar het moment van ondertekening van de ECT (Interim Award nr. 343);

( v) het beginsel van voorlopige toepassing is niet onverenigbaar met Russisch recht (Interim Award nrs. 330-338);

(vi) ten overvloede: art. 26 ECT is niet onverenigbaar met Russisch recht: art. 9 LFI 1991 en art. 10 LFI 1999 bepalen dat geschillen tussen een buitenlandse investeerder en de Russische Federatie arbitrabel zijn (Interim Award nr. 370); de definities van ‘foreign investor’ en ‘foreign investment’ in beide LFI-wetten zijn consistent met de definities van ‘Investor’ en ‘Investment’ in art. 1 ECT (Interim Award nr. 371); van een ‘derivative action’ is geen sprake, HVY eisen vergoeding van hun eigen schade (Interim Award nr. 372); op grond van de FLIT heeft de Russische Federatie erin toegestemd dat zij werd gebonden aan art. 26 ECT, zij het voorlopig; daarvoor was geen bekrachtiging vereist (Interim Award nrs. 382-384); het voorschrift van art. 23 lid 2 FLIT is slechts een intern vereiste waarvan de niet-nakoming de voorlopige toepassing niet doet eindigen (Final Award nr. 387);

(vii) de Russiche Federatie heeft niet eerder dan op 20 augustus 2009 aan de depositaris van de ECT te kennen gegeven niet tot ratificatie van de ECT over te zullen gaan; voordien was zij lid van de ‘Energy Charter Conference’, was een persoon met de Russische nationaliteit plaatsvervangend secretaris-generaal van het ‘Energy Charter Secretariat’ en heeft de Russische Federatie deelgenomen aan de bijeenkomsten van de ‘Energy Charter Conference’; de Russische Federatie kan in deze arbitrage geen beroep doen op de voordelen van de voorlopige toepassing van de ECT terwijl zij de verplichtingen die deze status meebrengt verwerpt (Interim Award nr. 390);

(viii) HVY voldoen aan de definitie van ‘Investor’ in art. 1 lid 7 ECT, omdat hiervoor voldoende is dat een vennootschap rechtsgeldig is opgericht naar het recht van een staat die partij is bij de ECT (Interim Award nrs. 411-417);

(ix) om te kwalificeren als ‘Investment’ in de zin van art. 1 lid 6 ECT is het voldoende dat HVY ‘legal ownership’ hebben van de door hen gehouden aandelen in Yukos; HVY hebben hun aandelen Yukos rechtmatig verworven en betaald; een ‘injection of foreign capital’ is niet vereist (Interim Award nrs. 429-434).

3.4.2

Het Scheidsgerecht heeft in de Final Award over art. 21 ECT, alsmede over het unclean hands argument, het volgende beslist:

(i) de ‘claw-back’ van art. 21 lid 5(a) ECT is van toepassing in die zin, dat de handelwijze van de Russische Federatie die in de arbitrages ter discussie staat niet aan de toets van art. 13 ECT is onttrokken (Final Award nr. 1410-1416);

(ii) verwijzing naar de bevoegde belastingautoriteiten op de voet van art. 21 lid 5(b) ECT zou nutteloos (“an excercise in futility”) zijn (Final Award nr. 1417-1428);

(iii) de ‘carve-out’ is bovendien alleen van toepassing op bona fide belastingmaatregelen, dat wil zeggen maatregelen met als doel algemene inkomsten voor de staat te genereren, niet op maatregelen die, zoals met Yukos het geval was, een daarmee geheel ongerelateerd doel dienden, zoals de vernietiging van een bedrijf of de eliminatie van een politieke tegenstander (Final Award nr. 1430-1445);

(iv) het unclean hands argument staat niet aan de bevoegdheid van het Scheidsgerecht in de weg, noch heeft dit tot gevolg dat de vorderingen van HVY ‘inadmissable’ zijn (Final Award nrs. 1343-1373).

3.5

Het oordeel van de rechtbank

3.5.1

De rechtbank heeft, kort samengevat, het volgende overwogen:

( i) art. 45 lid 1 ECT moet zo worden uitgelegd dat de Russische Federatie uitsluitend gebonden is aan met het Russische recht verenigbare bepalingen van de ECT (rov. 5.23);

(ii) er lijkt geen ruimte te zijn om in deze procedure een oordeel te geven over de vraag of het Scheidsgerecht zijn bevoegdheid had kunnen aannemen op basis van een ander, door het Scheidsgerecht verworpen argument (rov. 5.25);

(iii) de Russische Federatie was niet gehouden een voorafgaande verklaring als bedoeld in art. 45 lid 2 ECT af te leggen om een succesvol beroep op de Limitation Clause te kunnen doen (rov. 5.31);

(iv) de voorlopige toepassing van het in art. 26 ECT neergelegde arbitraal beding komt niet alleen in strijd met Russisch recht indien deze bepaling in dat recht wordt verboden, maar ook indien een dergelijke wijze van geschilbeslechting geen wettelijke grondslag heeft, of niet past in het wettelijk systeem of niet verenigbaar is met de uitgangspunten en beginselen die zijn neergelegd in of kenbaar zijn uit de wetgeving (rov. 5.33);

( v) van onverenigbaarheid met Russisch recht kan ook sprake zijn als dat recht niet zelf voorziet in de mogelijkheid van arbitrage zoals geregeld in art. 26 ECT; Russisch recht laat geen arbitrage toe in geschillen waarin het publiekrechtelijk optreden van de Russische Federatie moet worden beoordeeld, want arbitrage is beperkt tot civielrechtelijke geschillen; in het onderhavige geval gaat het om de uitoefening van publiekrechtelijke bevoegdheden door de autoriteiten van de Russische Federatie (rov. 5.41); uit art. 9 lid 1 LFI 1991 en art. 10 LFI 1999 vloeit niet iets anders voort (rov. 5.51 en 5.58);

(vi) art. 9 lid 1 LFI 1991, dat in samenhang moet worden gelezen met art. 43 van de Russische Fundamentals of Legislation on Foreign Investments in the USSR van 5 juli 1991 (hierna: de Grondbeginselenwet), heeft betrekking op civielrechtelijke geschillen die voortvloeien uit rechtsbetrekkingen tussen buitenlandse investeerders en de Russische Federatie waarin het publiekrechtelijke karakter overheerst; deze bepaling stelt de rechtsgang naar de Russische rechter voorop en maakt een andere wijze van geschilbeslechting slechts mogelijk indien een verdrag daarin voorziet; dit betekent dat art. 9 LFI 1991 geen zelfstandige wettelijke basis biedt voor arbitrage tussen HVY en de Russische Federatie (rov. 5.43 en 5.51);

(vii) art. 10 LFI 1999 is een ‘schakelbepaling’ (‘blanket provision’) doordat het de mogelijkheid van arbitrage afhankelijk maakt van een daartoe strekkende voorziening in verdragen en federale wetten (rov. 5.56); art. 10 LFI 1999 biedt dan ook geen afzonderlijke wettelijke basis voor beslechting van geschillen tussen een investeerder en een Staat door middel van internationale arbitrage zoals is voorzien in art. 26 ECT (rov. 5.58);

(viii) aan de memorie van toelichting bij het wetsontwerp tot ratificatie van de ECT komt, als zijnde afkomstig van de uitvoerende macht die de Doema tot ratificatie beoogde te bewegen, onvoldoende gewicht toe ter ondersteuning van het standpunt van HVY; daarentegen geeft de wetsgeschiedenis van een groot aantal door de Russische Federatie gesloten bilaterale investeringsverdragen steun aan het oordeel dat arbitrage voor geschillen als de onderhavige niet is voorzien in het Russische recht (rov. 5.59-5.64);

(ix) de arbitrageclausule van art. 26 ECT heeft aldus geen wettelijke basis in het Russische recht en verdraagt zich niet met de uitgangspunten die in dat recht zijn neergelegd (rov. 5.65);

( x) de rechtbank moet nog, net als het Scheidsgerecht, onderzoeken of de ondertekening van een verdrag dat een clausule met betrekking tot de voorlopige toepassing bevat, voldoende is om vast te stellen dat de Russische Federatie heeft ingestemd met internationale arbitrage;

(xi) noch de FLIT noch het WVV verschaffen een zelfstandige grondslag voor een ongelimiteerde voorlopige gebondenheid aan het Verdrag; of een ondertekenende Staat op basis van een voorlopige toepassing gebonden is aan een verdrag wordt bepaald door dat verdrag en niet door de FLIT of het WVV (rov. 5.71);

(xii) de Russische Federatie was door de ondertekening van de ECT uitsluitend (voorlopig) gebonden aan de arbitrageclausule van art. 26 voor zover deze clausule verenigbaar was met Russisch recht (rov. 5.72);

(xiii) op grond van art. 15 lid 4 Grondwet en het beginsel van de scheiding der machten kan een verdrag alleen daarmee strijdige wetgeving opzij zetten indien het verdrag door de wetgever is goedgekeurd, dat wil zeggen geratificeerd (rov. 5.91);

(xiv) de jurisprudentie van het Constitutionele Hof, die inhoudt dat ook verdragen die op voorlopige basis van toepassing zijn, deel uitmaken van het Russische rechtssysteem, laat onverlet dat een verdrag zoals de ECT de voorlopige toepassing kan beperken tot verdragsbepalingen die verenigbaar zijn met de Grondwet en overige wet- of regelgeving (rov. 5.92);

(xv) art. 26 ECT houdt ten opzichte van bestaand Russisch recht een nieuwe vorm van geschilbeslechting in, namelijk één waarbij een internationaal scheidsgerecht zou oordelen over de uitoefening van publiekrechtelijk overheidshandelen; de Grondwet en het daarin verankerde beginsel van machtenscheiding verzetten zich er tegen dat een vertegenwoordiger van de uitvoerende macht de Russische Federatie aan art. 26 ECT zou kunnen binden (rov. 5.93);

(xvi) in ieder geval stond de Limitation Clause, bij gebreke van instemming van de wetgevende macht, in de weg aan een langere voorlopige toepassing van art. 26 ECT dan gedurende de zes maanden die art. 23 lid 2 FLIT voorschrijft als termijn waarbinnen een ondertekend verdrag dat voorlopig wordt toegepast ter goedkeuring aan de wetgever moet worden voorgelegd; het gaat bij die termijn niet om een intern vereiste, maar om een clausule die juist betrekking heeft op strijdigheid van de voorlopige toepassing van verdragsbepalingen met intern Russisch recht, waaronder de Grondwet (rov. 5.94);

(xvii) de conclusie is dat uit art. 45 lid 1 ECT volgt dat met de enkele ondertekening van de ECT de Russische Federatie zich niet heeft gebonden aan de voorlopige toepassing van (de arbitrageregeling van) art. 26 ECT; de Russische Federatie heeft dan ook nimmer een onvoorwaardelijk aanbod tot arbitrage gedaan, zoals besloten ligt in art. 26 ECT, met als gevolg dat met de ‘notice of arbitration’ van HVY geen geldige overeenkomst tot arbitrage tot stand is gekomen (rov. 5.95).

3.5.2

Aan de overige vernietigingsgronden die de Russische Federatie had aangevoerd ten betoge dat het Scheidsgerecht onbevoegd was, waaronder haar stelling dat HVY en hun investeringen in Yukos niet kwalificeren als ‘Investors’ respectievelijk ‘Investments’ in de zin van art. 1 lid 7 en art. 1 lid 6 ECT, het beroep van de Russische Federatie op art. 21 ECT en de stelling dat HVY als aandeelhouders geen vergoeding van de schade van Yukos kunnen vorderen, is de rechtbank niet toegekomen.

3.5.3

Op grond van deze overwegingen heeft de rechtbank op grond van art. 1065 lid 1 onder a Rv de tussen HVY en de Russische Federatie uitgesproken Yukos Awards vernietigd en HVY veroordeeld in de proceskosten.

4. De grieven

4.1

Inleiding

4.1.1

Het hof zal de grieven behandelen aan de hand van een thematische bespreking van de geschilpunten, waarbij achtereenvolgens de volgende onderwerpen aan de orde zullen komen:

( i) de normen die het hof dient toe te passen bij de uitleg van de ECT (rov. 4.2);

(ii) de voorlopige toepassing van verdragen (rov. 4.3);

(iii) de vraag of het hof de vernietigingsvordering voor zover deze gegrond is op onbevoegdheid van het Scheidsgerecht kan afwijzen, indien het van oordeel is dat de bevoegdheid van het Scheidsgerecht volgt uit argumenten die het Scheidsgerecht niet heeft behandeld (rov. 4.4);

(iv) de vraag of HVY in dit vernietigingsgeding argumenten ter ondersteuning van de bevoegdheid van het Scheidsgerecht naar voren kunnen brengen die zij niet in de arbitrage hebben aangevoerd (rov. 4.4);

( v) de uitleg van art. 45 lid 1 ECT, meer in het bijzonder van de Limitation Clause, en de uitleg van art. 45 lid 2(a) ECT (rov. 4.5);

(vi) is in de uitleg die het hof geeft aan de Limitation Clause, de voorlopige toepassing van art. 26 ECT strijdig (‘inconsistent’) met de ‘constitution, laws or regulations’ van de Russische Federatie (rov. 4.6);

(vii) is, uitgaande van de uitleg die de Russische Federatie geeft aan de Limitation Clause, de voorlopige toepassing van art. 26 ECT strijdig (‘inconsistent’) met de ‘constitution, laws or regulations’ van de Russische Federatie (rov. 4.7);

(viii) het beroep van HVY op estoppel en acquiescence, de regel uit IMS/DIO (rov. 4.8).

4.2 (

i) De bij de uitleg van de ECT in acht te nemen normen

4.2.1

Tussen partijen is, terecht, niet in geschil dat de bepalingen van de ECT moeten worden uitgelegd aan de hand van de maatstaven van de artt. 31 en 32 WVV. Deze bepalingen luiden als volgt:

“Art. 31

General rule of interpretation

1. A treaty shall be interpreted in good faith in accordance with the ordinary meaning to be given to the terms of the treaty in their context and in the light of its object and purpose.

2. The context for the purpose of the interpretation of a treaty shall comprise, in addition to the text, including its preamble and annexes:

(a) any agreement relating to the treaty which was made between all the parties in connexion with the conclusion of the treaty;

(b) any instrument which was made by one or more parties in connexion with the conclusion of the treaty and accepted by the other parties as an instrument related to the treaty.

3. There shall be taken into account, together with the context:

(a) any subsequent agreement between the parties regarding the interpretation of the treaty or the application of its provisions;

(b) any subsequent practice in the application of the treaty which establishes the agreement of the parties regarding its interpretation;

(c) any relevant rules of international law applicable in the relations between the parties.

4. A special meaning shall be given to a term if it is established that the parties so intended.

Art. 32

Supplementary means of interpretation

Recourse may be had to supplementary means of interpretation, including the preparatory work of the treaty and the circumstances of its conclusion, in order to confirm the meaning resulting from the application of article 31, or to determine the meaning when the interpretation according to article 31:

(a) leaves the meaning ambiguous or obscure; or

(b) leads to a result which is manifestly absurd or unreasonable.”

4.2.2

Bij de toepassing van de in deze bepalingen gegeven regels neemt het hof de volgende richtsnoeren tot uitgangspunt.3Interpretatie van een verdrag is steeds gericht op het achterhalen van de intentie van verdragspartijen, voor zover deze intentie op adequate wijze is uitgedrukt in de tekst van het verdrag. De tekstuele uitleg heeft de belangrijkste rol in de interpretatie, omdat de bewoordingen geacht worden een authentieke uitdrukking te zijn van de intentie van partijen. Het Internationale Hof van Justitie (‘International Court of Justice’, hierna: ICJ) heeft dan ook overwogen dat de uitleg van een verdrag ‘above all upon the text of the treaty’ moet zijn gebaseerd.4

4.2.3

Dit betekent niet dat de uitleg van een verdrag louter een grammaticale exercitie is. De tekst van een verdrag moet worden begrepen in zijn context alsmede in het licht van het voorwerp en doel (‘object and purpose’) van het verdrag, waarbij art. 31 lid 2 WVV omschrijft wat (in ieder geval) onder de context van het verdrag moet worden begrepen. De interpretatie van een verdragsbepaling overeenkomstig het voorwerp en doel van het verdrag mag niet leiden tot een uitleg die ingaat tegen de duidelijke tekst van de desbetreffende bepaling. De bepaling van art. 31 lid 1 WVV bevat één regel van uitleg, waarvan de drie elementen van die bepaling (tekst, context en ‘object and purpose’) een integraal onderdeel vormen; de uitleg is een proces waarbij deze elementen – te goeder trouw (‘in good faith’) – in één gezamenlijke operatie worden toegepast. Dat de uitleg te goeder trouw moet plaatsvinden, betekent dat deze moet beantwoorden aan het fundamentele beginsel van redelijkheid en dat de uitleg niet mag leiden tot een betekenis die duidelijk ongerijmd of onredelijk is.

4.2.4

Wat de toepassing van art. 31 lid 3(b) WVV betreft, neemt het hof het volgende tot uitgangspunt.5 Art. 31 lid 3(b) WVV bepaalt dat behalve met de context, ook rekening dient te worden gehouden met ieder later gebruik in de toepassing van het verdrag waardoor overeenstemming tussen de partijen met betrekking tot de uitlegging van het verdrag is ontstaan (‘any subsequent practice in the application of the treaty which establishes the agreement of the parties regarding its interpretation’). Voor de ‘subsequent practice’ gelden geen vormvereisten, zodat in beginsel elk handelen (of niet handelen) relevant kan zijn. Het moet wel gaan om een gebruik dat meer omvat dan één incident en dat toepassing geeft aan het verdrag. Voor het aannemen van relevant gebruik is niet vereist dat iedere verdragspartij aan dat gebruik heeft deelgenomen, maar wel dat aantoonbaar is dat de staten die in dat opzicht niet actief zijn geweest het gebruik van de andere verdragspartijen hebben aanvaard. Nodig is voorts dat de verdragspartijen zich bewust zijn van het desbetreffende gebruik, hetgeen betekent dat interne stukken of handelingen die niet ter kennis van de andere verdragspartijen zijn gekomen niet kunnen worden beschouwd als gebruik in de zin van art. 31 lid 3(b) WVV. Later gebruik, ten slotte, dat geen overeenstemming tussen partijen tot stand heeft gebracht en dat dus niet kwalificeert als gebruik onder art. 31 lid 3(b) WVV kan eventueel wel relevant zijn als aanvullend middel van interpretatie onder art. 32 WVV. Ingevolge art. 31 lid 3 onder (c) WVV dient voorts rekening te worden gehouden met iedere ter zake dienende regel van internationaal recht (‘relevant rules of international law’) die op de betrekkingen tussen de verdragspartijen kan worden toegepast. Tot de regels van internationaal recht als bedoeld in art. 31 lid 3 onder (c) WVV behoren (in ieder geval) het verdragsrecht, het internationaal gewoonterecht en internationaal erkende rechtsbeginselen.6

4.2.5

De interpretatieve hulpmiddelen die genoemd zijn in art. 32 WVV7 zijn aanvullend ten opzichte van de regels van art. 31 WVV en komen pas aan de orde nadat toepassing is gegeven aan art. 31 WVV. In de eerste plaats kunnen deze aanvullende hulpmiddelen worden gebruikt om de betekenis waarin toepassing van art. 31 WVV heeft geresulteerd, te bevestigen. In de tweede plaats kunnen de aanvullende interpretatieregels van art. 32 WVV worden ingezet als de uitleg overeenkomstig art. 31 WVV de betekenis dubbelzinnig of duister laat, of leidt tot een resultaat dat duidelijk ongerijmd of onredelijk is. Tot deze hulpmiddelen behoren de voorbereidende werkzaamheden van het verdrag (‘preparatory work of the treaty’, ook wel en hierna aangeduid als de ‘travaux préparatoires’ of ‘travaux’). Daartoe mag alleen materiaal worden gerekend dat objectief kan worden beoordeeld, hetgeen betekent dat persoonlijke herinneringen of memoires niet tot de travaux préparatoires kunnen worden gerekend, evenmin als documenten of stukken, zoals interne notities of uiteenzettingen aan een wetgevend orgaan in het kader van een nationaal ratificatieproces, die niet op enig moment in de onderhandelingen zijn geïntroduceerd en als zodanig ter kennis van de andere deelnemers aan de verdragsonderhandelingen zijn gebracht.

4.3 (

ii) De voorlopige toepassing van verdragen

4.3.1

Art. 39 ECT bepaalt dat ‘[t]his Treaty shall be subject to ratification, acceptance or approval by signatories. (...)’. Art. 44 ECT bevat bepalingen omtrent de inwerkingtreding (‘Entry into force’) van het Verdrag, waaruit volgt dat het Verdrag voor een staat niet in werking treedt dan nadat die staat een daartoe strekkend ‘instrument of ratification, acceptance or approval’ heeft gedeponeerd.

4.3.2

Namens de Russische Federatie heeft de heer O.D. Davydov, destijds vicepremier (‘Deputy Chairman’) van de regering van de Russische Federatie, de ECT op 17 december 1994 ondertekend. Hij was hiertoe geïnstrueerd door een besluit van de regering van de Russische Federatie van 16 december 1994, ondertekend door de heer V. Chernomyrdin, premier (‘Chairman of the Russian Federation Government’).8 Op 26 augustus 1996 is het Verdrag ter goedkeuring aan de Doema voorgelegd. De Doema heeft de ECT niet goedgekeurd en de Russische Federatie heeft dan ook nooit een ‘instrument of ratification, acceptance or approval’ gedeponeerd. Op 20 augustus 2009 heeft de Russische Federatie de Depositaris van de ECT, Portugal, in kennis gesteld van haar voornemen geen partij bij het Verdrag te worden. De ECT is dus niet overeenkomstig art. 44 ECT voor de Russische Federatie in werking getreden.

4.3.3

Art. 45 lid 1 ECT voorziet er in dat het Verdrag door elke staat die het Verdrag heeft ondertekend (‘each signatory’) voorlopig zal worden toegepast in afwachting van de inwerkingtreding van het Verdrag voor die staat conform art. 44 ECT. De verplichting het Verdrag voorlopig toe te passen geldt voor een ondertekenende staat ‘to the extent that such provisional application is not inconsistent with its constitution, laws or regulations’.

4.3.4

Voorlopige toepassing van verdragen is een in het internationale recht aanvaarde figuur en is gecodificeerd in art. 25 WVV. Voorlopige toepassing wordt in de praktijk onder meer overeengekomen in de situatie dat staten door middel van een verdrag willen reageren op dringende economische behoeften, zoals ook het geval was bij de ECT.9 Een voorlopig toegepast verdrag heeft dezelfde verbindende kracht als een verdrag dat na ratificatie in werking is getreden10, hetgeen niet wegneemt dat de verplichting om het verdrag voorlopig toe te passen in het verdrag aan bepaalde beperkingen kan zijn onderworpen (zoals in het geval van de ECT op grond van de Limitation Clause). Er gelden geen aanvullende eisen voor de voorlopige toepassing van een clausule als art. 26 ECT waarin arbitrage is overeengekomen. Wat er verder ook zij van de stelling van de Russische Federatie dat een dergelijke arbitrageclausule ondubbelzinning moet zijn overeengekomen, aan dat vereiste is met art. 26 ECT in ieder geval voldaan. Dat verschil van inzicht mogelijk is over de strekking van de Limitation Clause en de toepassing daarvan in het licht van het recht van de Russische Federatie maakt dat niet anders.

4.3.5

Het feit dat de Russische Federatie de ECT niet heeft geratificeerd, betekent dus op zichzelf niet dat daarmee gegeven is dat art. 26 ECT de Russische Federatie niet bindt; dat kan immers wel degelijk het geval zijn op grond van de verplichting het Verdrag voorlopig toe te passen op grond van art. 45 ECT. De vraag is wel of die voorlopige toepassing niet in die zin is beperkt, dat de Limitation Clause aan de voorlopige toepassing van art. 26 ECT in de weg staat.

4.4 (

iii) en (iv) Nieuwe bevoegdheidsgronden en bevoegdheidsargumenten in het vernietigingsgeding

4.4.1

Het Scheidsgerecht heeft twee mogelijke interpretaties van de Limitation Clause onder ogen gezien: (a) het gaat erom of het beginsel van voorlopige toepassing in strijd is met Russisch recht (standpunt HVY) of (b) het gaat erom of een afzonderlijke bepaling van de ECT (in dit geval art. 26) in strijd is met Russisch recht (standpunt Russische Federatie). Het Scheidsgerecht heeft standpunt (a) als het juiste aanvaard.

4.4.2

HVY hebben in dit vernietigingsgeding – en voor het eerst in hoger beroep –verdedigd dat er nog een derde mogelijkheid is, die zij als subsidiair argument aanvoeren voor het geval hun primaire standpunt (het gaat om de vraag of het beginsel van voorlopige verdragstoepassing in strijd is met Russisch recht) niet zou worden aanvaard. Dit subsidiaire standpunt komt erop neer dat het bij de Limitation Clause gaat om de vraag of de voorlopige toepassing van een of meer bepalingen van de ECT onverenigbaar is met het recht van een verdragsstaat, doordat de wetgeving van die staat voorlopige toepassing van een verdrag in beginsel wel toestaat, maar bepaalde (categorieën of soorten van) verdragsbepalingen van voorlopige toepassing uitsluit (memorie van grieven nrs. 232, 233, 301 en 321 e.v.; akte HVY 26 februari 2019 nrs. 141 en 174; pleitaantekeningen HVY zitting van 23 september 2019, deel I nr. 68 e.v.; pleitaantekeningen HVY zitting van 30 september 2019, deel V (repliek) nr. 20). Aldus doet zich de vraag voor of HVY dit subsidiaire argument, dat zij in de arbitrage niet naar voren hebben gebracht, voor het eerst in dit vernietigingsgeding mogen aanvoeren, en of het hof als vernietigingsrechter zou mogen oordelen dat het Scheidsgerecht bevoegd was van de vorderingen van HVY kennis te nemen op grond van dit subsidiaire argument, hoewel het Scheidsgerecht zelf zijn bevoegdheid daarop niet heeft gebaseerd. Partijen nemen hierover tegengestelde standpunten in.

4.4.3

Art. 1065 lid 1 onder a Rv bepaalt dat vernietiging van een arbitraal vonnis kan plaatsvinden ‘indien een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt’. De formulering van de wet knoopt dus niet aan bij het oordeel van het scheidsgerecht over zijn bevoegdheid, maar bij de vraag of er al dan niet een geldige arbitrageovereenkomst tussen partijen bestaat. Het is ook vaste rechtspraak dat de rechter uiteindelijk het laatste woord heeft over de vraag of een geldige overeenkomst tot arbitrage tot stand is gekomen en dat de rechter deze vraag in volle omvang toetst. Dit houdt onder meer hiermee verband dat partijen door middel van een arbitrageovereenkomst afstand doen van hun uit art. 17 (Nederlandse) Grondwet voortvloeiende recht op toegang tot de gewone rechter: door een geldige arbitrageovereenkomst wordt de gewone rechter onbevoegd van het geschil kennis te nemen, mits deze onbevoegdheid voor alle weren wordt ingeroepen (art. 1022 lid 1 Rv). Met dit systeem is niet verenigbaar dat de vernietigingsrechter slechts zou mogen toetsen of het scheidsgerecht zich op de juiste gronden bevoegd heeft verklaard en niet die bevoegdheid zou mogen aannemen op gronden die het scheidsgerecht (naar het oordeel van de rechter: ten onrechte) om welke reden dan ook niet heeft behandeld.11 Dat zou immers tot het moeilijk aanvaardbare resultaat kunnen leiden dat een arbitraal vonnis moet worden vernietigd en de bevoegdheid van de gewone rechter daarmee herleeft, alleen omdat het scheidsgerecht een onjuiste motivering aan zijn bevoegdheidsoordeel ten grondslag heeft gelegd, terwijl het één of meer doorslaggevende argumenten ten gunste van bevoegdheid onbehandeld heeft gelaten. In zo’n geval zou de overheidsrechter, hoewel er een geldige overeenkomst tot arbitrage is en de overheidsrechter dus eigenlijk onbevoegd is, alsnog over het geschil van partijen moeten oordelen alleen omdat het scheidsgerecht, dat ten aanzien van zijn bevoegdheid nu juist niet het laatste woord heeft, een onjuiste motivering heeft gebruikt.

4.4.4

Het valt niet in te zien dat aanvaarding van het standpunt van HVY zou leiden tot een minder effectieve arbitrale rechtspleging. Het is eerder in strijd met een effectieve arbitrale rechtspleging indien een arbitraal vonnis moet worden vernietigd omdat het scheidsgerecht een verkeerd argument voor het aannemen van zijn bevoegdheid heeft gebruikt terwijl die bevoegdheid in feite wel aanwezig is. Partijen moeten over hun geschil dan immers opnieuw en zonder noodzaak of rechtvaardiging bij de overheidsrechter procederen.

4.4.5

Het voorgaande betekent tevens dat er in beginsel geen bezwaar tegen bestaat indien de gedaagde in het vernietigingsgeding nieuwe argumenten aanvoert die het oordeel van het scheidsgerecht dat het bevoegd is kunnen ondersteunen. Die gedaagde kan immers niet worden tegengeworpen, zoals dat wel (met recht) kan indien de eiser een vernietigingsgrond aanvoert die hij niet in de arbitrage naar voren heeft gebracht, dat als dat argument eerder was aangevoerd het scheidsgerecht daarover in een vroeg stadium een beslissing had kunnen nemen waardoor zoveel mogelijk zou zijn voorkomen dat onnodige proceshandelingen worden verricht.12 Het later aangevoerde argument strekt immers slechts tot een al door het Scheidsgerecht getrokken conclusie. Zoals bovendien uit het in de vorige voetnoot genoemde arrest Smit/Ruwa blijkt, is het zelfs in dat geval niet op voorhand uitgesloten dat in het vernietigingsgeding nieuwe argumenten voor het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage naar voren worden gebracht: daarover moet aan de hand van de omstandigheden van het concrete geval worden beslist (rov. 3.4.2). Dat pleit er zeker niet voor om in de omgekeerde situatie (het aanvoeren van een nieuw bevoegdheidondersteunend argument) een strengere maatstaf aan te leggen. De door de Russische Federatie in dit verband aangehaalde overwegingen uit het arrest van 2 april 2019 van het ‘Cour d’Appel de Paris’13, hadden betrekking op een andere situatie dan de onderhavige. In die zaak had het scheidsgerecht zich gedeeltelijk onbevoegd verklaard. De Franse rechter oordeelde dat eisers in de arbitrage, die alsnog wilden bewerkstelligen dat het scheidsgerecht bevoegd werd verklaard, geen argumenten ten gunste van de bevoegdheid van het scheidsgerecht mochten aanvoeren die zij in de arbitrage niet hadden aangevoerd. De reden was dat het in strijd zou zijn met het doel van de desbetreffende wettelijke bepaling (“qui est d’éviter qu’une partie se réserve des armes pour le cas où la sentence lui serait défavorable”) dat een partij zijn argumenten achter de hand zou kunnen houden voor het geval het arbitrale vonnis onverhoopt nadelig zou uitpakken. In het onderhavige geval kan van een dergelijke ‘misbruik’ situatie geen sprake zijn nu HVY, anders dan eisers in de Franse procedure, de Yukos Awards juist in stand willen houden.

4.4.6

Ook indien moet worden aangenomen dat er omstandigheden zijn waarin in het vernietigingsgeding geen nieuwe argumenten kunnen worden toegelaten, bijvoorbeeld omdat dit in strijd is met de goede procesorde, is daarvoor in deze zaak toch in ieder geval geen aanleiding. In de eerste plaats gaat het in dit geval om een zuiver juridisch argument, te weten de uitleg van de Limitation Clause, dat HVY in deze procedure tijdig – want in de memorie van grieven – naar voren hebben gebracht en waarover de Russische Federatie zich heeft kunnen uitlaten. In de tweede plaats ligt het door HVY verdedigde subsidiaire standpunt in het verlengde van het standpunt dat HVY wél in de arbitrage naar voren hebben gebracht. HVY’s primaire standpunt houdt immers in dat het bij toepassing van de Limitation Clause gaat over de vraag of Russisch recht voorlopige toepassing van verdragsbepalingen volledig uitsluit, terwijl het er in het subsidiaire standpunt om gaat of Russisch recht voorlopige toepassing van bepaalde (soorten of categorieën van) verdragsbepalingen uitsluit.

4.4.7

De conclusie is dat het hof het subsidiaire standpunt van HVY ten aanzien van de uitleg van de Limitation Clause in aanmerking zal nemen bij zijn oordeel of een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt in de zin van art. 1065 lid 1 onder a Rv.

4.5 (

v) De uitleg van art. 45 lid 1 ECT, meer in het bijzonder van de Limitation Clause, en de uitleg van art. 45 lid 2(a) ECT

a. Inleiding

4.5.1

Art. 45 leden 1 tot en met 3 ECT luiden als volgt:

“Article 45 Provisional application

1. Each signatory agrees to apply this Treaty provisionally pending its entry into force for such signatory in accordance with Article 44, to the extent that such provisional application is not inconsistent with its constitution, laws or regulations.

2. (a) Notwithstanding paragraph 1 any signatory may, when signing, deliver to the Depository a declaration that it is not able to accept provisional application. The obligation contained in paragraph 1 shall not apply to a signatory making such a declaration. Any such signatory may at any time withdraw that declaration by written notification to the Depository.

(b) Neither a signatory which makes a declaration in accordance with subparagraph a nor Investors of that signatory may claim the benefits of provisional application under paragraph 1.

(c) Notwithstanding subparagraph a), any signatory making a declaration referred to in subparagraph a shall apply Part VII provisionally pending the entry into force of the Treaty for such signatory in accordance with Article 44, to the extent that such provisional application is not inconsistent with its laws or regulations.

3. (a) Any signatory may terminate its provisional application of this Treaty by written notification to the Depository of its intention not to become a Contracting Party to the Treaty. Termination of provisional application for any signatory shall take effect upon the expiration of 60 days from the date on which such signatory’s written notification is received by the Depositary.

(b) In the event that a signatory terminates provisional application pursuant to subparagraph a), the obligation of the signatory under paragraph 1 to apply Parts III and V with respect to any investments made in its area during such provisional application by investors of other signatories shall nevertheless remain in effect with respect to those investments for twenty years following the effective date of termination, except as otherwise provided in subparagraph c).

(c) Subparagraph b) shall not apply to any signatory listed in Annex PA. A signatory shall be removed from the list in Annex PA effective upon delivery to the Depositary of its request therefor.”

4.5.2

Het gaat thans in de eerste plaats om de uitleg van de zinsnede ‘to the extent that such provisional application is not inconsistent with its constitution, laws or regulations’ (de Limitation Clause) in art. 45 lid 1 ECT. De standpunten die partijen daarover hebben ingenomen en de overwegingen van het Scheidsgerecht en de rechtbank zijn samengevat de volgende.

b. Het standpunt van de Russische Federatie

4.5.3

De Russische Federatie stelt zich op het standpunt dat het er om gaat of een afzonderlijke bepaling van de ECT (in dit geval art. 26) strijdig is met Russisch recht. Daarop wijst het gebruik van de term ‘regulations’, want dat het beginsel van voorlopige toepassing zou zijn geregeld in ‘regulations’, regelgeving van lagere orde dan een wet, is niet aannemelijk. Ook het gebruik van de woorden ‘to the extent’ wijst hierop, want deze woorden stroken niet met een uitleg waarin het er alleen maar om gaat of het beginsel van voorlopige toepassing wel of niet bekend is binnen de desbetreffende staat. In dit laatste geval zou ‘if’ in plaats van ‘to the extent’ zijn gebruikt, maar dat is niet gebeurd. Daarnaast beroept de Russische Federatie zich op de travaux préparatoires, waaruit naar haar mening blijkt dat de onderhandelende staten voorzagen dat de Limitation Clause zou kunnen leiden tot gedeeltelijke voorlopige toepassing van het Verdrag en ook dat minder belangrijke nationale regels konden leiden tot het buiten toepassing laten van verdragsbepalingen die daarmee niet verenigbaar zijn. Voorts beroept de Russische Federatie zich op de statenpraktijk, onder meer de ‘1994 EU Joint Statement’, die haar standpunt zou onderschrijven.

c. Het standpunt van HVY

4.5.4

HVY voeren primair aan dat het er om gaat of het beginsel van voorlopige toepassing strijdig is met Russisch recht. Volgens HVY negeert de Russische Federatie de woorden ‘such provisional application’ en wil zij de Limitation Clause als volgt herschrijven: “to the extent that such provisional application the Treaty’s provisions are not inconsistent with its constitution, laws or regulations”. Een dergelijke bepaling is tijdens de onderhandelingen over het Verdrag voorgesteld door de Japanse delegatie, maar die is niet geaccepteerd. Voor een investeerder die overweegt in een verdragsstaat te investeren, is het onmogelijk te beoordelen of er in de nationale wet- of regelgeving van die staat niet enig voorschrift te vinden is dat onverenigbaar is met een bepaling van de ECT. Of een staat het beginsel van voorlopige toepassing van verdragen kent is daarentegen vrij eenvoudig na te gaan. De situatie waarin zich strijdigheden voordoen tussen ECT-bepalingen en nationaal recht wordt bovendien in andere bepalingen dan art. 45 lid 1 ECT geregeld. Art. 32 ECT bevat namelijk bepalingen die bepaalde staten enige tijd geven om hun wettelijke regimes aan te passen aan de voorschriften van de ECT. In het hoger beroep van dit vernietigingsgeding hebben HVY hieraan toegevoegd dat, ook indien zou moeten worden aangenomen dat de Limitation Clause geen betrekking heeft op het beginsel van voorlopige toepassing, het toch in ieder geval gaat om de vraag of de voorlopige toepassing van een of meer bepalingen van de ECT onverenigbaar is met nationaal recht, niet of enige bepaling van de ECT op zichzelf in strijd is met nationaal recht.

d. De overwegingen van het Scheidsgerecht

4.5.5

Het Scheidsgerecht heeft overwogen dat het (primaire) standpunt van HVY juist is. Cruciaal is volgens het Scheidsgerecht het woord ‘such’ in de zinsnede ‘such provisional application’. Het woord ‘such’ verwijst naar wat voorafging, zodat bedoeld is ‘the provisional application of this Treaty’, hetgeen het Scheidsgerecht opvat als een verwijzing naar ‘the entire Treaty’. Volgens het Scheidsgerecht behelst art. 45 lid 1 ECT daarmee een ‘all or nothing’ benadering: of het volledige Verdrag wordt voorlopig toegepast, of het wordt in het geheel niet voorlopig toegepast. Het gaat er dan ook om of het beginsel van voorlopige toepassing verenigbaar is met het nationale recht van een verdragsstaat. Een uitleg die voorlopige toepassing afhankelijk zou maken van de verenigbaarheid van iedere bepaling van de ECT met nationaal recht zou ingaan tegen ‘object and purpose’ van de ECT en indruisen tegen het wezen van internationaal recht. Indien de verdragsstaten dit laatste zouden hebben beoogd zouden zij dit duidelijk hebben moeten overeenkomen, maar dat is niet gebeurd.

e. De overwegingen van de rechtbank

4.5.6

De rechtbank heeft de uitleg van de Russische Federatie gevolgd. De rechtbank wijst erop dat de woorden ‘to the extent’ ook in een aantal andere authentieke taalversies van de ECT ‘in dem Mae’, ‘dans la mesure où’) en in de (niet authentieke) Nederlandse versie (‘voor zover’) voorkomen en een reikwijdte of differentiatie weergeven (rov. 5.11). Dit wijst meer op de juistheid van de door de Russische Federatie verdedigde uitleg. Het Scheidsgerecht heeft ten onrechte beslissende betekenis toegekend aan de term ‘such’. Aan het gebruik van die term komt weinig betekenis toe, aangezien vanzelf spreekt dat deze term verwijst naar het Verdrag; een andere lezing is niet goed denkbaar. Daarmee is niets gezegd over de vraag of de voorlopige toepassing alleen betrekking heeft op het Verdrag als geheel, dus op het principe van voorlopige toepassing, of slechts op delen daarvan, en dus op afzonderlijke verdragsbepalingen (rov. 5.12). Daarentegen acht de rechtbank wel relevant dat art. 45 lid 1 ECT de onverenigbaarheid van voorlopige toepassing niet alleen in verband brengt met de ‘constitution’ en ‘laws’, maar ook met ‘regulations’. Niet goed denkbaar is dat een verbod op voorlopige toepassing van een verdrag, gegeven het principiële karakter daarvan, is neergelegd in lagere wetgeving (rov. 5.13). De rechtbank hecht, anders dan het Scheidsgerecht, belang aan art. 45 lid 2(c) ECT dat, in vrijwel dezelfde terminologie als de Limitation Clause, de reikwijdte van de voorlopige toepassing afhankelijk maakt van de verenigbaarheid van deel VII van het Verdrag met (lagere) wetgeving (‘laws and regulations’). Art. 45 lid 2(c) ECT heeft daarbij het oog op de specifieke verdragsbepalingen uit dat deel VII en niet op het beginsel van voorlopige toepassing (rov. 5.14-5.15). Het argument van het Scheidsgerecht dat de door hem verworpen uitleg van de Limitation Clause volledig zou indruisen tegen het voorwerp en het doel van de ECT en de aard van het internationale recht volgt de rechtbank niet. Het Scheidsgerecht heeft niet geëxpliciteerd in hoeverre een gelimiteerde toepassing van de verdragsbepalingen zou indruisen tegen dat doel. Het staat partijen vrij de voorlopige toepassing van een verdrag uitdrukkelijk te beperken door verwijzing naar bepalingen van nationaal recht (rov. 5.19). De statenpraktijk laat de rechtbank buiten beschouwing, aangezien geen van partijen heeft gesteld dat sprake is van een (brede) uitvoeringspraktijk die door alle betrokken staten wordt gedragen (rov. 5.21). Voor het gebruik van de travaux als aanvulling op de uitleg van de Limitation Clause bestaat geen grond, aangezien de daaraan door de rechtbank gegeven interpretatie niet tot een onduidelijke of duistere betekenis leidt, noch tot een resultaat dat duidelijk ongerijmd of onredelijk is (rov. 5.22). Ten overvloede wijst de rechtbank nog op de mening van de heer Bamberger, voorzitter van de juridische adviescommissie van de Conferentie over het Europese Energiehandvest (hierna: Bamberger), die in reactie op een vraag van de secretaris-generaal van de ECT Conferentie de volgende uitleg heeft gegeven aan de toevoeging van de term ‘regulations’:

“the effect is to suggest that relatively minor impediments in the form of regulations, no matter how insignificant they may be, can be the occasion for failing to apply the Treaty provisionally when in fact those regulations could be brought into conformity without serious effort.”

4.5.7

Ten aanzien van de term ‘not inconsistent’ heeft de rechtbank overwogen dat de voorlopige toepassing van art. 26 ECT niet alleen in strijd met Russisch recht komt indien deze bepaling in dat recht wordt verboden, maar ook indien een dergelijke wijze van geschilbeslechting geen wettelijke grondslag heeft, of niet past in het wettelijk systeem of niet verenigbaar is met de uitgangspunten en beginselen die zijn neergelegd in of kenbaar zijn uit de wetgeving (rov. 5.33).

f. Het oordeel van het hof

4.5.8

In het navolgende zal het hof, om de uitleg van de Limitation Clause te kunnen vaststellen, deze aan de hand van de volgende elementen van art. 31 lid 1 WVV aan een onderzoek onderwerpen: (i) de gewone betekenis van de termen van de Limitation Clause, (ii) de context van deze termen en (iii) het voorwerp en doel van het Verdrag. Vervolgens zal het hof ingaan op (iv) de ‘statenpraktijk’ (art. 31 lid 3(b) WVV). Daarna (v) zal het hof aan de hand van deze elementen gezamenlijk de uitleg van de Limitation Clause conform de uitlegregels van art. 31 WVV vaststellen, waarbij het hof onder (vi) (ten overvloede) aandacht zal besteden aan de travaux préparatoires. Vervolgens zal het hof (onder vii) ingaan op de uitleg van ‘not inconsistent’ in de Limitation Clause. Onder (viii) volgt de conclusie.

(i) De gewone betekenis van de termen van de Limitation Clause

4.5.9

Bij het vaststellen van de betekenis van de Limitation Clause neemt het hof tot uitgangspunt dat de uitleg van die bepaling zoveel mogelijk recht moet doen aan de gewone betekenis van de daarin gebruikte termen, niet alleen in die zin dat die uitleg in beginsel niet tot gevolg mag hebben dat bepaalde bewoordingen anders moeten worden begrepen dan hun gewone betekenis aangeeft, maar ook dat die uitleg niet tot gevolg mag hebben dat bepaalde woorden overbodig zijn of zonder betekenis blijven. “(....) [W]ords must be given effect”.14 Het primaire standpunt van HVY (en het Scheidsgerecht), alsmede het standpunt van de Russische Federatie (en het daarop aansluitende oordeel van de rechtbank), voldoen niet aan dit criterium.

4.5.10

De rechtbank heeft er, wat het primaire standpunt van HVY en het oordeel van het Scheidsgerecht betreft, terecht op gewezen dat in die ‘alles-of-niets’ interpretatie de woorden ‘to the extent’ niet hun gewone betekenis hebben. De woorden ‘to the extent’ (‘in dem Mae’, ‘dans la mesure où’ in de eveneens authentieke Duitse en Franse verdragsteksten) duiden er immers op dat er gradaties mogelijk zijn in de mate waarin de voorlopige toepassing van de ECT buiten toepassing moet worden gelaten wegens onverenigbaarheid met nationaal recht, in die zin dat bepaalde onderdelen of bepalingen van het Verdrag wel en andere niet voorlopig moeten worden toegepast. Het gebruik van die woorden ligt niet voor de hand in de ‘alles of niets’ benadering, waarin het er alleen om gaat of het nationale recht wel of niet het beginsel van voorlopige toepassing erkent. In de uitleg van HVY en het Scheidsgerecht krijgen de woorden ‘to the extent’ in wezen de betekenis van ‘if’, maar dat woord is niet gebruikt. Aan de opvatting van HVY en het Scheidsgerecht kan ook worden tegengeworpen dat in de Limitation Clause het woord ‘beginsel’ (van voorlopige toepassing) of woorden van gelijke strekking niet voorkomen. Indien de (primaire) opvatting van HVY en het Scheidsgerecht juist was, zou voor de hand hebben gelegen dat de Limitation Clause zou luiden: “if the principle of provisional application is not inconsistent with its constitution, laws or regulations”, maar die formulering (of een daarmee vergelijkbare formulering) is niet gebruikt. De rechtbank heeft eveneens terecht overwogen dat de analyse door het Scheidsgerecht van het woord ‘such’ weinig toevoegt, omdat hoe dan ook duidelijk is dat daarmee wordt verwezen naar de voorlopige toepassing van de ECT. De conclusie van het Scheidsgerecht dat daarmee noodzakelijkerwijs gedoeld is op ‘the entire Treaty’ vindt geen steun in de bewoordingen van de Limitation Clause (en strookt niet met de woorden ‘to the extent’).

4.5.11

Daar staat tegenover dat de door de rechtbank aanvaarde interpretatie van de Russische Federatie evenmin strookt met de bewoordingen van de Limitation Clause. HVY wijzen er terecht op dat in de uitleg van de Russische Federatie en de rechtbank de woorden ‘such provisional application’ geen betekenis hebben, of een andere betekenis dan uit de gewone betekenis van deze woorden volgt. Volgens de Russische Federatie gaat het er immers om of een of meer verdragsbepalingen in strijd zijn met nationaal recht. Indien de verdragspartijen dat hadden bedoeld, zou het voor de hand hebben gelegen dat de Limitation Clause zou luiden: “to the extent that one or more provisions of this Treaty are not inconsistent with its constitution, laws or regulations”, maar zo luidt de Limitation Clause niet. De bewoordingen van de Limitation Clause zoals deze wel luidt, wijzen er onmiskenbaar op dat het er om gaat of ‘such provisional application’ onverenigbaar is met het recht van een verdragsstaat.

4.5.12

De subsidiaire stelling van HVY aangaande de uitleg van de Limitation Clause is dat het gaat om de vraag of de voorlopige toepassing van enige bepaling van de ECT onverenigbaar is met een regel van nationaal recht, niet of enige bepaling van de ECT op zichzelf in strijd is met nationaal recht. Volgens HVY moet worden onderzocht of er bepalingen van nationaal recht zijn die de voorlopige toepassing van bepaalde (categorieën of soorten van) verdragsbepalingen uitsluiten. HVY verwijzen in dat verband naar de opinies van prof. Schrijver15, prof. Klabbers16 en prof. Pellet17, die opmerken dat sommige landen de voorlopige toepassing van verdragen geheel uitsluiten, maar dat het ook mogelijk is dat de uitsluiting van voorlopige toepassing alleen betrekking heeft op bepaalde soorten verdragsbepalingen.

4.5.13

Het hof constateert dat met deze subsidiaire interpretatie van HVY zowel aan de woorden ‘to the extent’ als ‘such provisional application’ recht wordt gedaan overeenkomstig hun gewone betekenis. Indien nationaal recht voorlopige toepassing van bepaalde soorten verdragsbepalingen onmogelijk maakt, leidt dit in zoverre tot een beperkte voorlopige toepassing, namelijk voor zover de bepalingen van het verdrag niet onder dat verbod vallen. Deze uitleg is ook in overeenstemming met de woorden ‘regulations’ in ‘constitution, laws or regulations’. Bij de ECT is een groot aantal staten aangesloten met diverse wettelijke regimes en juridische tradities. Het is zeker niet op voorhand uitgesloten dat regels die bepaalde (categorieën van) verdragsbepalingen van voorlopige toepassing uitsluiten (althans mede) te vinden zijn in regelgeving van lagere orde dan een door het parlement aangenomen wet, bijvoorbeeld in (lagere) regelgeving die is gebaseerd op een dergelijke wet. Een voorbeeld daarvan was tot voor kort te vinden in het Spaanse recht, waar de voorlopige toepassing van verdragen tot 2014 was geregeld in een Besluit van de minister van Buitenlandse Zaken.18

4.5.14

De conclusie is dat de subsidiaire interpretatie van HVY het meest in overeenstemming is met de gewone betekenis van de bewoordingen van de Limitation Clause.

(ii) en (iii) De context en het voorwerp en doel van het Verdrag

4.5.15

Overeenkomstig art. 31 lid 2 WVV bestaat de context van art. 45 lid 1 ECT in ieder geval uit de tekst van het Verdrag, met inbegrip van de preambule en bijlagen. Deze context wordt hierna besproken, mede aan de hand van de argumenten die partijen daaraan hebben ontleend. In dat kader zal het hof tevens aandacht besteden aan de uitleg van art. 45 lid 2(a) ECT, aangezien partijen ook over de strekking van deze bepaling van mening verschillen.

4.5.16

Partijen, het Scheidsgerecht en de rechtbank hebben aandacht besteed aan de betekenis van art. 45 lid 2(a) ECT. Art. 45 lid 2(a) bepaalt:

“Notwithstanding paragraph 1 any signatory may, when signing, deliver to the Depository a declaration that it is not able to accept provisional application. The obligation contained in paragraph 1 shall not apply to a signatory making such a declaration. Any such signatory may at any time withdraw that declaration by written notification to the Depository.”

HVY hebben aangevoerd dat deze bepaling in het verlengde ligt van art. 45 lid 1 ECT en dat een verdragsstaat die geen verklaring overeenkomstig lid 2(a) heeft afgelegd geen beroep op de Limitation Clause toekomt. Het hof onderschrijft deze uitleg niet. Noch de tekst van lid 1 noch die van lid 2 bevat een aanwijzing dat lid 2 een uitwerking vormt van of een nadere voorwaarde verbindt aan lid 1. Integendeel, de term ‘nothwithstanding’ (‘niettegenstaande’) waarmee lid 2 begint, duidt erop dat met lid 2 een afwijking is bedoeld ten opzichte van lid 1, namelijk ten opzichte van de hoofdverplichting van lid 1, inhoudend dat het Verdrag voorlopig moet worden toegepast. Ook overigens strookt het niet met de bewoordingen van de Limitation Clause dat deze slechts toepassing zou kunnen vinden indien een staat de verklaring van lid 2(a) aflegt. Zoals hiervoor is overwogen, laten de woorden ‘to the extent’ in de Limitation Clause onmiskenbaar de mogelijkheid open dat het Verdrag slechts gedeeltelijk voorlopig wordt toegepast, terwijl lid 2(a), waarin geen bewoordingen zijn gebruikt die wijzen op een gedeeltelijke voorlopige toepassing, bezwaarlijk anders kan worden begrepen dan dat met de daarin bedoelde verklaring voorlopige toepassing volledig wordt uitgesloten. De uitleg van HVY zou dan ook een discrepantie tussen lid 1 en lid 2(a) creëren, die wordt vermeden indien lid 1 en lid 2(a) los van elkaar worden gezien. Dit leidt tot de conclusie dat de onderlinge verhouding tussen lid 1 en lid 2(a) van art. 45 ECT als volgt moet worden begrepen: lid 1 bepaalt dat ondertekenende staten het Verdrag voorlopig toepassen, met uitzondering van de gevallen die onder het bereik van de Limitation Clause vallen, terwijl lid 2 aan staten – waarbij met name valt te denken aan staten die het beginsel van voorlopige toepassing niet kennen – de mogelijkheid biedt om elke discussie over het bereik van de Limitation Clause in een individueel geval uit te sluiten, door volledig van voorlopige toepassing af te zien.

4.5.17

Deze interpretatie is ook niet onverenigbaar met art. 45 lid 2(b) ECT, dat bepaalt dat een staat die een verklaring als bedoeld in art. 45 lid 2(a) ECT aflegt, niet kan profiteren van de voorlopige toepassing overeenkomstig lid 1 en dat datzelfde geldt voor de investeerders van die staat. HVY zien hierin een discrepantie ten opzichte van lid 1, omdat een staat die geen verklaring overeenkomstig lid 2(a) heeft afgelegd wel zou kunnen profiteren van de voorlopige toepassing door andere staten, maar desondanks op grond van een beroep op de Limitation Clause voorlopige toepassing van zijn kant geheel dan wel gedeeltelijk achterwege zou kunnen laten. Dit argument gaat niet op. De nadruk in lid 1 ligt onmiskenbaar op de verplichting om het Verdrag voorlopig toe te passen. Dat daarop in bepaalde gevallen een uitzondering kan worden gemaakt op grond van de Limitation Clause doet geen afbreuk aan die hoofdverplichting. Die situatie is niet vergelijkbaar met het geval van art. 45 lid 2(a) ECT, waarin een staat door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring voorlopige toepassing categorisch uitsluit. Hoewel in theorie denkbaar is dat een staat die het beginsel van voorlopige toepassing niet kent geen verklaring overeenkomstig lid 2(a) aflegt, maar in voorkomend geval een beroep doet op de Limitation Clause met als doel te profiteren van de voorlopige toepassing door de andere verdragsstaten, zou dit niet in overeenstemming zijn met de in art. 26 WVV neergelegde verplichting van die staat om een verdrag te goeder trouw uit te voeren. Aan die eventualiteit kan dan ook geen doorslaggevend gewicht worden toegekend.

4.5.18

Voor de uitleg van de Limitation Clause brengt deze context mee dat de ‘alles of niets’ benadering (HVY’s primaire standpunt, het oordeel van het Scheidsgerecht) ook gezien de verhouding tot art. 45 lid 2(a) en (b) ECT niet voor de hand ligt. Indien het nationale recht van een ondertekenende staat het beginsel van voorlopige toepassing niet kent, zal deze staat de verklaring van art. 45 lid 2(a) ECT kunnen afleggen en valt niet in te zien wat daarnaast nog de betekenis van de Limitation Clause is. Omdat in de (primaire) visie van HVY de Limitation Clause nauwelijks zelfstandige betekenis heeft, ligt die uitleg niet voor de hand. Dit laatste zou mogelijk anders zijn indien de verklaring overeenkomstig lid 2(a) zou moeten worden beschouwd als een voorwaarde voor een beroep op de Limitation Clause, maar die uitleg moet, zoals overwogen, worden verworpen.

4.5.19

De rechtbank heeft ook aandacht besteed aan art. 45 lid 2(c) ECT. Art. 45 lid 2(c) luidt als volgt:

“Notwithstanding subparagraph (a), any signatory making a declaration referred to in subparagraph (a) shall apply Part VII provisionally pending the entry into force of the Treaty for such signatory in accordance with Article 44, to the extent that such provisional application is not inconsistent with its laws or regulations.”

Part VII van het Verdrag bevat bepalingen over de bevoegdheden van de ‘Energy Charter Conference’, alsmede over het secretariaat van en de stemming tijdens een ‘Energy Charter Conference’ en de aan deze conferentie verbonden kosten. De rechtbank heeft aan deze bepaling een argument ontleend tegen het primaire standpunt van HVY (de ‘alles of niets’ benadering), door te overwegen dat art. 45 lid 2(c) ECT vrijwel dezelfde woorden (‘to the extent that such provisional application is not inconsistent with its laws or regulations’) gebruikt als de Limitation Clause terwijl, gezien de context, art. 45 lid 2(c) ECT niet het oog kan hebben op het beginsel van voorlopige toepassing. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank in dit opzicht. Inderdaad kan niet worden aangenomen dat art. 45 lid 2(c) ECT het oog heeft op het beginsel van voorlopige toepassing. Het feit dat in art. 45 lid 2(c) ECT desalniettemin vrijwel dezelfde bewoordingen zijn gebruikt als in de Limitation Clause pleit er dan inderdaad tegen dat in de Limitation Clause wel op dat beginsel zou worden gedoeld.

4.5.20

HVY hebben ook een beroep gedaan op art. 32 ECT. Art. 32 ECT (‘Transitional arrangements’) bepaalt dat, “in recognition of the need for time to adapt to the requirements of a market economy”, bepaalde verdragsstaten de naleving van hun verplichtingen onder specifieke (in art. 32 lid 1 genoemde) verdragsbepalingen tijdelijk mogen opschorten, mits bepaalde voorwaarden in acht worden genomen. HVY voeren aan dat de situatie waarin zich strijdigheden voordoen tussen de ECT-bepalingen en nationaal recht in art. 32 ECT is geregeld. Op grond van art. 32 ECT moet een staat kenbaar maken welke bepalingen van de ECT hij wil opschorten. Met het zorgvuldig uitonderhandelde mechanisme van art. 32 ECT is volgens HVY niet verenigbaar een uitleg van art. 45 lid 1 ECT die meebrengt dat een ondertekenende staat gedurende de periode van voorlopige toepassing een of meer verdragsbepalingen buiten toepassing zou kunnen laten zonder dat kenbaar te maken richting de andere staten en investeerders.

4.5.21

Dit argument gaat niet op. Art. 32 ECT ziet onmiskenbaar op een andere situatie dan art. 45 lid 1 ECT. Art. 32 ECT geeft staten die zich moeten aanpassen aan de eisen van een markteconomie, de mogelijkheid om tijdelijk (in beginsel niet langer dan tot 1 juli 2001) en onder bepaalde voorwaarden hun verplichtingen onder een aantal specifieke verdragsbepalingen op te schorten. Art. 45 lid 1 ECT daarentegen geldt gedurende de termijn waarin een staat het verdrag voorlopig moet toepassen en laat op die verplichting alleen een uitzondering toe indien voorlopige toepassing van een verdragsbepaling onverenigbaar is met de interne wetgeving van die staat. Beide bepalingen zijn dan ook noch in hun toepassingsgebied noch in hun doeleinden vergelijkbaar met elkaar, hetgeen betekent dat aan art. 32 ECT geen conclusies kunnen worden verbonden met betrekking tot de uitleg van art. 45 lid 1 ECT.

4.5.22

HVY voeren aan dat, in de interpretatie van de Russische Federatie en de rechtbank, voor een potentiële investeerder, die overweegt te investeren in een staat die de ECT voorlopig toepast, onduidelijk is welke onderdelen van het Verdrag die staat, als zijnde onverenigbaar met zijn interne wetgeving, buiten toepassing laat. Het is volgens HVY voor een investeerder immers ondoenlijk om de volledige wet- en regelgeving van de beoogde gaststaat te onderzoeken op eventuele strijdigheden met bepalingen van het Verdrag. Volgens HVY is die onduidelijkheid in strijd met het doel van de ECT om investeringen aan te trekken door een stabiel en veilig investeringsklimaat en door het bevorderen van transparantie, rechtszekerheid en investeringsbescherming. Dat nadeel kleeft niet of in veel mindere mate aan hun eigen (primaire en subsidiaire) interpretatie, aldus HVY, aangezien zonder al te veel moeite valt na te gaan wat de wet- en regelgeving van het gastland inhoudt op het gebied van de voorlopige toepassing van verdragen.

4.5.23

Bij de beoordeling van dit argument neemt het hof de volgende context in aanmerking. In de ‘Preamble’ van de ECT is het volgende opgenomen:

“Wishing to implement the basic concept of the European Energy Charter initiative which is to catalyse economic growth by means of measures to liberalize investment and trade in energy.”

Art. 2 ECT (‘Purpose of the Treaty’) luidt als volgt:

“This Treaty establishes a legal framework in order to promote long-term cooperation in the energy field, based on complementarities and mutual benefits, in accordance with the objectives and principles of the Charter.”

4.5.24

In de overwegingen van de European Energy Charter 1991, waarnaar in de ‘Preamble’ van de ECT en art. 2 ECT wordt verwezen, is onder meer opgenomen:

“Recognising the role of entrepreneurs, operating within a transparent and equitable legal framework, in promoting cooperation under the Charter.”

In hoofdstuk II (‘Implementation’) van de European Energy Charter 1991 onder 4 (‘Promotion and protection of investments’) is bepaald:

“In order to promote the international flow of investments, the signatories will at national level provide for a stable, transparent legal framework for foreign investments, in conformity with the relevant international laws and rules on investment and trade.”

4.5.25

In Part III van het Verdrag, welk deel de titel ‘Investment Promotion and Protection’ draagt, komen bepalingen voor die investeerders en hun investeringen in een andere verdragsstaat beogen te beschermen, zoals art. 13 (‘Expropriation’) en art. 14 (‘Transfers related to investments’). Meer in het bijzonder bepaalt het in Part III voorkomende art. 10 ECT:

“Each Contracting Party shall, in accordance with the provisions of this Treaty, encourage and create stable, equitable, favourable and transparent conditions for Investors of other Contracting Parties to make Investments in its area. (....).”

4.5.26

Uit de hiervoor weergegeven context van art. 45 ECT blijkt dat een van de doeleinden van de ECT is het stimuleren van investeringen in de energiesector, onder meer door het verschaffen van stabiele en transparante investeringscondities. Uit het feit dat het Verdrag voorlopig moet worden toegepast, volgt dat de verdragspartijen hebben beoogd dat de verplichting om dergelijke investeringscondities in het leven te roepen terstond na ondertekening zou ontstaan. Tegen deze achtergrond verdraagt de interpretatie van de Limitation Clause die de Russische Federatie verdedigt zich minder goed met het doel van het Verdrag dan de (primaire of subsidiaire) uitleg van HVY. De uitleg van de Russische Federatie zou immers meebrengen dat een investeerder die overweegt te investeren in een staat die de ECT voorlopig toepast, er steeds rekening mee zou moeten houden dat aan de bepalingen van de ECT, ook de bepalingen die beogen zijn investering te beschermen, afbreuk wordt gedaan door nationale wet- en regelgeving, bijvoorbeeld door regelgeving van lagere of lokale overheden. Het is voor een dergelijke investeerder, zelfs indien hij juridisch advies inwint, praktisch ondoenlijk om te beoordelen of er in de staat waarin hij wil investeren regelgeving bestaat die in enig opzicht afwijkt van wat de ECT bepaalt. Dit strookt niet met de transparante investeringscondities die met het Verdrag worden nagestreefd. Dit zou er immers toe kunnen leiden dat de investeerder afziet van zijn voorgenomen investering, hetgeen in strijd zou zijn met het doel van de ECT om vanaf de ondertekening van het Verdrag het doen van investeringen te stimuleren. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat de termijn waarin het Verdrag door een staat voorlopig kan worden toegepast in beginsel onbeperkt is, zodat het Verdrag gedurende een aanzienlijke periode voorlopig van toepassing kan zijn, nog afgezien van de ‘nawerking’ van twintig jaar van bepaalde delen van de ECT voor staten die daarvan niet hebben afgezien (art. 45 lid 3(b) ECT). De hiervoor gesignaleerde onduidelijkheid zou dus ook gedurende langere tijd kunnen voortduren.

4.5.27

De primaire en de subsidiaire stelling van HVY over de uitleg van de Limitation Clause kennen het nadeel van onduidelijkheid niet. Aangenomen mag worden dat een potentiële investeerder zich met behulp van deskundig juridisch advies relatief eenvoudig ervan kan vergewissen wat de nationale regels omtrent voorlopige toepassing van verdragen zijn in het land waarin hij overweegt te investeren en in hoeverre deze aan voorlopige toepassing van de regels van de ECT in de weg staan. Anders dan de Russische Federatie aanvoert, is het voor de uitleg van art. 45 lid 1 ECT niet relevant of HVY in dit concrete geval op eenvoudige wijze hadden kunnen vaststellen of arbitrage op de voet van art. 26 ECT al dan niet in strijd is met Russische wet- en regelgeving. Het gaat er om dat zich talloze situaties laten denken waarin een eventuele strijdigheid tussen de bepalingen van de ECT en nationaal recht niet op relatief eenvoudige wijze kan worden vastgesteld. Dat pleit dus tegen de uitleg van de Russische Federatie.

(iv) ‘Statenpraktijk’ (art. 31 lid 3 WVV)

4.5.28

Op grond van art. 31 lid 3 WVV moet bij de uitleg van een verdragsbepaling rekening worden gehouden met:

“(b) any subsequent practice in the application of the treaty which establishes the agreement of the parties regarding its interpretation;”

(hierna kortheidshalve: de ‘statenpraktijk’). Beide partijen hebben zich ter ondersteuning van hun stellingen op de statenpraktijk beroepen. De rechtbank heeft deze buiten beschouwing gelaten, omdat voor toekenning van betekenis aan de statenpraktijk de voorwaarde geldt dat door dit latere gebruik overeenstemming van de partijen over de uitleg van het Verdrag is ontstaan, maar niet is gesteld of gebleken dat er een (brede) uitvoeringspraktijk is die door alle betrokken staten wordt gedragen (rov. 5.21). HVY hebben tegen dit oordeel geen grief gericht. De Russische Federatie meent echter dat de statenpraktijk wel degelijk steun biedt voor de uitleg van de rechtbank, omdat een brede, door alle betrokken staten gedragen, consensus zou bestaan over de uitleg van art. 45 lid 1 ECT. De Russische Federatie verwijst in dit verband naar de vele verklaringen die staten op de voet van art. 45 lid 2 ECT hebben afgelegd, en naar de memorie van antwoord nrs. 108-121, de dagvaarding nrs. 155-170 en de conclusie van repliek nr. 92.

4.5.29

In de dagvaarding (nr. 160) heeft de Russische Federatie concreet gewezen op het standpunt van Finland (blijkend uit het wetsvoorstel tot ratificatie van de ECT alsmede een memorandum van november 1994) en de Europese Unie (in een gezamenlijke verklaring van de EU en haar lidstaten van 15 en 16 december 1994, de ‘1994 EU Joint Statement’), een verklaring van de Europese Commissie van 21 september 1994, alsmede een verklaring van de ‘Raad van Europa’ (kennelijk is bedoeld: de Europese Raad) van 13 juli 1998. Dat het hier gaat om verklaringen van partijen (of ondertekenaars) die zijn aanvaard door de andere partijen bij de ECT blijkt echter niet en dat onderbouwt de Russische Federatie ook verder niet. Daarbij komt dat deze verklaringen weliswaar enige steun geven aan de stelling dat de ‘alles of niets’ benadering (het primaire standpunt van HVY) niet door deze landen of instellingen werd gedeeld, maar daaruit valt niet af te leiden dat ook het subsidiaire standpunt van HVY onjuist werd geacht. De in de 1994 EU Joint Statement voorkomende passage:

“(a) it [Article 45(1) ECT, hof] does not create any commitment beyond what is compatible with the existing internal legal order of the Signatories”

is zowel verenigbaar met het standpunt van de Russische Federatie als met het subsidiaire standpunt van HVY. Dit geldt ook voor de verklaring van Italië genoemd in de dagvaarding onder nr. 169. Alleen het voorstel van de regering van Finland aan haar parlement19 onderschrijft de interpretatie van de Russische Federatie, maar daaruit volgt nog niet dat deze opvatting ook door andere verdragspartijen werd aanvaard.

4.5.30

Hetzelfde geldt voor de door de Russische Federatie aangehaalde verklaringen van de Europese Commissie en de Europese Raad. Voor zover de Russische Federatie nog aanvoert dat verschillende ondertekenaars van het Verdrag geen verklaring op de voet van art. 45 lid 2 (a) ECT hebben afgelegd dat zij voorlopige toepassing niet aanvaarden, maar zich desalniettemin gerechtigd achten om alleen die bepalingen van de ECT toe te passen die in overeenstemming zijn met hun interne wet- en regelgeving, hoeft het hof daarop niet in te gaan. Zoals hiervoor is overwogen en zoals – naar hierna zal blijken – bevestigd wordt door de travaux préparatoires is het voor een beroep op de Limitation Clause niet noodzakelijk dat een ondertekenende staat een verklaring heeft afgelegd op de voet van art. 45 lid 2(a) ECT. Dit strookt met het standpunt van de Russische Federatie, dat in dit opzicht wordt gedeeld door het hof. Hetzelfde geldt voor de daarop betrekking hebbende passage uit de gezamenlijke verklaring van de Europese Unie.

4.5.31

In de memorie van antwoord heeft de Russische Federatie in de eerste plaats een beroep gedaan op een deskundigenbericht van prof. Heringa20, die aan de hand van destijds opgestelde stukken van Nederlandse ambtenaren tot de conclusie komt dat (i) Nederland vertrouwde op de Limitation Clause, (ii) veronderstelde dat het slechts een gedeelte van het Verdrag voorlopig zou toepassen en (iii) van oordeel was dat voor een beroep op art. 45 lid 1 ECT geen voorafgaande verklaring vereist was. In de memorie van antwoord wordt een aantal passages uit deze stukken geciteerd. Ook hiervoor geldt echter dat de opvatting van de Nederlandse ambtenaren, daargelaten dat daaruit geen door de andere verdragsstaten aanvaarde verdragspraktijk volgt, wellicht ingaat tegen het primaire standpunt van HVY, maar geen uitsluitsel geeft over de vraag of het subsidiaire standpunt van HVY of het standpunt van de Russische Federatie werd gedeeld. Ook de conclusie van prof. Heringa in § 34:

“Mijn conclusie is dat zowel naar Nederlands recht, als vanuit het perspectief van de Nederlandse onderhandelaars en vanuit het EU perspectief, de reikwijdte van artikel 45 ECT als instrument van voorlopige toepassing wordt gelimiteerd door de mate waarin er strijd is met nationaal recht. Zowel art. 45 ECT als het Nederlandse constitutionele recht doet hetzelfde, namelijk gaat ervan uit dat voorlopige toepassing alleen daar zal zijn toegepast waar dat naar nationaal constitutioneel recht is toegestaan, zodat daarmee voor Nederland dit verdrag met deze bepaling geheel conform nationaal recht was.”

is met beide opvattingen verenigbaar.

4.5.32

De Russische Federatie verwijst vervolgens naar opmerkingen die enkele landen (de Verenigde Staten, Italië, het Verenigd Koninkrijk, Finland en Japan) tijdens de onderhandelingen over de ECT hebben gemaakt. Dergelijke opmerkingen vallen echter niet onder de statenpraktijk maar onder de travaux préparatoires, waarvoor art. 32 WVV een afzonderlijke regeling bevat en waarop het hof hierna terugkomt. Deze opmerkingen horen dan ook niet thuis bij een bespreking van de uitlegregels van art. 31 lid 3 WVV. Ook voor deze opmerkingen geldt overigens dat zij er in wezen op neerkomen dat voorlopige toepassing van gedeelten van het Verdrag onder ogen werd gezien, een visie die zowel verenigbaar is met het standpunt van de Russische Federatie als met het subsidiaire standpunt van HVY.

(v) De uitleg van de Limitation Clause conform de interpretatieregels van art. 31 WVV

4.5.33

Op grond van de voorgaande overwegingen komt het hof tot de conclusie dat het subsidiaire standpunt van HVY ten aanzien van de uitleg van art. 45 lid 1 ECT, van de drie mogelijkheden die partijen in dit geding naar voren hebben gebracht, op grond van de hiervoor uiteengezette argumenten het meest in overeenstemming is met zowel de gewone betekenis van de termen van de Limitation Clause, als met de context en het voorwerp en doel van het Verdrag. Van een gevestigde statenpraktijk in de zin van art. 31 lid 3 WVV is onvoldoende gebleken, maar voor zover daarvan al sprake zou zijn verzet deze zich hoogstens tegen het primaire maar niet tegen het subsidiaire standpunt van HVY. Dit betekent dat de Limitation Clause zo moet worden begrepen, dat een ondertekenende staat die niet de verklaring bedoeld in art. 45 lid 2(a) ECT heeft afgelegd, gehouden is het Verdrag voorlopig toe te passen, behoudens voor zover voorlopige toepassing van een of meer bepalingen van de ECT strijdig is met nationaal recht in die zin, dat de wet- of regelgeving van die staat voorlopige toepassing van het Verdrag voor bepaalde (soorten of categorieën van) verdragsbepalingen uitsluit. De Limitation Clause kan dus niet worden ingeroepen indien een bepaling van de ECT op zichzelf in strijd is met enige regel van nationaal recht.

(vi) Art. 32 WVV; de travaux préparatoires

4.5.34

De uitleg die het hof aldus overeenkomstig art. 31 WVV heeft vastgesteld, laat de betekenis van art. 45 lid 1 ECT respectievelijk van de Limitation Clause niet dubbelzinnig of duister. Evenmin kan worden gezegd dat deze interpretatie leidt tot een resultaat dat duidelijk ongerijmd of onredelijk is. Voor toepassing van de aanvullende interpretatieregels van art. 32 WVV, bijvoorbeeld door raadpleging van de travaux préparatoires, is in zoverre dan ook geen aanleiding.

4.5.35

Ten overvloede is het hof van oordeel dat de travaux préparatoires zijn oordeel omtrent de uitleg van art. 45 lid 1 ECT bevestigen. Daarbij acht het hof met name relevant dat de Limitation Clause, die aanvankelijk ontbrak in de clausule die bepaalde dat het Verdrag (toen nog aangeduid als de ‘Basic Protocol’) voorlopig moest worden toegepast, op instigatie van de Verenigde Staten daaraan is toegevoegd. Blijkens een document gedateerd 2 augustus 1991 van het ‘ECT Conference Secretariat’21 is namens de Verenigde Staten naar voren gebracht:

“ “Provisional” application of the Protocol is not possible in the U.S., where a treaty or legislation is required before such a document can come into force.

This could be fixed with: “to the extent that their laws allow or some similar language.” ”

Tijdens een bijeenkomst op 14 december 199322 merkte een vertegenwoordiger van de Verenigde Staten op:

“Mr Chairman, my delegation does not have quite the same difficulty as some other delegations do with the concept of provisional application. We have no a priori opposition in principle to the concept in appropriate cases.

(....)

Quite apart from the question of the ultimate resolution of whether there should be institutions, the difficulty of participating of the financing of a provisional organization is particularly acute for the United States. We cannot under our law do it for more than a certain period and so, certainly, we could not provisionally apply the Treaty in respect to the United States in that connection.”

In een (fax)brief van 24 februari 1994 aan de ECT Conferentie23 merkte een vertegenwoordiger van de Verenigde Staten verder nog op naar aanleiding van een op dat moment circulerend concept voor een aparte overeenkomst over de voorlopige toepassing van de ECT:

“As I noted during the last plenary, we do not have any legal difficulty with provisional application per se, so long as it is carefully qualified to ensure that no party is obliged to do, or refrain from doing, anything for which that party’s constitution or law requires an appropriately ratified treaty. Our law, for example, generally speaking prohibits expenditure of funds to pay the U.S. share of the expenses of an international organization absent the express approval of the Congress. For such reasons language along the lines of “to the extent permitted by its constitution or laws” is essential to any provisional application obligation; such language is conspicuously absent from the draft text.”

4.5.36

Italië heeft op 27 juli 1994 aan de European Energy Charter Conference24 bericht:

“Italy cannot consent to the provisional application of the Treaty since Article 80 of the Italian Constitution lays down, inter alia, that international treaties which provide for arbitration, confer judicial powers or impose financial burdens must be ratified by Parliament.”

Japan heeft naar aanleiding van een document van het ECT Secretariaat van 8 maart 1994 de volgende opmerking gemaakt25:

“We have a constitutional problem in relation to paragraph (2) of CONF 91, which lacks the phrase “in accordance with their laws and regulations”. We cannot apply Article 37 of Part VII unconditionally after signature, because our domestic legislation prohibits the Japanese Government from committing itself beyond its competence to make payments regarding treaties which have not yet been concluded.”

4.5.37

Uit dit overzicht blijkt dat de bepaling, die uiteindelijk de Limitation Clause is geworden, is opgenomen omdat de ‘constitution’ van sommige staten niet toestond dat deze staten voorlopige toepassing zouden geven aan bepaalde verplichtingen uit de ECT (verplichtingen van financiële aard, arbitrage). Deze staten zouden aan dergelijke bepalingen uitsluitend gebonden kunnen worden door middel van een geratificeerd verdrag. Deze staten hebben niet gesuggereerd dat verplichtingen om financieel bij te dragen aan een internationale organisatie, of om zich te binden aan geschillenbeslechting door arbitrage, op zichzelf in strijd zouden zijn met hun interne wet- en regelgeving, zij konden zich daartoe alleen niet door middel van een voorlopig toepasbaar verdrag verbinden. Met name springt in het oog dat de Verenigde Staten erop wezen dat zij, zonder een geratificeerd verdrag, slechts gedurende een beperkte periode konden bijdragen aan de financiering van een (nieuwe) internationale organisatie. Dit onderstreept dat, in ieder geval voor de Verenigde Staten, Japan en Italië, het probleem zat in de voorlopige toepassing, die in hun nationale recht aan bepaalde beperkingen was onderworpen. Ook overigens zijn in de travaux onvoldoende duidelijke aanwijzingen te vinden dat de aan de onderhandelingen deelnemende staten de Limitation Clause hebben betrokken op de strijdigheid van bepaalde verplichtingen uit het Verdrag met hun nationale recht. Dat geldt ook voor de hierna te bespreken opmerkingen van Bamberger.

4.5.38

De rechtbank heeft in haar vonnis (rov. 5.22) belang gehecht aan het antwoord dat Bamberger op 7 maart 1994 gaf op een vraag van de voorzitter van de conferentie. De voorzitter vroeg Bamberger of het nodig was het woord ‘regulations’ op te nemen in art. 45 lid 1 ECT. Bamberger antwoordde:

“Chairman, we’ve heard this question arise in a number of contexts. In one context, the Legal Sub-Group suggested that “in accorance with its law”, in the singular, was sufficiently broad to cover the constitutional, statutory and regulatory laws of a country, but of course it does depend on the context. It seems that this desire, however, to specify “regulations”does arise often, and apparently it is because it is not, because some negotiating Parties are, do not consider that it is clear from the reference, so I am hesitant to try to give overly authoritative advice on something that really is probably very dependent on context.

Chairman Jones: May I put the question the other way around? Is there any harm in including the word “regulations”? I mean, for clarity, if a number of people are unsure, let’s include it I suppose?

Mr Bamberger: Well of course, Chairman, the effect is to suggest that relatively minor impediments in the form of regulations, no matter how insignificant they may be, can be the occasion for failing to apply the Treaty provisionally when in fact those regulations could be brought into conformity without serious effort. On the other hand, one can argue that the word “laws” would cover regulations, but it simply doesn’t put as much stress on the regulatory aspect, and so it is less likely to be viewed that way.”26

Uit deze discussie blijkt allereerst dat de discussie in de ‘Legal Sub-Group’ over het opnemen van het woord ‘regulations’ niet tot een heldere uitkomst had geleid en dat er uiteindelijk voor is gekozen dat woord volledigheidshalve in de tekst van de Limitation Clause op te nemen, echter zonder dat daar een dwingende noodzaak voor werd gezien. Verder blijkt dat Bamberger, toen hij zei dat de term ‘regulations’ de suggestie wekt dat ‘relatively minor impediments’ aanleiding zouden kunnen zijn om het Verdrag niet voorlopig toe te passen, dit zijn deskundige visie was op wat dat woord suggereert. Wat niet blijkt is dat het woord ‘regulations’ in de tekst van het Verdrag is opgenomen omdat het wenselijk werd geacht dat ook minder belangrijke strijdigheden met nationaal recht voorlopige toepassing zouden verhinderen. Bovendien is duidelijk dat Bamberger namens zichzelf als deskundig jurist sprak en niet namens de leden van de ‘Legal Sub-Group’. Tegen deze achtergrond is de opmerking van Bamberger niet van doorslaggevend belang bij de interpretatie van de Limitation Clause. Resumerend bevestigt de geciteerde passage dat aan de toevoeging van het woord ‘regulations’ de wens ten grondslag heeft gelegen zo volledig mogelijk te zijn in de verwijzing naar nationaal recht, maar dat daaraan geen diepere gedachten ten grondslag hebben gelegen.

4.5.39

De travaux préparatoires bevestigen voorts dat het er bij de Limitation Clause niet om gaat of een verdragsstaat het beginsel van voorlopige toepassing kent. De travaux bevatten geen aanwijzingen dat de onderhandelaars daaraan hebben gedacht. Integendeel, de Verenigde Staten, die de eerste aanzet tot de Limitation Clause hebben gegeven, hebben juist verklaard dat zij geen problemen hadden met het beginsel van voorlopige toepassing. Er waren wel staten die problemen hadden met het beginsel van voorlopige toepassing, maar zij hebben aangedrongen op het opnemen van art. 45 lid 2(a) ECT (zie hierna).

4.5.40

Ten slotte bevestigen de travaux préparatoires dat het afleggen van een verklaring op de voet van art. 45 lid 2(a) ECT geen voorwaarde is voor een beroep op de Limitation Clause. Uit de travaux (zoals onder meer weergegeven in de opinie van prof. Schrijver van 8 maart 201727) blijkt immers dat de in art. 45 lid 2(a) ECT vervatte ‘opt-out’ mogelijkheid eerst in een betrekkelijk laat stadium, nadat concepten voor art. 45 lid 1 ECT reeds langere tijd circuleerden, werd toegevoegd teneinde een aantal staten, dat ondanks de Limitation Clause problemen bleef houden met voorlopige toepassing van het Verdrag, in staat te stellen door middel van het afleggen van een verklaring bij de Depositaris geheel van voorlopige toepassing af te zien. Dit bevestigt dat art. 45 lid 2(a) ECT als extra mogelijkheid werd beschouwd om voorlopige toepassing te voorkomen en niet als een voorwaarde voor het inroepen van de Limitation Clause.

(vii) De betekenis van ‘not inconsistent’

4.5.41

De betekenis van de woorden ‘not inconsistent’ volgt uit de uitleg die het hof geeft aan de Limitation Clause. Het gaat er in die interpretatie om of er nationale wet- of regelgeving is die voorlopige toepassing voor bepaalde (soorten of categorieën van) verdragsbepalingen uitsluit. Is dat laatste het geval, dan is voorlopige toepassing van die (soorten of categorieën van) verdragsbepalingen ‘inconsistent’ met nationaal recht.

4.5.42

Partijen hebben daarnaast gedebatteerd over de vraag hoe ‘inconsistent’ moet worden uitgelegd indien de interpretatie van de Limitation Clause van de Russische Federatie zou moeten worden gevolgd, volgens welke interpretatie het er om gaat of een bepaling van de ECT op zichzelf in strijd is met enige regel van nationaal recht. De rechtbank is van die interpretatie uitgegaan en heeft in dat kader overwegingen gewijd aan de uitleg van de term ‘inconsistent’, die door HVY in hoger beroep zijn bestreden. Omdat het hof hierna – ten overvloede – zal nagaan of, uitgaande van de uitleg die de Russische Federatie geeft aan de Limitation Clause, de voorlopige toepassing van art. 26 ECT strijdig (‘inconsistent’) is met de ‘constitution, laws or regulations’ van de Russische Federatie, zal het hof thans ingaan op de uitleg die de rechtbank heeft gegeven aan de term ‘inconsistent’ en de daartegen gerichte grieven van HVY, dit tegen de achtergrond van de interpretatie van de Limitation Clause conform het standpunt van de Russische Federatie.

4.5.43

De rechtbank heeft (in rov. 5.33) beoordeeld of de voorlopige toepassing van het arbitraal beding van art. 26 ECT ‘in overeenstemming is met de Russische constitutie, wetten of andere regelgeving’. Zij heeft de opvatting van HVY, dat art. 26 ECT alleen dan onverenigbaar is met Russisch recht indien die verdragsbepaling in het nationale recht wordt verboden en dat van inconsistentie geen sprake is indien het Russiche recht niet uitdrukkelijk in die verdragsbepaling voorziet, verworpen. De rechtbank is van oordeel dat van strijdigheid ook sprake is indien een dergelijke wijze van geschilbeslechting geen wettelijke grondslag heeft, of niet past in het wettelijk systeem of niet verenigbaar is met de uitgangspunten en beginselen die zijn neergelegd in of kenbaar zijn uit de wetgeving van de Russische Federatie. Daarbij heeft de rechtbank belang gehecht aan de omstandigheid dat de voorlopige toepassing haar legitimiteit vindt in de ondertekening van het Verdrag en dat bij een aantal bepalingen de soevereiniteit van de ondertekenende partijen in het geding is. In rov. 5.41 heeft de rechtbank overwogen dat van strijdigheid met Russisch recht ook sprake kan zijn indien dat recht zelf niet voorziet in de mogelijkheid van arbitrage zoals geregeld in art. 26 ECT. In rov. 5.51 heeft de rechtbank overwogen dat art. 9 lid 1 LFI 1991 geen ‘zelfstandige wettelijke basis’ biedt voor beslechting van geschillen tussen een investeerder en een staat door internationale arbitrage als voorzien in art. 26 ECT. In rov. 5.58 komt de rechtbank tot dezelfde conclusie ten aanzien van art. 10 LFI 1999.

4.5.44

HVY vechten dit oordeel in hoger beroep aan. Volgens HVY brengt ‘inconsistent’ mee dat sprake is van ‘onmiskenbare strijdigheid’ (memorie van grieven nr. 407) en heeft de rechtbank ten onrechte gezocht naar een ‘zelfstandige wettelijke basis’. Volgens HVY zijn twee bepalingen ‘inconsistent’ indien deze niet tegelijkertijd toepassing kunnen vinden (memorie van grieven nr. 385), dat wil zeggen wanneer de toepassing van de ene bepaling leidt tot schending van de andere bepaling (memorie van grieven nr. 389), ook aangeduid als de ‘impossibility of joint compliance’ (memorie van grieven nr. 393). In de akte van 26 februari 2019 hebben HVY dit verduidelijkt door te stellen dat niet noodzakelijkerwijs een uitdrukkelijk verbod op grond van nationaal recht vereist is (nr. 151).

4.5.45

De Russische Federatie stelt zich op het standpunt dat de vraag of ‘inconsistent’ betekent dat sprake moet zijn van onmiskenbare stijdigheid in dit geding niet aan de orde kan komen, nu HVY een dergelijk argument in de arbitrage niet naar voren hebben gebracht (memorie van antwoord nr. 374). Van onmiskenbare strijdigheid van art. 26 ECT met Russisch recht is overigens zonder meer sprake (memorie van antwoord nr. 375). De rechtbank heeft gereageerd op het standpunt dat HVY in eerste aanleg hadden aangevoerd (en dat zij kennelijk in hoger beroep weer hebben verlaten), inhoudende dat art. 26 ECT alleen ‘inconsistent’ is met nationale wetgeving indien een bepaling van nationaal recht dergelijke arbitrage expliciet verbiedt. Dat standpunt heeft de rechtbank terecht verworpen (memorie van antwoord nr. 377). Dat ‘inconsistent’ strijdigheid vereist met nationaal recht is juist, niet dat sprake moet zijn van onmiskenbare strijdigheid (memorie van antwoord nr. 378). Van strijdigheid met nationaal recht is ook sprake als een concrete wettelijke bepaling ontbreekt maar er strijdigheid is met het wettelijke systeem, waarbij ook betekenis toekomt aan algemene constitutionele uitgangspunten zoals dat van de scheiding der machten en het primaat van de federale wetgeving (memorie van antwoord nr. 381). Overigens is de Russische Federatie van mening dat de discussie over de woorden ‘not inconsistent with’ zinloos is, omdat uit allerlei expliciete wetsbepalingen blijkt dat arbitrage over de vorderingen van HVY onmiskenbaar in strijd is met Russisch recht (akte van 25 juni 2019 nr. 120).

4.5.46

Het hof constateert dat partijen het er in wezen over eens zijn dat de toets die in het kader van de Limitation Clause (uitgelegd conform het standpunt van de Russische Federatie) moet worden aangelegd, is of een bepaalde verdragsbepaling strijdig is met een bepaling van nationaal recht. Het hof onderschrijft dit uitgangspunt. Het standpunt van HVY in de memorie van grieven dat die strijdigheid onmiskenbaar moet zijn, handhaven zij niet langer; dat standpunt is ook onjuist, nu de Limitation Clause die eis niet stelt en deze ook niet besloten ligt in het gebruik van een dubbele ontkenning (‘not inconsistent’). Het hof is van oordeel dat de vraag wanneer van ‘strijdigheid’ sprake is niet in algemene zin kan worden beantwoord, maar dat dit afhangt van de specifieke context van de relevante ECT-bepaling en het nationale recht. Van ‘strijdigheid’ zal in ieder geval sprake indien een ECT-verdragsbepaling en een bepaalde regel van nationaal recht niet tegelijkertijd toepassing kunnen vinden omdat toepassing van de ene regel schending van de andere regel meebrengt. Op grond van de opinies van prof. Schrijver en prof. Klabbers28 en de daarin aangehaalde jurisprudentie, waarvan de deskundigen van de Russische Federatie geen afstand hebben genomen, en overeenkomstig het oordeel van het scheidsgerecht in de Yukos Capital-zaak29, is het hof van oordeel dat dit criterium in overeenstemming is met algemeen aanvaarde normen van internationaal recht voor situaties waarin het gaat om voorrang tussen twee conflicterende verdragsbepalingen.30 Dat deze jurisprudentie betrekking heeft op andere verdragen dan de ECT en op conflicten tussen verschillende verdragsnormen en niet op conflicten tussen een verdragsnorm en nationaal recht, neemt niet weg dat daaraan belang toekomt bij de uitleg van het begrip ‘inconsistent’ in art. 45 lid 1 ECT. Dit sluit niet uit dat, zoals hiervoor (rov. 4.5.45) is overwogen, er ook buiten het geval dat een verdragsnorm en een regel van nationaal recht niet tegelijkertijd kunnen worden toegepast zonder dat toepassing van de ene regel schending van de andere meebrengt, sprake kan zijn van strijdigheid in de zin van art. 45 lid 1 ECT, bijvoorbeeld indien een ECT-bepaling niet verenigbaar is met een algemene rechtsovertuiging in de desbetreffende staat.

4.5.47

Zoals opgemerkt, heeft de rechtbank overwogen dat art. 26 ECT ook dan ‘inconsistent’ is met nationaal recht indien een dergelijke wijze van geschilbeslechting geen wettelijke grondslag heeft in Russisch recht. Verder heeft de rechtbank overwogen dat van onverenigbaarheid met Russisch recht ook sprake kan zijn indien dat recht zelf niet voorziet in de mogelijkheid van arbitrage zoals geregeld in art. 26 ECT. Met toepassing van dit criterium heeft de rechtbank vervolgens overwogen dat art. 9 lid 1 LFI 1991 geen ‘zelfstandige wettelijke basis’ biedt voor arbitrage tussen HVY en de Russische Federatie en in rov. 5.58 dat hetzelfde geldt voor art. 10 LFI 1999 (rov. 4.5.43 hiervoor). HVY komen tegen dit oordeel van de rechtbank terecht op. De tekst van art. 45 lid 1 ECT geeft geen aanknopingspunten voor deze uitleg, terwijl deze ook niet voorvloeit uit de context van het Verdrag. Integendeel, het oordeel van de rechtbank komt erop neer dat de bepalingen van de ECT alleen dan voorlopig kunnen worden toegepast, indien daarvoor reeds een wettelijke grondslag in het nationale recht aanwezig is. Dat zou de voorlopige toepassing van art. 45 lid 1 ECT van veel van zijn praktische betekenis beroven en niet in overeenstemming zijn met de in die bepaling tot uitdrukking gebrachte wens van de verdragspartijen om de ECT zoveel mogelijk voorlopig toe te passen. Voorzover de rechtbank voor haar oordeel belang heeft gehecht aan de omstandigheid dat bij een aantal bepalingen van de ECT de soevereiniteit van de ondertekenende partijen in het geding is (rov. 5.33), is dat onjuist. Niet valt in te zien waarom die omstandigheid van invloed zou zijn op de uitleg van de term ‘inconsistent’ in de Limitation Clause. Het is immers inherent aan een verdrag dat een staat daarmee zijn soevereiniteit tot op zekere hoogte beperkt en dit geldt ook wanneer een staat een verdrag voorlopig toepast.

(viii) Conclusie ten aanzien van de interpretatie van de Limitation Clause van art. 45 lid 1 ECT en van art. 45 lid 2(a) ECT

4.5.48

De conclusie luidt dat de Limitation Clause aldus moet worden uitgelegd, dat een ondertekenende staat die niet de verklaring bedoeld in art. 45 lid 2(a) ECT heeft afgelegd, gehouden is het Verdrag voorlopig toe te passen, behoudens voor zover voorlopige toepassing van een of meer bepalingen van de ECT strijdig is met nationaal recht in die zin, dat de wet- of regelgeving van die staat voorlopige toepassing van een verdrag voor bepaalde (soorten of categorieën van) verdragsbepalingen uitsluit. Deze uitleg stemt overeen met die van het scheidsgerecht in de Yukos Capital-zaak.31 Uitgaande van de interpretatie die de Russische Federatie aan de Limitation Clause geeft, is van ‘strijdigheid’ in de zin van art. 45 lid 1 ECT in ieder geval sprake indien een verdragsbepaling en een bepaalde regel van nationaal recht niet tegelijkertijd toepassing kunnen vinden omdat toepassing van de ene regel schending van de andere regel meebrengt. Of daarnaast sprake is van ‘strijdigheid’ hangt af van de specifieke context van de in het geding zijnde regelgeving. Van ‘strijdigheid’ is in ieder geval niet reeds sprake indien het nationale recht geen grondslag biedt voor, of niet voorziet in, de desbetreffende bepaling van de ECT.

4.6 (

vi) Toepassing Limitation Clause in deze zaak (uitgaande van de uitleg die het hof aan die bepaling geeft)

4.6.1

Uitgaande van de hiervoor rov. 4.5.48 aanvaarde uitleg van art. 45 lid 1 ECT, is het hof van oordeel dat de voorlopige toepassing van art. 26 ECT niet strijdig is met de ‘constitution, laws or regulations’ van de Russische Federatie. Niet is gesteld of gebleken dat het Russische recht een regel kent die uitsluit dat art. 26 ECT voorlopig wordt toegepast. Art. 23 lid 1 FLIT luidt:

“An international treaty or a part thereof may, prior to its entry into force, be applied by the Russian Federation provisionally, if the treaty itself so provides or if an agreement to such effect has been reached with the parties that have signed the treaty.”

Daaruit blijkt geen enkele beperking ten aanzien van de (soorten of categorieën van) verdragsbepalingen die voorlopig kunnen worden toegepast. De Russische rechtsgeleerden Osminin32 en Karzov33 bevestigen dat er geen beperkingen gelden voor de voorlopige toepassing van verdragen die moeten worden geratificeerd. Uit art. 23 lid 2 FLIT, waarop het hof hierna in ander verband terugkomt, volgt niet iets anders, want hierin is niet een beperking opgenomen ten aanzien van de aard van de bepalingen die wel en niet voorlopig kunnen worden toegepast. Dit betekent dat de Russische Federatie gehouden was art. 26 ECT voorlopig toe te passen en dat de rechtbank ten onrechte anders heeft beslist. De grieven van HVY slagen in zoverre.

4.6.2

Het hof zal desalniettemin, ten overvloede, onderzoeken of, uitgaande van de uitleg die de Russische Federatie en de rechtbank aan de Limitation Clause geven, art. 26 ECT in strijd is met enige bepaling van het recht van de Russische Federatie.

4.7 (

vii) Toepassing Limitation Clause in deze zaak (uitgaande van de uitleg die de Russische Federatie aan die bepaling geeft)

4.7.1

De Russische Federatie heeft de volgende drie zelfstandige gronden aangevoerd waaruit naar haar mening volgt dat arbitrage over de vorderingen van HVY strijdig is met Russisch recht (memorie van antwoord nr. 153):

( a) het is in strijd met het Russische (grond)wettelijk verankerde beginsel van de scheiding der machten, indien de regering eenzijdig namens de Russische Federatie zou instemmen met voorlopige toepassing van art. 26 ECT; immers verdragen met arbitragebepalingen moeten worden bekrachtigd;

( b) naar Russisch recht zijn geschillen omtrent publiekrechtelijke bevoegdheden, zoals belasting- en onteigeningsgeschillen, niet arbitrabel;

( c) naar Russisch recht komt aan aandeelhouders geen vordering toe voor waardevermindering van hun aandelen wegens aan de vennootschap toegebrachte schade.

4.7.2.1 Het hof begrijpt het betoog van de Russische Federatie zo dat zij bepleit dat, op deze gronden, art. 26 ECT ‘inconsistent’ is met haar ‘constitution, laws or regulations’ in de zin van art. 45 lid 1 ECT (memorie van antwoord nr. 184), en dat zij niet aanvoert dat degene die namens haar het Verdrag heeft ondertekend, ook los van art. 45 lid 1 ECT, zijn bevoegdheid te buiten is gegaan door een verdrag te ondertekenen dat voorlopig moet worden toegepast. Dat zou overigens ook niet stroken met het onbetwiste feit dat de Russische Federatie de ECT jarenlang, in ieder geval deels, voorlopig heeft toegepast.

4.7.2.2 De Russische Federatie heeft in eerste aanleg nog het volgende aangevoerd. Art. 2 onder c FLIT bepaalt expliciet dat ondertekening van een verdrag alleen geldt als toestemming van de Russische Federatie om door een verdrag gebonden te worden “if the treaty provides that signature shall have that effect.” Volgens de Russische Federatie bevat de ECT geen bepaling van die strekking.34 Dit betoog faalt, omdat art. 45 lid 1 ECT een dergelijke bepaling wel degelijk bevat. Het bepaalt immers dat ‘[e]ach signatory’, dat wil zeggen iedere staat die het Verdrag heeft ondertekend, ermee instemt het Verdrag voorlopig toe te passen.

4.7.3

Hoewel de rechtbank aan grond (c) niet is toegekomen, maar het hof daarop wel moet beslissen in verband met de devolutieve werking van het hoger beroep, zal het hof gezien de samenhang deze grond in dit hoofdstuk over strijd met Russisch recht behandelen.

(a) De scheiding der machten

4.7.4

Het standpunt van de Russische Federatie (zoals onder meer uiteengezet in de memorie van antwoord nrs. 154-184) op dit punt kan als volgt worden samengevat. De Grondwet gaat uitdrukkelijk uit van het principe van de scheiding der machten. De bevoegdheden van de uitvoerende macht worden beperkt door de Grondwet en federale wetgeving, en de bevoegdheden van de regering bij het aangaan van verdragsverplichtingen zijn beperkt. Verdragen die afwijken van de wet moeten worden bekrachtigd door middel van een federale wet en zonder bekrachtiging heeft een verdrag geen voorrang op federale wetten. Dit volgt uit art. 12 van de Wet van 1978 ‘Inzake de procedure voor het sluiten, implementeren en opzeggen van internationale verdragen van de USSR’, alsmede uit de artt. 6 lid 2 en 15 FLIT. De Russische regering kan dan ook alleen een algemene arbitrageregeling invoeren als daarvoor een afdoende (grond)wettelijke basis bestaat. Voorlopige toepassing van een verdrag dat afwijkt van federale wetgeving behoeft parlementaire instemming. De regering kan niet zelfstandig bevoegdheden van de rechterlijke macht afnemen en deze toekennen aan derden. De bevoegdheid van de regering om in te stemmen met de voorlopige toepassing van een verdrag is expliciet beperkt, doordat art. 23 lid 2 FLIT bepaalt dat een besluit om verdragen die afwijken van federale wetten langer dan zes maanden voorlopig toe te passen, de instemming van het parlement nodig heeft. Overigens hebben alleen bekrachtigde verdragen voorrang boven federale wetten, aldus de Russische Federatie.

4.7.5

Het betoog van de Russische Federatie berust op het uitgangspunt dat art. 26 ECT een vorm van geschilbeslechting vormt die afwijkt van de federale wetten van de Russische Federatie of deze aanvult. Uit hetgeen hierna ten aanzien van de tweede (hiervoor in rov. 4.7.1 onder (b) genoemde) grondslag zal worden overwogen, blijkt dat dit uitgangspunt onjuist is. Met name blijkt daaruit dat art. 9 LFI 1991 en art. 10 LFI 1999 internationale arbitrage over investeringsgeschillen met zoveel woorden mogelijk maken. Dit betekent dat grondslag (a) reeds om deze reden faalt. Het hof zal echter ook nagaan of grondslag (a) slaagt, indien ervan uit wordt gegaan dat art. 26 ECT een vorm van geschilbeslechting vormt die inderdaad afwijkt van de federale wetten van de Russische Federatie of deze aanvult.

4.7.6

Het standpunt van de Russische Federatie komt er op neer dat de mogelijkheid om een verdrag voorlopig toe te passen in die zin beperkt is, dat verdragen die afwijken van federale wetgeving of deze aanvullen, althans de bepalingen daaruit die een dergelijke afwijking of aanvulling inhouden, niet voorlopig kunnen worden toegepast.

4.7.7

Met betrekking tot de voorlopige toepassing en de ratificatie van verdragen van de Russische Federatie is het volgende in de Grondwet en de FLIT bepaald. Daarbij is van belang dat het Russische parlement twee kamers heeft: de Doema en de ‘Council of Federation’ (ook wel de ‘Federation Council’).

Art. 15 lid 4 Grondwet luidt:

“Universally recognized principles and norms of international law as well as international agreements of the Russian Federation shall be an integral part of its legal system. If an international agreement of the Russian Federation establishes rules, which differ from those stipulated by law, then the rules of the international agreement shall be applied.”

Art. 106 Grondwet bepaalt:

“Federal laws adopted by the State Duma on the following issues must compulsorily be examined by the Council of Federation:

(...)

d) ratification and denunciation of international treaties of the Russian Federation.”

Art. 15 FLIT bepaalt onder meer:

“1. The following international treaties of the Russian Federation shall be subject to ratification:

a) international treaties whose implementation requires modification of existing legislation or the enactment of new federal laws, or that set out rules different from those provided for by law;

2. An international treaty shall likewise be subject to ratification if the parties have agreed to subsequent ratification when concluding the international treaty.”

Art. 17 FLIT (‘Decisions to ratify international treaties of the Russian Federation’) bepaalt onder meer:

“1. The State Duma shall consider proposals for the ratification of international treaties and, after preliminary discussion in committees and commissions of the State Duma, make relevant decisions.

Federal laws adopted by the State Duma for the ratification of international treaties of the Russian federation shall be subject, in accordance with the Constitution of the Russian Federation, to mandatory consideration in the Federation Council.”

Art. 23 FLIT (‘Provisional application of international treaties by the Russian Federation’) luidt:

“1. An international treaty or a part thereof may, prior to its entry into force, be applied by the Russian Federation provisionally, if the treaty itself so provides or if an agreement to such effect has been reached with the parties that have signed the treaty.

2. Decisions on the provisional application of a treaty or a part of a treaty by the Russian Federation shall be made by the body that has taken the decision to sign the international treaty according to the procedure set out in Article 11 of this Federal Law.

If an international treaty - the decision on the acceptance of the binding character of which in respect of the Russian Federation is, under this Federal Law, to be passed in the form of a Federal Law - provides for the provisional application of a treaty or a part thereof, or if an agreement as to such provisional application was reached among the parties in some other manner, then this treaty shall be submitted tot he State Duma within six months from the start of its provisional application. The term of provisional application may be prolonged by way of a decision taken in a form of a federal law according tot he procedure set out in Article 17 of this law for the ratification of international treaties.

3. Unless the international treaty otherwise provides, or the respective States otherwise agree, the provisional application of a treaty by the Russian Federation or a part thereof shall be terminated upon notification to the other States that apply the treaty provisionally of the intention of the Russian Federation not to become a party to the treaty.”

4.7.8

Dat de ECT moet worden geratificeerd om in werking te treden is niet in geschil, dit volgt reeds uit art. 39 ECT. Dat de Russische Federatie de ECT niet heeft geratificeerd staat eveneens vast. De ECT is aan de Doema voorgelegd op 26 augustus 1996 maar niet geratificeerd.

4.7.9

De FLIT is op 21 juli 1995 in werking getreden, dus nadat de Russische Federatie de ECT heeft ondertekend. Overgangsbepalingen zijn in deze wet niet opgenomen. De Russische Federatie stelt zich op het standpunt dat (alleen) aan art. 23 lid 2 FLIT terugwerkende kracht is verleend. De Russische Federatie heeft verder gesteld dat op het moment van ondertekening van de ECT geen specifieke (grond)wettelijke regeling over de voorlopige toepassing van verdragen bestond en dat, voordat de FLIT in werking trad, aan de hand van algemene (grond)wettelijke bepalingen moest worden nagegaan of de regering bevoegd was eenzijdig namens de Russische Federatie ermee in te stemmen een verdrag voorlopig toe te passen (memorie van antwoord nr. 171).

4.7.10

Het hof neemt tot uitgangspunt dat ten tijde van de ondertekening van de ECT door de Russische Federatie, voor zover in dezen relevant, en met uitzondering van art. 23 lid 2 FLIT, geen wezenlijk andere regels golden dan die thans in de FLIT zijn neergelegd. Er zijn geen aanwijzingen dat deze wet op het gebied van de voorlopige toepassing van verdragen nieuwe regels heeft geïntroduceerd. Veeleer is aannemelijk dat de FLIT op het gebied van de voorlopige toepassing wilde aansluiten bij de voorheen bestaande praktijk. Die praktijk hield in dat verdragen op ruime schaal voorlopig werden toegepast en dat dit ook gebeurde met verdragen die afwijkingen inhielden van bestaande wetgeving (zie hierna rov. 4.7.15-4.7.16). De Russische Federatie is partij bij het WVV sinds 1986.35 In art. 25 WVV is de voorlopige toepassing van verdragen geregeld; de leden 1 en 2 van dat art. 25 zijn inhoudelijk gelijkluidend aan art. 23 lid 1 respectievelijk lid 3 FLIT. Ingevolge art. 15 lid 4 Grondwet zijn de verdragen van de Russische Federatie een integraal onderdeel van haar rechtssysteem. Art. 25 WVV maakte dus ook al vóór de inwerkingtreding van de FLIT onderdeel uit van de Russische rechtsorde.

4.7.11

Daar komt bij dat de FLIT in werking is getreden voordat de ECT op 26 augustus 1996 aan de Doema werd voorgelegd en dus ook voordat het ratificatieproces goed en wel was begonnen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de FLIT valt ook vóór het tijdstip waarop HVY haar verzoek tot arbitrage tot de Russische Federatie heeft gericht en daarmee te kennen gaf dat zij het in art. 26 ECT besloten liggende aanbod tot arbitrage aanvaardde. Tegen die achtergrond valt niet in te zien waarom de FLIT niet van toepassing zou zijn op de vraag die hier voorligt, te weten of de voorlopige toepassing van de ECT, ondanks het feit dat deze niet door de Russische Federatie is geratificeerd, meebrengt dat de Russische Federatie is gebonden aan de arbitrageclausule van art. 26 ECT.

4.7.12

Bovendien moet de FLIT, voor zover deze wet al minder beperkingen ten aanzien van de voorlopige toepassing van verdragen kent dan vóór haar inwerkingtreding golden, worden toegepast op grond van het beginsel dat het een staat vrijstaat om nationale belemmeringen die op het moment van ondertekening van een verdrag aan voorlopige toepassing in de weg staan of beperken, weg te nemen, maar niet om nieuwe belemmeringen te introduceren.36 Uitvoering te goeder trouw van het desbetreffende verdrag brengt dan mee dat de oude beperking niet aan de andere staten, of zoals in dit geval aan investeerders waaraan het Verdrag bepaalde rechten (zoals art. 26 ECT) heeft toegekend, wordt tegengeworpen maar dat het nieuwe gunstiger regime wordt toegepast. Het is in overeenstemming met dit beginsel dat de vraag, of een geldige overeenkomst tot arbitrage tot stand is gekomen doordat HVY in 2004 een verzoek tot arbitrage tot de Russische Federatie hebben gericht, wordt beoordeeld aan de hand van de op dat moment bestaande situatie (voor zover deze gunstiger voor HVY is dan op het tijdstip dat de ECT door de Russische Federatie werd ondertekend). Voor zover dus al zou moeten worden geoordeeld dat tussen het tijdstip van ondertekening van de ECT en de inwerkingtreding van de FLIT een periode ligt waarin art. 26 ECT niet voorlopig kon worden toegepast, staat dit er niet aan in de weg dat dit in beginsel wel zou kunnen sinds 1995 als gevolg van de door de FLIT geïntroduceerde regels.

4.7.13

Wat betreft de toepasselijkheid van art. 23 lid 2 FLIT is het volgende van belang. De Russische Federatie voert aan dat aan dit artikellid terugwerkende kracht is verleend bij Presidentiëel Besluit van 7 augustus 1995 (geciteerd in de memorie van antwoord nr. 174 voetnoot 237). Of aan deze bepaling inderdaad ‘terugwerkende kracht’ is verleend, hetgeen HVY betwisten, kan in het midden blijven. Nu de FLIT geen overgangsbepalingen kent, ligt het voor de hand dat deze wet op het moment van zijn inwerkingtreding van toepassing werd op verdragen die op tijdstip al wel voorlopig werden toegepast maar nog niet waren geratificeerd. Dat lijkt ook de meest aannemelijke strekking van het Presidentiëel Besluit van 7 augustus 1995. Dit betekent dat de ECT binnen zes maanden na 21 juli 1995 aan de Doema voorgelegd had moeten worden, hetgeen niet is gebeurd.

4.7.14

Het standpunt van de Russische Federatie dat art. 26 ECT niet voorlopig kan worden toegepast omdat de ECT een verdrag is dat naar Russisch recht geratificeerd moet worden, acht het hof onjuist. Het Russische recht kent niet de regel dat de bevoegdheid van de regering om voorlopige toepassing van verdragen overeen te komen, beperkt is in die zin, dat voorlopige toepassing geen betrekking kan hebben op verdragen die moeten worden bekrachtigd omdat daarin bepalingen voorkomen die afwijken van federale wetgeving of deze aanvullen. Een dergelijke beperking is niet te lezen in de Grondwet of de FLIT. Meer in het bijzonder maakt art. 23 lid 1 FLIT in dat opzicht geen enkel voorbehoud, door aan voorlopige toepassing als enige voorwaarde te verbinden dat voorlopige toepassing door de verdragspartijen is overeengekomen. Ook art. 23 lid 2 FLIT stelt geen inhoudelijke beperking aan de besluitvorming aangaande voorlopige toepassing, waar het zonder voorbehoud bepaalt dat het lichaam dat heeft besloten om het desbetreffende verdrag te ondertekenen ook beslist of dat verdrag voorlopig zal worden toegepast.

4.7.15

Dat vóór de inwerkingtreding van de FLIT beperkingen golden ten aanzien van de mogelijkheid om een verdrag voorlopig toe te passen, blijkt overigens niet. De Wet van 1978 ‘Inzake de procedure voor het sluiten, implementeren en opzeggen van internationale verdragen van de USSR’ bevatte geen bepalingen over voorlopige toepassing en dus ook geen bepalingen die de voorlopige toepassing beperkten. Ook de Russische Federatie kan kennelijk geen specifieke beperkingen op voorlopige toepassing aanwijzen, nu zij stelt dat vóór de inwerkingtreding van de FLIT aan de hand van algemene (grond)wettelijke bepalingen moest worden bepaald of de regering bevoegd was eenzijdig namens de Russische Federatie ermee in te stemmen om een verdrag voorlopig toe te passen (memorie van antwoord nr. 171). Voorlopige toepassing van verdragen die bepalingen bevatten die afwijken van bestaande wetgeving kwamen ook reeds vóór de inwerkingtreding van de FLIT voor. Het hof volstaat er hier mee te verwijzen naar de volgende verdragen.

4.7.16

De ‘Maritime Boundary Agreement’ van 1 juni 1990, door middel waarvan de grens in de Beringzee tussen de Russische Federatie en de Verenigde Staten werd vastgelegd, wordt sinds 15 juni 1990 voorlopig toegepast37, hoewel het een verdrag betreft dat geratificeerd dient te worden. Ratificatie is vereist op grond van art. 12 van de Wet van 1978 ‘Inzake de procedure voor het sluiten, implementeren en opzeggen van internationale verdragen van de USSR’, nu de ‘Maritime Boundary Agreement’ dit in art. 6 bepaalt en omdat dat verdrag betrekking heeft op de ‘territorial demarcation of the U.S.S.R.’38 Een ander voorbeeld is de ‘Agreement establishing an International Science and Technology Centre’ ondertekend op 27 november 1992 en voorlopig van toepassing verklaard door middel van een aanvullend Protocol van 27 december 1993.39 Aangezien dit verdrag in de artt. XI en XII bepaalde immuniteiten verleende aan het ‘Centre’, waarvan het hoofdkwartier in de Russische Federatie was gevestigd (zie art. IX A), en zijn medewerkers, week het in zoverre af van geldende Russische wetgeving en moest het geratificeerd worden op grond van art. 12 van de Wet van 1978 ‘Inzake de procedure voor het sluiten, implementeren en opzeggen van internationale verdragen van de USSR’.

4.7.17

De Russische Federatie heeft hierop een reactie gegeven die er op neerkomt dat het voorstelbaar is dat er ‘per ongeluk’ af en toe een verdrag voorlopig werd toegepast dat van de wet afwijkt, dat dit niet betekent dat dit in overeenstemming met de Grondwet is en, bovendien, dat de Russische Federatie nooit instemt met de voorlopige toepassing van arbitrage. Het hof acht het echter onaannemelijk dat de (jarenlange) voorlopige toepassing van verdragen die afwijken van de wet een gevolg van onoplettendheid is. Aannemelijk is dat indien, zoals de Russische Federatie stelt, de voorlopige toepassing van dergelijke verdragen onconstitutioneel was, dat zou zijn opgemerkt, maar daarvan blijkt niet. Meer in het bijzonder is niet gebleken dat de Russische Federatie de voorlopige toepassing van het ‘Maritime Boundary Agreement’ heeft beëindigd of dat verdrag later alsnog heeft bekrachtigd. Dat de Russische Federatie in haar verdragspraktijk nooit instemt met de voorlopige toepassing van internationale arbitrage is, indien juist, niet relevant. Waar het hier om gaat is dat verdragen die afweken van Russische wetgeving voorlopig werden toegepast. Op welk punt er een afwijking van het Russische recht bestaat is in dit verband niet van belang.

4.7.18

Dat in het onderhavige geval rechtsgeldig door de regering van de Russische Federatie is besloten de ECT te ondertekenen, is niet in geschil (zie hiervoor rov. 4.3.2 en 4.7.2.1). In de resolutie van de regering van 16 december 1994 blijkt niet van enige beperking ten aanzien van de voorlopige toepassing van (specifieke bepalingen van) de ECT.

4.7.19

Dat de FLIT van een ander systeem uitgaat dan thans verdedigd door de Russische Federatie, blijkt ook uit art. 23 lid 2 FLIT. Art. 23 lid 2 FLIT bepaalt immers niet dat voorlopige toepassing niet mogelijk is indien het verdrag moet worden geratificeerd (omdat het bepalingen bevat die afwijken van bestaande federale wetten of deze aanvullen, vgl. art. 15 FLIT), maar slechts dat in dat geval het verdrag binnen zes maanden aan de Doema ter goedkeuring moet worden voorgelegd en dat verlenging van de termijn van voorlopige toepassing bij federale wet moet plaatsvinden. Art. 23 lid 2 FLIT maakt het dus mogelijk dat verdragsbepalingen die afwijken van federale wetten of deze aanvullen, voorlopig worden toegepast gedurende zes maanden na ondertekening van het verdrag zonder voorlegging aan de Doema. Overigens zijn partijen het erover eens dat ook indien het verdrag niet binnen zes maanden aan de Doema wordt voorgelegd, de voorlopige toepassing van kracht blijft totdat de Russische Federatie aan de andere verdragsstaten heeft laten weten niet over te zullen gaan tot bekrachtiging. Dit is ook in overeenstemming met art. 25 lid 2 WVV. De voorlopige toepassing van een verdrag dat bepalingen bevat die afwijken van of een aanvulling zijn op federale wetgeving kan dus onder omstandigheden aanmerkelijk langer duren dan zes maanden. Dat is moeilijk in overeenstemming te brengen met het standpunt met betrekking tot de strikte scheiding der machten dat de Russische Federatie in deze procedure bepleit.

4.7.20

De Russische rechtsgeleerden Osminin40 en Karzov41 bevestigen dat er geen beperkingen gelden voor de voorlopige toepassing van verdragen die moeten worden geratificeerd. Karzov stelt:

“The Russian Federation belongs to a third group of State, which also includes, among others, Spain and Switzerland. In these States, the relevant authorized bodies of State power are not limited in their right to make independent decisions with respect to provisional application of international treaties, including those that require adoptation of a law in order to be entered into.”

(onderstreping hof)

In dezelfde zin Zvekov en Osminin42:

“From this it follows that exception(s) to the federal law on the basis of provisional application are possible.”

4.7.21

De Russische Federatie heeft overigens zelf in een nota43 aan de International Law Commission van de VN bevestigd dat naar Russisch recht voorlopig toegepaste verdragen dezelfde status hebben als verdragen die in werking zijn getreden:

“The Russian Federation’s consent to the provisional application of a treaty means that the treaty becomes part of the legal system of the Russian Federation and is subject to application on an equal basis with treaties that have entered into force.”

terwijl in deze nota tegelijkertijd werd gesteld:

“Under the above-mentioned federal law [de FLIT, hof], the decision on the provisional application by the Russian Federation of a treaty is taken by the Government of the Russian Federation or the President of the Russian federation (depending on within whose competence the questions constituting the subject of the treaty reside).”

4.7.22

De citaten die de Russische Federatie uit de voorbereiding van de Grondwet en de FLIT (memorie van antwoord nrs. 426-432) opvoert hebben geen betrekking op een voorlopig toegepast verdrag. Voor zover uit de door de Russische Federatie (memorie van antwoord nrs. 433-434) aangehaalde publicaties van rechtsgeleerden al de opvatting naar voren komt dat een voorlopig toegepast verdrag geen voorrang kan hebben boven een federale wet, is dat standpunt achterhaald door verschillende uitspraken van het Constitutionele Hof van de Russische Federatie. De vraag of in art. 15 lid 4 Grondwet onder ‘international agreement’ ook een voorlopig toegepast verdrag moet worden begrepen, heeft het Constitutionele Hof immers bevestigend beantwoord in zijn ‘Resolution 8-P’ van 27 maart 2012.44Het Constitutionele Hof overwoog onder 4 en 4.1:

“Agreement to provisional application of an international treaty means that it becomes part of the legal system of the Russian Federation and must be applied on the same basis as international treaties that have entered into force (unless otherwise expressly stated by the Russian Federation), since otherwise provisional application would be meaningless.

(...)

Being guided by the Vienna Convention on the Law of Treaties and provisions of the Federal Law “On International Treaties of the Russian Federation” in their literal interpretation, public authorities and officials of the Russian Federation consistently pursue the legal policy which provides that provisions of a provisionally applied international treaty become part of the legal system of the Russian Federation and, like international treaties of the Russian Federation that have entered into force, have priority over Russian laws in the absence of the officially published text, including instances when they alter the regulatory content of rights, freedoms and duties of man and citizen.

(...)

From the point of view of the requirements set forth in Article 15 (part 4) of the Constitution of the Russian Federation in conjunction with its Articles 2, 17 (part 1) and 19 (part 1), provisionally applied international treaties of the Russian Federation by their legal consequences, effect on rights, freedoms and duties of man and citizen in the Russian Federation are essentially equivalent to international treaties that have entered into force, ratified and officially published in accordance with the procedure established by federal legislation.”

4.7.23

De Russische Federatie en haar experts hebben onder meer betoogd dat de aan het Constitutionele Hof voorgelegde vraag was of een voorlopig toegepast verdrag aan een burger kon worden tegengeworpen hoewel het niet was gepubliceerd, zoals met een geratificeerd verdrag wel gebeurt. Op zichzelf is dat juist, maar daarbij wordt uit het oog verloren dat het Constitutionele Hof besliste dat een voorlopig toegepast verdrag “affecting the rights and freedoms of man and citizen and establishing rules other than those provided by law” gepubliceerd moet worden, omdat het dezelfde werking heeft als een verdrag dat van kracht is geworden. De stelling van de Russische Federatie dat uit deze uitspraak niet meer blijkt dan dat een voorlopig toegepast verdrag wat betreft de publicatievereisten op gelijke hoogte staat als een geratificeerd verdrag, miskent dat de uitspraak van het Constitutionele Hof onmiskenbaar een meer algemene strekking heeft. Zijn oordeel, dat voorlopig toegepaste verdragen moeten worden gepubliceerd, heeft het immers gemotiveerd met de overweging dat dergelijke verdragen “have priority over Russian laws”. In dat verband wijst het Hof erop dat indien een voorlopig toegepast verdrag niet op gelijke voet als een van kracht geworden verdrag zou worden toegepast, “provisional application would be meaningless”. Uit deze uitspraak valt ten slotte niet af te leiden dat een rol heeft gespeeld dat de oude tarieven (die door het verdrag waren vervangen door nieuwe tarieven, hetgeen de inzet van het geschil was) waren vastgelegd in een regeringsbesluit. Er is niets in de motivering van het Constitutionele Hof dat daarop wijst. Zie in dit verband het commentaar van Kurdyukov, waarin de enge lezing van de Russische Federatie van deze uitspraak niet wordt onderschreven.45 Ten slotte kan er in dit verband op worden gewezen dat Vyatkin, die namens de Doema het woord voerde tijdens de hoorzitting die het Constitutionele Hof in deze zaak hield, precies hetzelfde systeem verdedigde waar hij opmerkte46:

“In case of a discrepancy between a federal law and a provisionally applicable treaty, we nevertheless consider that the international treaty shall apply, as the meaning of provisional application is, precisely, to apply the treaty immediately.”

4.7.24

In Resolutie 6-P van 19 maart 201447 heeft het Constitutionele Hof deze rechtspraak bevestigd. In die zaak ging het om een door het Constitutionele Hof verrichte constitutionele toetsing van het verdrag dat voorzag in de associatie van de Krim. In art. 1 van dat verdrag is bepaald dat de republiek van de Krim geacht zal worden deel uit te maken van de Russische Federatie vanaf de dag van ondertekening van het verdrag; in art. 10 van het verdrag is bepaald dat het verdrag voorlopig zal worden toegepast vanaf de dag van de ondertekening. Hoewel het hierbij ongetwijfeld ging om een verdrag dat geratificeerd moest worden – en dat vervolgens ook inderdaad geratificeerd is – omdat de bepalingen van het verdrag afweken van bestaande wetgeving, bijvoorbeeld omdat het verdrag nieuwe grenzen vaststelde, overwoog het Constitutionele Hof, onder verwijzing naar haar Resolutie 8-P van 27 maart 2012, dat deze bepaling in overeenstemming is met de Grondwet en dat, op grond van de voorlopige toepassing van dat verdrag, zowel de republiek van de Krim als de stad Sevastopol deel uitmaakten van de Russische Federatie vanaf de dag van ondertekening van het verdrag (rov. 3). De omstandigheid dat ratificatie slechts drie dagen later volgde doet uiteraard niet af aan de principiële betekenis van het oordeel van het Constitutionele Hof.

4.7.25

De Russische Federatie en haar experts trachten tevergeefs afbreuk te doen aan deze duidelijke uitspraken van het Constitutionele Hof. Waar zij zich op het standpunt stellen dat niet bekrachtigde verdragen die voorlopig worden toegepast geen voorrang hebben boven federale wetgeving is dat standpunt onmiskenbaar weerlegd door de rechtspraak van het Constitutionele Hof. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor het beroep van de Russische Federatie op de citaten ontleend aan de behandeling van de FLIT, onder meer van staatssecretaris Krylov (memorie van antwoord nrs. 429-430). In deze citaten wordt bovendien niet gesproken over voorlopig toegepaste verdragen en hun eventuele voorrang op federale wetten. Dat is van belang omdat het rechtssysteem van de Russische Federatie ook verdragen kent die van kracht zijn zonder dat deze hoeven te worden geratificeerd. Dergelijke onbekrachtigde verdragen hebben inderdaad geen voorrang op federale wetten. Dat zegt niets over de werking van een verdrag dat voorlopig wordt toegepast in afwachting van ratificatie. Ook de uitspraken van het Hooggerechtshof en het Constitutionele Hof waarop de Russische Federatie een beroep doet, enkele waarvan de rechtbank in rov. 5.91 noemt, hebben geen betrekking op de voorlopig toepassing van verdragen (of ‘interstate treaties’) als de ECT. Zoals prof. Stephan uiteenzet in zijn eerste Expert Report48 en tweede Expert Report49 en zoals ook blijkt uit de hieronder te bespreken uitspraak van het Hooggerechtshof in de ‘Chinese grens-zaak’, kent de Russische Federatie drie typen internationale (publiekrechtelijke) overeenkomsten: ‘interstate treaties’ die namens de Russische Federatie worden gesloten met andere staten, ‘intergovernmental treaties’ die gesloten worden door de regering van de Russische Federatie met de regering van een andere staat, en ‘interagency treaties’ die worden gesloten tussen federale organen van de Russische Federatie. Art. 15 lid 4 Grondwet heeft slechts betrekking op ‘international agreements of the Russian Federation’, dat wil zeggen de eerste categorie (‘interstate treaties’). Daarover zegt het Constitutionele Hof in de Chinese grens-zaak’50:

“By virtue of the hierarchy of legal acts, priority over the laws of the Russian Federation is accorded to international treaties of the Russian Federation concluded on behalf of the Russian Federation (interstate treaties), consent to be bound by which was given in the form of a federal law.”

Verdragen waarvoor ratificatie niet is voorgeschreven kunnen in werking treden door ondertekening van de President, de regering of een staatsorgaan, maar hun status is lager dan die van een geratificeerd verdrag, in die zin dat zij na inwerkingtreding geen voorrang hebben op wetgeving. In de onderhavige zaak gaat het om een verdrag dat bekrachtigd moet worden om in werking te treden en om de vraag of dat verdrag voorlopig kan worden toegepast in afwachting van inwerkingtreding (‘prior to its entry into force’, zie art. 23 lid 1 FLIT). De rechterlijke uitspraken waarop de Russische Federatie zich beroept hebben geen betrekking op deze laatste categorie verdragen, maar de hiervoor genoemde uitspraken van het Constitutionele Hof 8-P en 6-P wel. Het hof zal enkele van de uitspraken waarop de Russische Federatie zich beroept in meer detail bespreken.

4.7.26

De ‘Chinese grens-zaak’51 heeft betrekking op een zogenoemde ‘intergovernmental treaty’, een verdrag gesloten tussen de regering van de Russische Federatie en de Chinese regering. Het verdrag was in werking getreden door een uitwisseling van nota’s en behoefde dus niet te worden geratificeerd. Zoals hiervoor is opgemerkt, heeft een dergelijk verdrag een lagere status dan een verdrag dat is gesloten namens de Russische Federatie (‘interstate treaty’) zoals de ECT. Het Hooggerechtshof oordeelde dat een dergelijk verdrag geen voorrang heeft op de federale wetten van de Russische Federatie. Voor de onderhavige zaak heeft deze uitspraak geen betekenis. Niet alleen ging het om een ander type verdrag, ook voorzag het verdrag (vanzelfsprekend, het behoefde immers niet te worden geratificeerd) niet in voorlopige toepassing. Ook Resolutions No. 8 en No. 5 van 31 oktober 1995 respectievelijk 10 oktober 2003 van het Hooggerechtshof52 gaan, voor zover valt na te gaan aan de hand van de door de Russische Federatie overgelegde onderdelen van deze uitspraken, niet over de vraag of een voorlopig toegepast ‘interstate treaty’ voorrang heeft op federale wetgeving. Overigens heeft het Constitutionele Hof en niet het Hooggerechtshof het laatste woord waar het gaat om de uitleg van de Grondwet (art. 125 Grondwet).

4.7.27

De Russische Federatie heeft ook nog een beroep gedaan op Ruling No. 2531-O van het Constitutionele Hof van 6 november 2014.53 In die zaak ging het echter om de verenigbaarheid van een bepaling van Russisch recht met het WTO verdrag, dat is geratificeerd door de Russische Federatie. Die beslissing ging dus niet over de voorlopige toepassing van een verdrag in afwachting van ratificatie en de uitspraak bevat niets wat in tegenspraak is met de hiervoor aangehaalde uitspraken 8-P en 6-P van het Constitutionele Hof.

4.7.28

De Russische Federatie voert aan dat art. 15 lid 4 Grondwet niet relevant is (memorie van antwoord nr. 420). Volgens de Russische Federatie is art. 15 lid 4 Grondwet een conflictregel die voorschrijft dat verplichtingen die voortvloeien uit verdragen voorrang hebben boven conflicterende federale wetten. Deze conflictregel vindt geen toepassing indien een verdragsbepaling, zoals in dit geval de Limitation Clause, er voor zorgt dat een dergelijk conflict niet kan ontstaan, aldus de Russische Federatie. De rechtbank gebruikt een vergelijkbaar argument om de jurisprudentie van het Constitutionele Hof terzijde te schuiven. De rechtbank overweegt namelijk dat deze jurisprudentie, inhoudende dat ook verdragen die op voorlopige basis toepasselijk zijn integraal onderdeel uitmaken van het Russische rechtssysteem, niet wegneemt dat een verdrag zoals de ECT de reikwijdte van de voorlopige toepassing kan beperken (rov. 5.92).

4.7.29

Deze argumenten van de Russische Federatie en de rechtbank zijn niet overtuigend. Art. 15 lid 4 Grondwet is duidelijk meer dan alleen een ‘conflictregel’, omdat het voorop stelt dat een verdrag een integraal onderdeel van de Russische rechtsorde vormt. Overigens houdt dit oordeel van het hof niet in dat een voorlopig toegepast verdrag reeds vanwege de daaraan door art. 15 lid 4 Grondwet toegekende voorrang niet strijdig kán zijn met het recht van de Russische Federatie in de zin van de Limitation Clause, omdat die voorrangsregel enig bestaand conflict met nationale wetgeving reeds oplost en er dus per definitie geen strijdigheid met nationaal recht kan bestaan. Wel toont naar het oordeel van het hof de jurisprudentie van het Constitutionele Hof aan dat het betoog van de Russische Federatie over de scheiding der machten niet juist is. Het Constitutionele Hof acht het immers toelaatbaar dat de regering de Russische Federatie verplicht verdragsbepalingen voorlopig toe te passen in afwachting van bekrachtiging, ook indien deze verdragsbepalingen afwijken van federale wetgeving, en dat die verdragsbepalingen dan voorrang hebben. Dat is onverenigbaar met hetgeen de Russische Federatie betoogt en het toont aan dat de scheiding der machten niet de consequenties heeft die de Russische Federatie daaraan verbindt.

4.7.30

Zoals hiervoor overwogen gaat het hof ervan uit dat de termijn van zes maanden waarbinnen een voorlopig toegepast verdrag aan de Doema moet worden voorgelegd, is gaan lopen op de dag dat de FLIT in werking trad (21 juli 1995). In dezelfde zin Zvekov en Osminin.54 Hoewel de ECT niet binnen de termijn van zes maanden aan de Doema is voorgelegd, heeft dat geen gevolgen voor de voorlopige toepassing van de ECT. Indien de voorschriften van art. 23 lid 2 FLIT niet worden nageleefd is daarmee, zoals de Russische Federatie erkent (memorie van antwoord nr. 174 voetnoot 239), de voorlopige toepassing niet geëindigd, want deze neemt – conform de regeling van art. 25 lid 2 WVV en art. 23 lid 3 FLIT – slechts een einde nadat de Russische Federatie aan de overige verdragspartijen heeft laten weten dat zij niet voornemens is partij bij het desbetreffende verdrag te worden. Noch de bevoegdheid om voorlopige toepassing overeen te komen, noch de voorlopige toepassing zelf wordt derhalve beïnvloed door niet-inachtneming van de termijn voorgeschreven in art. 23 lid 2 FLIT. Dit betekent dat de voorlopige toepassing van de ECT niet beperkt wordt door de werking van de Limitation Clause van art. 45 lid 1 ECT in combinatie met art. 23 lid 2 FLIT. Niet kan immers worden volgehouden dat de enkele omstandigheid dat niet aan de termijn van art. 23 lid 2 FLIT is voldaan, betekent dat een bepaling van de ECT (zoals art. 26 ECT) strijdig is met Russisch recht in de zin van art. 45 lid 1 ECT. Nu naar Russisch recht de voorlopige toepassing doorloopt tot het moment waarop de Russische Federatie aan de overige verdragspartijen heeft laten weten dat zij niet voornemens is partij bij het desbetreffende verdrag te worden, hetgeen in dit geval in augustus 2009 is gebeurd, kan dat in redelijkheid niet anders betekenen dan dat voorlopige toepassing van de ECT vóór dat tijdstip niet ‘inconsistent’ is met Russisch recht in de zin van art. 45 lid 1 ECT. Het is ook niet in geschil dat de Russische Federatie in de periode van 17 december 1994 tot 19 oktober 2009 de ECT, althans onderdelen daarvan, voorlopig heeft toegepast. Tijdens de ‘Energy Charter Conference’ op 17-18 december 2002, heeft de Russische delegatie nog bevestigd dat, hoewel de Russische Federatie de ECT nog niet had geratificeerd, zij ‘as a Signatory Country’ de ECT uitvoert vanaf de dag dat het Verdrag in werking trad (‘entered into force’), hetgeen gezien de context niet anders kan worden begrepen dan dat de Russische Federatie de ECT voorlopig toepaste vanaf de dag van ondertekening.55 De overschrijding van de termijn van zes maanden stond daar naar haar mening dus kennelijk niet aan in de weg. Onder die omstandigheden staat het de Russische Federatie, die op grond van art. 26 WVV de ECT te goeder trouw moet uitvoeren, niet vrij om, teneinde haar gebondenheid aan één bepaling uit de ECT (art. 26) te ontgaan, te betogen dat niet aan die termijn is voldaan en dat zij daarom niet gehouden is om juist deze bepaling voorlopig toe te passen. Het Scheidsgerecht heeft het daartoe strekkende betoog van de Russische Federatie terecht verworpen (Interim Award nr. 390).

4.7.31

Voor zover er desalniettemin van uit zou moeten worden gegaan dat art. 23 lid 2 FLIT door het invoeren van de termijn van zes maanden de voorlopige toepassing van de ECT verder beperkt dan ten tijde van de ondertekening van de ECT door de Russische Federatie het geval was, kan de Russische Federatie zich daar niet op beroepen. De goede trouw die de staten in acht moeten nemen bij de uitvoering van een verdrag staat er immers aan in de weg dat een staat, na ondertekening van een verdrag waarin voorlopige toepassing is overeengekomen, nieuwe obstakels voor voorlopige toepassing invoert (zie hiervoor rov. 4.7.12).

4.7.32

Het voorgaande betekent dat het beroep van de Russische Federatie op de scheiding der machten niet opgaat. Het is ongetwijfeld juist dat de haar Grondwet het beginsel van de machtenscheiding kent, maar dat beginsel zegt op zichzelf onvoldoende over de vraag welke bevoegdheden aan welk staatsorgaan zijn toebedeeld. In dit geval heeft de federale wetgever de in de FLIT tot uitdrukking gebrachte bevoegdheid van de President, of van de regering onder toezicht van de President, om overeen te komen dat een verdrag voorlopig zal worden toegepast niet beperkt, hoewel de wetgever daartoe wel had kunnen overgaan. Dan kan ook niet met succes betoogd worden dat de regering die voorlopige toepassing overeenkomt haar bevoegdheden te buiten is gegaan.

(b) Zijn geschillen omtrent publiekrechtelijke bevoegdheden arbitrabel?

4.7.33

De Russische Federatie stelt zich op het standpunt dat art. 26 ECT het mogelijk maakt om investeringssgeschillen die zien op belastingen, executie en onteigening aan arbiters voor te leggen, terwijl dergelijke geschillen naar Russisch recht niet arbitrabel zijn. Dit zou aan voorlopige toepassing van art. 26 ECT in de weg staan. Bij de beoordeling van deze stelling neemt het hof tot uitgangspunt dat de betekenis van het begrip ‘strijdig’ (‘inconsistent’) aldus moet worden opgevat, dat daarvan in ieder geval sprake is indien een verdragsbepaling en een bepaalde regel van nationaal recht niet tegelijkertijd toepassing kunnen vinden omdat toepassing van de ene regel schending van de andere regel meebrengt en dat een eventuele andere strijdigheid van de context afhangt (zie rov. 4.5.48).

4.7.34

De Russische Federatie voert aan dat de vordering van HVY betrekking heeft op publiekrechtelijke bevoegdheden. Dat is het geval ongeacht de juridische grondslag die HVY aan hun vordering ten grondslag leggen, in dit geval schending van de ECT. Publiekrechtelijke geschillen zijn naar Russisch recht niet arbitrabel. De Russische Federatie wijst op een aantal wetsbepalingen die de overheidsrechter als exclusieve geschilbeslechter aanwijzen (geschillen over handelingen van gerechtsdeurwaarders, belasting- en executiegeschillen) en op wetsbepalingen waaruit zou blijken dat alleen civielrechtelijke geschillen arbitrabel zijn (art. 27 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1 lid 2 Wet inzake Internationale Handelsarbitrage, de artt. 21 en 23 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in Handelszaken (Arbitrazh) en art. 1 lid 2 Arbitragewet).

4.7.35

De vraag of arbitrage overeenkomstig art. 26 ECT strijdig is met Russisch recht beantwoordt het hof ontkennend. Het is niet juist dat een geschil tussen een buitenlandse investeerder en het gastland publiekrechtelijk van aard is. De heersende opinie in doctrine en rechtspraak is volgens Krupko dat dergelijke geschillen civielrechtelijk van aard zijn, ook al bestaat daarover geen unanimiteit.56 Veliaminov en Volova onderschrijven dit standpunt57 en het hof sluit zich daarbij aan als zijnde de heersende leer in de Russische Federatie.

4.7.36

Ook echter indien het hof er veronderstellenderwijs van uitgaat dat naar Russisch recht arbitrage slechts voor civielrechtelijke geschillen open is gesteld en dat het onderhavige geschil niet een dergelijk civielrechtelijk geschil is, is internationale arbitrage op de voet van art. 26 ECT nog niet ‘inconsistent’ met Russisch recht.

4.7.37

Art. 26 ECT voorziet in internationale arbitrage overeenkomstig de UNCITRAL-regels voor investeringsgeschillen die betrekking hebben op de schending van de regels van de ECT. Een op grond van art. 26 ECT benoemd scheidsgerecht moet een aan hem voorgelegd geschil beslissen “in accordance with this Treaty and applicable rules and principles of international law”. Het valt niet in te zien, en dat volgt ook niet uit de stellingen van de Russische Federatie, dat een dergelijke vorm van internationale arbitrage niet zou kunnen bestaan naast de door de Russische Federatie aangehaalde wettelijke bepalingen. Dat Russisch recht voor nationale situaties de mogelijkheid van arbitrage slechts openstelt voor civielrechtelijke geschillen is niet in strijd met de omstandigheid dat de ECT, voor de daarin geregelde gevallen, daarnaast en in aanvulling op de bestaande mogelijkheden naar nationaal Russisch recht, internationale arbitrage openstelt. Dat Russisch recht heel goed kan leven met internationale investeringsarbitrage wordt bovendien bevestigd doordat de Russische Federatie partij is bij een groot aantal bilaterale investeringsverdragen (‘bilateral investment treaties’ of ‘BITs’) waarin internationale arbitrage als (mogelijke) vorm van geschilbeslechting is overeengekomen.58 In de door de Russische Federatie opgestelde model BITs uit 1992 en 2001/2002 die zij als uitgangspunt hanteert bij de onderhandelingen met andere staten over bilaterale investeringsverdragen59 is internationale arbitrage overeenkomstig de UNCITRAL-regels of de ICSID-regels als een van de mogelijkheden opgenomen voor geschillen tussen een investeerder en de gaststaat (art. 6 respectievelijk art. 8 van deze model-BITs). In de hiervoor aangehaalde BITs en in deze model-BITs zijn geen beperkingen opgenomen ten aanzien van de aard (civielrechtelijk of publiekrechtelijk) van het geschil dat aan arbiters kan worden voorgelegd, noch is daarin een beperking te lezen in die zin dat arbiters alleen over de omvang van de schadevergoeding zouden mogen beslissen. Uit de verdragspraktijk van de Russische Federatie blijkt derhalve geen enkele terughoudendheid ten aanzien van internationale arbitrage van geschillen over investeringsverdragen. Het argument van de Russische Federatie dat de bedoelde BITs zijn bekrachtigd en dat daarmee aldus bij federale wet is afgeweken van het veronderstelde verbod op arbitrage van publiekrechtelijke geschillen, is gekunsteld en mist het punt waar het om gaat. Een staat die zo regelmatig internationale arbitrage over investeringsgeschillen overeenkomt en in zijn onderhandelingen met andere staten een dergelijke vorm van geschilbeslechting uitdrukkelijk als uitgangspunt neemt, kan in redelijkheid niet volhouden dat deze vorm van arbitrage niet kan bestaan naast de bepalingen van nationaal recht die arbitrage tot civielrechtelijke geschillen beperken of anderszins in strijd is met Russisch recht.

4.7.38

Ook uit de Explanatory Note die de regering op 26 augustus 1996 als toelichting bij het wetsvoorstel tot ratificatie van de ECT bij de Doema heeft ingediend60 en waarin op grond van art. 16 lid 4 FLIT moest zijn opgenomen “a report on its conformity with the legislation of the Russian Federation”, blijkt niet van enig probleem met de arbitrageclausule van art. 26 ECT of met voorlopige toepassing van die bepaling. De Explanatory Note luidt voor zover hier van belang:

“At the time of the signing of the ECT, its provisions on provisional application were in conformity with the Russian legal acts. For that reason, the Russian side did not make declarations as to its ability to accept provisional application (such declarations were made by 12 of the 49 signatories).

(...)

The provisions of the ECT are consistent with Russian legislation.”

De eerste zin uit dit citaat luidt in de volgens de Russische Federatie correcte vertaling:

“At the time of signing of the Energy Charter Treaty, the provision regarding provisional application was not in contravention of the Russian legal acts.”61

Deze passages laten geen andere uitleg toe dan dat de regering de opvatting was toegedaan dat de bepalingen van de ECT, waaronder noodzakelijkerwijs de bepalingen omtrent internationale investeringsarbitrage van art. 26 ECT, ‘consistent’ waren met Russisch recht en dat er geen aanleiding was de voorlopige toepassing van de ECT in enig opzicht te beperken door het afleggen van een verklaring. Hoewel deze opvatting van de regering de Doema uiteraard niet bindt, vormt deze wel een sterke aanwijzing dat het huidige standpunt van de Russische Federatie over de onverenigbaarheid van dergelijke arbitrage met Russisch recht niet juist is. Hoewel in de Explanatory Note niet met zoveel woorden wordt gezegd dat art. 26 ECT ‘consistent’ is met Russisch recht, is het nauwelijks voorstelbaar dat een dergelijke tekst in de Explanatory Note zou zijn opgenomen indien de regering van mening was dat art. 26 ECT daarmee wel in strijd was. Het argument van de Russische Federatie dat deze passage uit de Explanatory Note zou zien op de situatie na ratificatie wordt gelogenstraft door de duidelijke tekst van deze passage, die als ijkpunt neemt ‘the time of the signing’ (van het Verdrag).

4.7.39

Reeds op grond van het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat art. 26 ECT in strijd is met Russisch recht in de zin van de Limitation Clause van art. 45 lid 1 ECT, ook niet als wordt uitgegaan van de uitleg die de Russische Federatie daaraan geeft. Wat betreft de specifieke bepalingen van nationaal recht waarop de Russische Federatie zich meer in het bijzonder beroept, overweegt het hof nog het volgende.

4.7.40

De Russische Federatie wijst op art. 27 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering, dat bepaalt dat geschillen die voortvloeien uit civielrechtelijke betrekkingen met instemming van partijen kunnen worden voorgelegd aan een scheidsgerecht. Art. 25 van dat wetboek bepaalt echter62:

“Courts shall also review cases with foreign citizens, stateless persons, foreign enterprises, and organizations participating in them, provided that no alternative is stated in interstate agreements, international agreements or agreements between the parties.”

En art. 1 lid 2 luidt63:

“If an international treaty of the Russian Federation has established the rules for the civil court procedures different from those stipulated by the law, the rules of the international treaty shall be applied.”

Deze bepalingen laten geen andere conclusie toe dan dat verdragen regels kunnen inhouden die tot gevolg hebben dat andere dan civielrechtelijke geschillen aan arbitrage kunnen worden onderworpen.

4.7.41

De Russische Federatie beroept zich ook op art. 1 lid 2 van de Wet over Internationale Handelsarbitrage, dat bepaalt dat geschillen voortvloeiend uit contractuele of andere civielrechtelijke betrekkingen voortvloeiend uit het onderhouden van buitenlandse handels- en overige internationale economische betrekkingen aan internationale handelsarbitrage kunnen worden voorgelegd indien de commerciële onderneming van ten minste één van de partijen in het buitenland gevestigd is. Afgezien van het feit dat deze wet, blijkens art. 1 lid 1 daarvan, alleen van toepassing is indien de arbitrage plaatsvindt in de Russische Federatie, en de Russische Federatie ook zelf toegeeft dat deze wet niet van toepassing is op de onderhavige internationale investeringsarbitrage (pleitnota mr. Van den Berg dupliek nr. 37), luidt art. 1 lid 5 van deze wet als volgt64:

“If an international treaty of the Russian Federation establishes rules other than those which are contained in the Russian legislation relating to arbitration (third-party tribunal), the rules of the international treaty shall be applied.”

Ook in dit geval is dus expliciet een uitzondering gemaakt voor arbitrage op grond van een verdrag.

4.7.42

Hetzelfde geldt voor de artt. 21 en 23 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in Handelszaken (Arbitrazh), waarop de Russische Federatie een beroep doet om te betogen dat slechts civielrechtelijke geschillen kunnen worden onderworpen aan arbitrage. Ook hier miskent de Russische Federatie dat diezelfde wet in art. 3 lid 3 bepaalt65:

“If the rules of the court proceedings, established by an international treaty of the Russian Federation, differ from those stipulated by the legislation of the Russian Federation, the rules of the international treaty shall be applied.”

Ook hieruit blijkt dat de nationale regels over de vraag welke geschillen arbitrabel zijn, er niet aan in de weg staan dat een verdrag een ruimere mogelijkheid voor geschilbeslechting door middel van arbitrage biedt.

4.7.43

De Russische Federatie en haar deskundige prof. Asoskov hebben ook nog een beroep gedaan op art. 1 lid 1 van de ‘Provisional Regulation on Arbitral Tribunal for Resolving Economic Disputes’ en op art. 1 lid 2 van de ‘Law on Arbitral Tribunals’, die de ‘Provisional Regulation’ opvolgde, maar beide regelingen hebben alleen betrekking op ‘domestic arbitration’66 en zijn dus voor dit geschil niet relevant. Ook het beroep van de Russische Federatie op art. 17 van de Wet van 27 december 1991 over de beginselen van het belastingsysteem van de Russische Federatie (No. 2118-1), art. 138 lid 1 van de Belastingwet (1998), art. 90 van de Federale Wet inzake Procedures tot Tenuitvoerlegging (1997, No. 119-FZ) en art. 428 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (1964) (pleitnota mr. Van den Berg re artikel 45 ECT, deel II nr. 125) faalt. Deze bepalingen zeggen niets over de vraag of een internationaal investeringsgeschil aan internationale arbitrage kan worden onderworpen indien een verdrag daarin voorziet.

4.7.44

Voor zover de Russische Federatie betoogt dat waar in de hiervoor bedoelde wetten een verdrag wordt genoemd, daarmee alleen wordt gedoeld op een bekrachtigd verdrag, volgt het hof haar daarin niet. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen heeft een voorlopig toegepast verdrag hetzelfde effect in de Russische rechtsorde als een bekrachtigd verdrag. Prof. Asoskov merkt op dat de bepalingen waarin een uitzondering wordt gemaakt op grond van een toepasselijk verdrag, niet meer dan een herhaling vormen van de regel van art. 15 lid 4 Grondwet. Wat hier verder ook van zij, deze uitzonderingsbepalingen maken op zijn minst duidelijk dat internationale arbitrage van niet puur civielrechtelijke geschillen op grond van een verdrag niet in strijd is met de hiervoor genoemde bepalingen van Russisch recht.

4.7.45

De Russische Federatie beroept zich voorts nog op de uitspraak van het Constitutionele Hof van 26 mei 2011 nr. 10-P.67 Deze zaak heeft echter betrekking op een geschil aangaande in de Russische Federatie gelegen onroerend goed, waarin niet de vraag speelde of internationale investeringsarbitrage op grond van een verdrag toelaatbaar is. De uitspraak van het Constitutionele Hof is derhalve niet relevant voor de hier aan de orde zijnde vraag. Datzelfde geldt voor de uitspraak van het Constitutionele Hof van 15 januari 2015 Nr. 5-O68, waarin dat Hof (in een nationale context) opmerkt dat ‘the current legal system does not permit the arbitration of disputes arising out of administrative and other public law relations’ (rov. 2.2). Uit deze uitspraak volgt niet dat internationale investeringsarbitrage op grond van een verdrag in strijd met Russisch recht is.

4.7.46

HVY hebben bovendien aangevoerd dat Russisch recht niet alleen niet in de weg staat aan internationale investeringsarbitrage op grond van een verdrag, maar dat de LFI 1991 en de LFI 1999 dergelijke arbitrage expliciet mogelijk maken.

De artt. 5, 9 en 10 LFI 1991 luiden:

LFI 1991

“Article 5

Legal Protection of Foreign Investments in the RSFSR

Relations linked with foreign investments in the Russian Federation are regulated by the present Law, as well as by other legislative acts and international agreements in force on the territory of the Russian Federation. Should international agreements, in force on the territory of the Russian Federation, determine other rules than those, contained in the RSFSR legislation, the rules of an international agreement shall apply.

Article 9

Procedures for Settling Disputes

Investment disputes, including disputes over the size, terms or procedure for paying compensation shall be settled by the Supreme Court of the Russian Federation or in the RSFSR Supreme Court of Arbitration, if no other procedure is envisaged by some international agreement in force on the territory of the Russian Federation.

Disputes of foreign investors and enterprises with foreign investment with state bodies of the Russian Federation, enterprises, public organizations and other juridical perons of the RSFSR, disputes among investors and enterprises with foreign investment on matters linked with their economic activities, as well as disputes between participants of an enterprise with foreign investment and the enterprise itself are subject to settlement in courts of the Russian Federation or, on agreement between sides, in a Court of Arbitration.

(...)

An international agreement in force on the territory of the Russian Federation may envisage the use of international means for settling disputes, arising from foreign investments on the territory of the Russian Federation.

LFI 1999

Article 10

Guarantee of Proper Settlement of Disputes Related to Investment and Business Activities of Foreign Investors in the Russian Federation

Any dispute involving a foreign investor and related to the investment and business activities of such investor in the Russian Federation shall be settled in compliance with the international treaties of the Russian Federation and federal laws in court, an arbitration court or international arbitration (arbitration tribunal).”

(onderstreping telkens van het hof)

De LFI 1999 is de opvolger van de LFI 1991. Volgens de Russische Federatie heeft de wetgever met de LFI 1999 niet beoogd inhoudelijke wijzigingen tot stand te brengen die zien op geschilbeslechting door middel van arbitrage. Het hof zal dit ook tot uitgangspunt nemen.

4.7.47

De rechtbank heeft overwogen dat, nu art. 9 lid 1 LFI 1991 een andere wijze van geschilbeslechting (dan de daarin voorziene rechtsgang naar de ‘Supreme Court of the Russian Federation’ of de ‘RSFSR Supreme Court of Arbitration’) slechts mogelijk maakt indien een verdrag daarin voorziet, deze bepaling geen zelfstandige wettelijke basis biedt voor arbitrage tussen HVY en de Russische Federatie (rov. 5.51). De rechtbank besliste hetzelfde ten aanzien van art. 10 LFI 1999 (rov. 5.56 en 5.58). Zoals hiervoor is overwogen, is het oordeel van de rechtbank onjuist (rov. 4.5.47). Het is niet relevant of de arbitrage tussen HVY en de Russische Federatie een grondslag had in de LFI 1991 of de LFI 1999. De grondslag voor de arbitrage is immers te vinden in art. 26 ECT. Waar het om gaat, is of een dergelijke vorm van arbitrage strijdig is met Russisch recht. Zowel de LFI 1991 als de LFI 1999 laten zien dat dit niet het geval is, want beide wetten laten uitdrukkelijk de mogelijkheid open dat een geschil tussen een buitenlandse investeerder en de Russische Federatie op een andere wijze wordt beslecht dan door een Russisch gerecht. Art. 9 LFI 1991 wijst in dat verband op de mogelijkheid van “international means for settling disputes” en art. 10 LFI 1999 op “international arbitration (arbitration tribunal)”. Er kan geen misverstand over bestaan dat arbitrage op de voet van art. 26 ECT en conform de UNCITRAL-rules onder beide omschrijvingen moet worden begrepen.

4.7.48

De Russische Federatie heeft tegen de toepasselijkheid van art. 9 LFI 1991 en art. 10 LFI 1999 een aantal argumenten aangevoerd die niet overtuigen. Voor zover de Russische Federatie aanvoert dat de geciteerde artikelen niet van toepassing zijn omdat deze de eis stellen van een bekrachtigd verdrag (‘international agreement in force’) en de ECT niet door de Russische Federatie is bekrachtigd, verwijst het hof naar hetgeen hiervoor (rov. 4.7.22 e.v.) is overwogen: een voorlopig toegepast verdrag heeft in de Russische rechtsorde dezelfde rechtskracht als een bekrachtigd verdrag. De Russische Federatie wijst voorts op art. 7 lid 3 LFI 1991, waarin is bepaald dat “decisions of state bodies to confiscate foreign investments may be appealed against in RSFSR courts”. Volgens haar betekent dit dat geschillen over onteigening niet aan internationale arbitrage kunnen worden onderworpen. Het hof volgt dit betoog niet. Niet valt in te zien hoe de mogelijkheid van investeerders om een besluit tot onteigening aan te vechten voor de nationale gerechten, afbreuk kan doen aan de zeer ruime mogelijkheden die art. 9 LFI 1991 (zowel in het eerste als in het laatste lid) en art. 10 LFI 1999 bieden om investeringsgeschillen aan internationale arbitrage te onderwerpen indien een verdrag daarin voorziet. Voor de grondslagen en reikwijdte van een dergelijke arbitrage verwijst de wet immers naar wat het desbetreffende verdrag daarover bepaalt, onafhankelijk van wat art. 7 LFI 1991 inhoudt. Overigens hebben HVY in de arbitrageprocedure geen beroep (‘appeal’) ingesteld tegen een ‘besluit tot onteigening’, maar hebben zij schadevergoeding gevorderd op grond van de stelling dat de Russische Federatie in strijd met de ECT hun investeringen in Yukos heeft onteigend zonder schadeloosstelling aan te bieden en heeft nagelaten deze investeringen te beschermen. Uit de Yukos Awards blijkt ook dat er nimmer een formele ‘onteigening’ van (de aandelen in) Yukos heeft plaatsgevonden. Het Scheidsgerecht overwoog immers dat de Russische Federatie Yukos of de aandelen van haar aandeelhouders niet expliciet heeft onteigend, maar dat de maatregelen die de Russische Federatie jegens Yukos had genomen “an effect equivalent to nationalization or expropriation” hadden (Final Award nr. 1580).

4.7.49

De Russische Federatie voert voorts aan dat de LFI 1991 en de LFI 1999 geen betrekking hebben op investeringen zoals de onderhavige, waarbij – naar de Russische Federatie meent – geen buitenlands kapitaal in de Russische Federatie is geïnjecteerd en die in feite door Russische onderdanen (de Russische Federatie doelt op Khodorkovsky c.s.) zijn verricht. Dit betoog gaat reeds hierom niet op, nu de bevoegdheid van het Scheidsgerecht moet worden beoordeeld aan de hand van de vraag of art. 26 ECT daarvoor een grondslag biedt, niet aan de hand van de vraag of de LFI 1991 en de LFI 1999 daarvoor een grondslag bieden. Waar het hier om gaat, is dat beide wetten bevestigen dat een geschil als het onderhavige arbitrabel is. De vraag of in een bepaald geval arbitrage van een internationaal investeringsgeschil op grond van een verdrag is overeengekomen, moet worden beantwoord aan de hand van de voorwaarden die een dergelijk verdrag aan de bevoegdheid van het scheidsgerecht stelt. De door de Russische Federatie naar voren gebrachte argumenten over de aard van de investering en de investeerders horen dan ook thuis in een discussie over art. 1 lid 6 en 7 ECT en zullen daar besproken worden. Hetzelfde geldt voor de stelling dat geen sprake is van een ‘investering’ indien aandelen worden overgedragen om belasting te ontduiken. Overigens is voor de stelling van de Russische Federatie geen steun te vinden in de tekst van de beide wetten. Een beperking tot een ‘buitenlandse investeerder’ of tot ‘buitenlands kapitaal’ is daarin niet te lezen en, afgezien van de opinie van prof. Yarkov, die toegeeft dat zijn uitleg van de beide investeringswetten niet wordt ondersteund door rechtspraak of literatuur, ontbreekt het aan gezaghebbende bronnen om deze interpretatie te staven. Prof. Stephan wijst er bovendien terecht op dat de beperkingen die de Russische Federatie in beide wetten wil lezen in 2018 alsnog zijn ingevoerd en dat dit een sterke aanwijzing is dat die beperkingen voordien niet bestonden.69

4.7.50

De Russische Federatie voert aan dat op grond van de LFI 1991 en de LFI 1999 alleen privaatrechtelijke geschillen aan arbiters kunnen worden voorgelegd. Ook hier geldt echter dat deze wetten, voor de vraag welke investeringsgeschillen tussen de Russische Federatie en een buitenlandse investeerder aan arbitrage kunnen worden onderworpen, verwijzen naar een toepasselijk verdrag. Op grond van de LFI 1991 en de LFI 1999 bepaalt het desbetreffende verdrag dus welke investeringsgeschillen tussen de Russische Federatie en een buitenlandse investeerder wel en niet voor arbitrage in aanmerking komen. De artt. 9 LFI 1991 en 10 LFI 1999 beperken die mogelijkheid zelf niet tot privaatrechtelijke geschillen. Het hof merkt nog op dat zoals hiervoor (rov. 4.7.35) is vastgesteld, naar heersende Russische opvatting een internationaal investeringsgeschil als een civielrechtelijk geschil moet worden beschouwd.

4.7.51

De artt. 9 LFI 1991 en 10 LFI 1999 gaan bovendien uit van een ruime opvatting van wat als een investeringsgeschil onder deze wetten kan worden beschouwd en enige beperking tot privaatrechtelijke geschillen of onderwerpen valt daarin niet te lezen. Art. 9 LFI 1991 spreekt van “investment disputes, including disputes over the size, terms or procedure for paying compensation” (onderstreping hof) en maakt zo duidelijk dat investeringsgeschillen niet beperkt zijn tot geschillen over de modaliteiten van een te betalen schadevergoeding. De model-BIT die in 1992 werd vastgesteld, kent in de arbitrageclausule dan ook geen beperkingen in dat opzicht.70 Dit wordt bevestigd door art. 10 LFI 1999, dat een ruime omschrijving geeft van de geschillen die arbitrabel zijn en waarin enige verwijzing naar de modaliteiten van een te betalen schadevegoeding geheel ontbreekt: “Any dispute involving a foreign investor and related to the investment and business activities of such investor in the Russian Federation” (onderstreping hof). Dit is ook in overeenstemming met het doel van de LFI 1991 en de LFI 1999, dat blijkens hun considerans immers is “to attract (...) foreign material and financial resources, advanced foreign technology and managerial experience”. In dit verband is ook van belang dat in het opschrift van art. 10 LFI 1999 de woorden ‘Guarantee of Proper Settlement of Disputes Related to Investments’ (onderstreping hof) bevat. Vaak zal een buitenlandse investeerder niet afhankelijk willen zijn van de rechterlijke instanties van het gastland en de voorkeur geven aan internationale arbitrage, althans de mogelijkheid willen hebben om daarvoor te kiezen. Het ligt dan ook voor de hand dat de LFI 1991 en de LFI 1999, teneinde investeringen in de Russische Federatie te stimuleren, daaraan tegemoet willen komen. De enge interpretatie die de Russische Federatie bepleit en die zou meebrengen dat een geschil als dat van HVY met de Russische Federatie niet arbitrabel zou zijn, of alleen ten aanzien van de modaliteiten van een te betalen schadevergoeding, zou dan ook niet wezenlijk bijdragen aan het aantrekken van investeringen. Daarbij moet bedacht worden dat het bij investeringsgeschillen tussen een buitenlandse investeerder en een gaststaat, in veel gevallen zal gaan om geschillen als de onderhavige waarbij (vormen van) onteigening, nationalisatie en belastingheffing een rol spelen. Volgens de Russische Federatie zouden de beide investeringswetten juist voor die situaties geen arbitrage toelaten, omdat daarbij publiekrechtelijk handelen van de Russische Federatie in het geding is. Dat staat haaks op het doel van deze beide wetten en de ‘guarantee’ die art. 10 LFI 1999 onmiskenbaar beoogt te bieden.

4.7.52

De Russische Federatie heeft gewezen op rechtsgeleerde auteurs die zouden onderschrijven dat beide investeringswetten alleen arbitrage openstellen voor civielrechtelijke geschillen.71 De door prof. Asoskov aangehaalde auteurs ondersteunen het standpunt van de Russische Federatie echter niet. Zowel het commentaar van Boguslavsky en Orlov als dat van Doronina en Semilutina schrijven over het tweede lid van art. 9 LFI 1991, dat niet verwijst naar enig verdrag en dat in dit verband niet relevant is. De leden 1 en 3 van dat artikel verwijzen wel naar een toepasselijk verdrag en daar gaat het in dit geval dan ook om. Prof. Asoskov schrijft nog ten aanzien van art. 9 lid 3 LFI 1991 dat de woorden ‘international means of resolution of disputes’ in de wet werden opgenomen om de Russische Federatie te kunnen laten toetreden tot het EVRM en om in verband daarmee de rechtsmacht van het EHRM te kunnen erkennen. Hij noemt echter geen bronnen die deze stelling ondersteunen en overigens is ook onaannemelijk dat een dergelijk onderwerp zou zijn geregeld in een wet die betrekking heeft op buitenlandse investeringen. Voor zover de Russische Federatie ook hier wil betogen dat de verwijzing naar internationale verdragen niet meer is dan een herhaling van art. 15 lid 4 Grondwet zonder bijzondere betekenis, volgt het hof haar daarin niet. Zowel in de LFI 1991 als in de LFI 1999 wordt met zoveel woorden verwezen naar ‘international means for settling disputes’ (art. 9 LFI 1991) en ‘international arbitration’ (art. 10 LFI 1999), hetgeen er op wijst dat een dergelijke (op een verdrag gebaseerde) vorm van geschilbeslechting voor internatinale investeringsgeschillen onder ogen is gezien en zonder meer mogelijk wordt geacht.

4.7.53

Prof. Asoskov heeft nog gewezen op commentaren van R. Nagapetyants72 en van Dolgov en Perskaya73, die stellen dat arbitrage in investeringsverdragen beperkt bleef tot het vaststellen van de modaliteiten van schadevergoeding. Het commentaar van Nagapetyants heeft uitdrukkelijk betrekking op de verdragspraktijk van de Sovjet-Unie en is dus niet doorslaggevend voor de juridische situatie toen de Russische Federatie de ECT ondertekende. Dolgov en Perskaya stellen in hun commentaar van 1993 dat als de Russische Federatie met andere staten verdragen over investeringsbescherming afsluit, de daarin overeengekomen arbitrage beperkt blijft tot ‘civil law matters only’, meer in het bijzonder de modaliteiten van een te betalen schadevergoeding. Dolgov en Perskaya laten zich niet uit over de strekking van de LFI 1991 of over de vraag of arbitrage over investeringsgeschillen, indien een verdrag arbitrage niet tot privaatrechtelijke geschillen beperkt (zoals de ECT), in strijd is met het recht van de Russische Federatie. Overigens geeft prof. Asoskov toe dat halverwege 1992 de praktijk voor het afsluiten van BITs wijzigde en hij verwijst naar Regulation no. 395 waarbij een nieuwe model-BIT werd vastgesteld.74 In deze model-BIT is in art. 6 voor geschillen tussen een investeerder en een gaststaat onder meer voorzien in UNCITRAL-arbitrage voor “disputes (...) arising in connection with capital investments, including disputes over the size, terms or order of the payment of compensation”. Prof. Asoskovs stelling dat deze ontwikkeling uit 1992 niet kan afdoen aan de interpretatie van de LFI 1991 is niet aannemelijk. Het is veeleer aannemelijk dat de LFI 1991 de weg heeft vrijgemaakt voor arbitrage van investeringsgeschillen zoals verwoord in de model-BIT van 1992. Voor zover prof. Asoskov ook hier bedoelt dat ‘including’ eigenlijk betekent ‘limited to’ is dat niet alleen in strijd met de duidelijke bewoordingen van art. 6 model-BIT (en art. 9 LFI 1991), maar ook met zijn eigen stelling dat in 1992 een beleidswijziging plaatsvond.75

4.7.54

De Russische Federatie heeft ook een beroep gedaan op de Grondbeginselenwet, die door de toenmalige Russische Federale Socialistische Sovjetrepubliek zou zijn geïmplementeerd door middel van de LFI 1991. Daarom zou bij de uitleg van de LFI 1991 rekening moeten worden gehouden met hetgeen art. 43 Grondbeginselenwet76 bepaalt. In hoeverre de Grondbeginselenwet inderdaad de uitleg van de LFI 1991 beïnvloedt kan in het midden blijven, aangezien lid 1 van art. 43 van die wet bepaalt:

“Disputes between foreign investors and the State are subject to consideration in the USSR in courts, unless otherwise provided by international treaties of the USSR.”

Ook de Grondbeginselenwet bepaalt dus dat een internationaal verdrag kan voorschrijven dat investeringsgeschillen tussen een investeerders en de USSR langs andere weg kunnen worden opgelost dan door de Russische rechter. Enige beperking tot privaatrechtelijke geschillen is hierin bovendien niet te lezen. Het standpunt van de Russische Federatie dat art. 43 lid 1 Grondbeginselenwet alleen verwijst naar een bekrachtigd verdrag moet, op grond van de overwegingen die hiervoor zijn aangevoerd, worden verworpen: een voorlopig toegepast verdrag heeft binnen het Russische rechtssysteem dezelfde werking als een bekrachtigd verdrag.

4.7.55

De Russische Federatie beroept zich ten slotte op de memories van toelichting bij een aantal BITs (memorie van antwoord nr. 223), waarin tot uitdrukking is gebracht dat de desbetreffende verdragen, die een arbitrageclausule bevatten, vanwege (onder meer) die omstandigheid moesten worden geratificeerd. De rechtbank heeft overwogen dat deze toelichtingen zich niet anders laten begrijpen dan dat de LFI 1991 en de LFI 1999 geen grondslag bevatten voor investeringsarbitrage. De door de Russische Federatie (in de memorie van antwoord nr. 223 en voetnoot 319) geciteerde passage uit de toelichting op de wet tot goedkeuring van de BIT met Argentinië luidt als volgt:

“Considering that the Agreement contains provisions different from those provided by the Russian legislation, it is subject to ratification in accordance with clause 15(1)(a) of the Federal Law (...) ‘on International Treaties of the Russian Federation’ (...) The key issues by virtue of which the above Agreement is subject to ratification are as follows (...) the settlement in an international arbitration court of investment disputes between one Party and an investor of the Other Party, as well as disputes between the Parties concerning the interpretation and application of the Agreement (...) the federal Law No. 1545-1 of July 4, 1991 ‘On Foreign Investment in the RSFSR’ does not provide for a mechanism of settlement of such type of dispute by international arbitration.”

Volgens de Russische Federatie bevatten de toelichtingen bij andere BITs vergelijkbare passages (memorie van antwoord nr. 224), deze zijn deels geciteerd door prof. Asoskov in zijn Expert Report van 10 november 2017.77 De toelichting op de wet tot goedkeuring van de BIT met Yemen gebruikt iets andere bewoordingen en luidt als volgt:

“Pursuant to Article 15 of the Federal Law ‘On International Treaties of the Russian Federation’, the Agreement is subject to ratification because it contains provisions which are not provided for by Russian legislation.”78

4.7.56

Het hof stelt voorop dat het niet voor de hand ligt om, zoals de Russische Federatie kennelijk bepleit, geen betekenis toe te kennen aan de uitdrukkelijke mededeling in de ‘Explanatory Note’ bij de ECT dat de bepalingen van de ECT ‘consistent’ zijn met Russisch recht, maar wel aan mededelingen in de toelichtende stukken bij andere (bilaterale) investeringsverdragen, die niet voorlopig van toepassing zijn verklaard. Het hof volgt de Russische Federatie ook overigens niet in haar betoog. Op grond van art. 15 lid 1 onder a FLIT, naar welk artikel de geciteerde toelichtingen met zoveel woorden verwijzen, is ratificatie (onder meer) vereist indien het verdrag “(...) sets out rules different from those provided by law” (hetgeen niet hetzelfde is als ‘in strijd met’ Russisch recht). Vervolgens zeggen de toelichtingen dat de LFI 1991 “does not provide for a mechanism of settlement of such type of dispute by international arbitration” of – in een iets andere formulering – dat het verdrag ‘contains provisions which are not provided for by Russian law’. Kennelijk zag de regering in de omstandigheid dat de LFI 1991 zelf niet voorziet in (een bepaald mechanisme van) arbitrage maar de desbetreffende BITs wel, aanleiding om die BIT ter ratificatie voor te dragen aangezien in zoverre sprake was van ‘rules different from those provided by law’. Dat is in overeenstemming met het standpunt van HVY (en het oordeel van het hof), dat inhoudt dat de LFI 1991 en de LFI 1999 weliswaar de mogelijkheid openen voor internationale investeringsarbitrage (en aldus bevestigen dat internationale investeringsarbitrage niet strijdig is met Russisch recht), maar dat zij daarvoor niet zelf de grondslag bieden, die nu eenmaal moet worden gevonden in het desbetreffende investeringsverdrag, in dit geval art. 26 ECT. Kortom, de omstandigheid dat de BITs bekrachtigd moesten worden omdat daarin internationale investeringsarbitrage was overeengekomen, betekent niet dat hieruit de opvatting naar voren komt dat dergelijke arbitrage in strijd is met Russisch recht. De stelling van prof. Asoskov, dat een van de redenen voor ratificatie was “inconsistency with the Russian legislation of the dispute resolution provided for in the BITs” (onderstreping hof) vindt dan ook geen steun in deze toelichtingen.

4.7.57

Het hof merkt ter afsluiting op dat, ook indien zou moeten worden geoordeeld dat de LFI 1991 en de LFI 1999 geen grondslag bieden om een geschil als dat van HVY en de Russische Federatie in een verdrag aan internationale investeringsarbitrage te onderwerpen, uit deze wetten toch in ieder geval niet valt af te leiden dat een dergelijke vorm van arbitrage ‘inconsistent’ is met Russisch recht. Zoals hiervoor is overwogen, volgt dat ook niet uit andere bronnen van Russisch recht. Niet is komen vast te staan dat art. 26 ECT niet kan worden toegepast zonder in strijd te komen met enige regel van Russisch recht. Van een algemeen in de Russische Federatie levende rechtsovertuiging dat internationale arbitrage van internationale investeringsgeschillen ongeoorloofd is, is evenmin gebleken.

4.7.58

De conclusie luidt dat art. 26 ECT niet in strijd is met Russisch recht in de zin van de Limitation Clause.

(c) Komt naar Russisch recht aan aandeelhouders een vordering toe voor waardevermindering van hun aandelen?

4.7.59

In het kader van de vraag of het Scheidsgerecht bevoegd was om van de vordering van HVY kennis te nemen, voert de Russische Federatie aan dat HVY als (voormalige) aandeelhouders van Yukos naar Russisch recht geen rechtsvordering kunnen instellen wegens waardevermindering of verlies van hun aandelen die het gevolg is van schade die is toegebracht aan de vennootschap (Yukos); de voorlopige toepassing van de artt. 1 en 26 is strijdig met deze rechtsregel. Volgens de Russische Federatie brengt art. 45 ECT niet mee dat HVY een beroep kunnen doen op de ruime bevoegdheden die artt. 1 en 26 ECT aan aandeelhouders toekennen om vorderingen in te stellen wegens waardevermindering of verlies van aandelen (memorie van antwoord nr. 250). Als gevolg hiervan is er dus geen geldige overeenkomst tot arbitrage totstandgekomen (memorie van antwoord nr. 251).

4.7.60

Het Scheidsgerecht heeft dit verweer verworpen. Het Scheidsgerecht overwoog dat HVY een vordering instellen wegens schending van hun eigen rechten op grond van de ECT, niet op grond van de rechten van Yukos, en dat de vordering van HVY geen afgeleide vordering is maar een vordering voor een direct verlies door HVY van hun aandelen en hun waarde.79 HVY hebben aangevoerd dat van een afgeleide vordering geen sprake is en dat het argument van de Russische Federatie dan ook niet in de weg kan staan aan de bevoegdheid van het Scheidsgerecht.

4.7.61

De rechtbank is aan deze vernietigingsgrond niet toegekomen, maar omdat de grieven (in ieder geval deels) slagen zal het hof daarop thans in verband met de devolutieve werking van het hoger beroep ingaan.

4.7.62

Deze grond (c) kan niet tot vernietiging van de Yukos Awards leiden. De stelling dat HVY als (voormalige) aandeelhouders van Yukos naar Russisch recht geen rechtsvordering kunnen instellen in verband met schade toegebracht aan de vennootschap (memorie van antwoord nr. 242), heeft niets van doen met de vraag of art. 26 ECT voorlopig moet worden toegepast en of een geldige arbitrageovereenkomst tot stand is gekomen in de zin van art. 1065 lid 1 onder a Rv. Voor de beantwoording van de vraag of het Scheidsgerecht op grond van art. 26 ECT bevoegd was om over het geschil tussen partijen te oordelen is de bedoelde stelling dus niet van belang.

4.7.63

In de tweede plaats is de beslissing van het Scheidsgerecht juist. Het Scheidsgerecht heeft de vordering van HVY immers aldus begrepen dat zij aanvoeren dat de Russische Federatie hun aandelen (niet expliciet maar wel de facto) heeft onteigend.80 Het Scheidsgerecht heeft de vorderingen van HVY ook op deze grond toegewezen. Het hof onderschrijft deze lezing van de stellingen van HVY, die door de Russische Federatie overigens niet wordt aangevochten. Daarvan uitgaande heeft het Scheidsgerecht terecht beslist dat HVY geen rechtsvordering hebben ingesteld voor schade toegebracht aan de vennootschap (Yukos).

4.7.64

Voor zover overigens al zou moeten worden geoordeeld dat de ECT vorderingen van aandeelhouders mogelijk maakt die aandeelhouders naar Russisch recht niet kunnen instellen, volgt daaruit nog niet dat de ECT op dit punt strijdig (in de zin van de Limitation Clause) is met Russisch recht. Niet valt in te zien waarom het feit dat de ECT aan aandeelhouders een mogelijkheid biedt in een internationaal investeringsgeschil een rechtsvordering in te stellen die zij in de nationale context wellicht niet zouden hebben, in strijd zou zijn met het recht van de Russische Federatie. De Russische Federatie heeft ook niet onderbouwd waarom dat zo zou zijn.

4.7.65

De conclusie luidt dat ook grond (c) niet tot vernietiging van de Yukos Awards kan leiden.

4.8 (

viii) Het beroep van HVY op ‘estoppel’ en ‘acquiescence’, de regel uit IMS/DIO

4.8.1

Aan het beroep van HVY op het IMS/DIO-arrest81 en op estoppel en acquiescence komt het hof gezien het voorgaande niet toe.

4.9

Conclusie ten aanzien van de grieven

4.9.1

De conclusie luidt dat de grieven in ieder geval deels slagen. De door de rechtbank gegeven motivering kan haar oordeel dat geen geldige overeenkomst tot arbitrage tot stand is gekomen niet dragen.

4.9.2

Dit betekent dat het hof thans in verband met de devolutieve werking van het hoger beroep zal nagaan of de andere stellingen die de Russische Federatie heeft aangevoerd om te betogen dat het Scheidsgerecht onbevoegd was gegrond zijn. Het hof zal daartoe achtereenvolgens de argumenten van de Russische Federatie bespreken die zijn ontleend aan art. 1 leden 6 en 7 ECT en art. 21 ECT.

5. Overige gronden inzake de bevoegdheid van het Scheidsgerecht

5.1

Investering/investeerder, art. 1 leden 6 en 7 ECT

a. Inleiding

5.1.1

De volgende door de Russische Federatie aangevoerde grond waarom het Scheidsgerecht zich onbevoegd had dienen te verklaren, ziet op de uitleg van art. 1 leden 6 en 7 ECT. Deze bepalingen geven een definitie van de begrippen ‘Investment’ (investering) en ‘Investor’ (investeerder). Volgens de Russische Federatie heeft het Scheidsgerecht een onjuiste uitleg aan deze termen gegeven met als gevolg dat het zich ten onrechte bevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van de vordering van HVY. Art. 1 lid 6 ECT definieert het begrip ‘Investment’ als volgt:

“(...) every kind of asset, owned or controlled directly or indirectly by an Investor and includes:

(a) tangible and intangible, and movable and immovable, property, and any property rights such as leases, mortgages, liens and pledges;

(b) a company or business enterprise, or shares, stock, or other forms of equity participation in a company or business enterprise, and bonds and other debt of a company or business enterprise;

(c) claims to money and claims to performance pursuant to contract having an economic value and associated with an Investment;

(d) Intellectual Property;

(e) Returns;

(f) any right conferred by law or contract or by virtue of any licences and permits granted pursuant to law to undertake any Economic Activity in the Energy Sector.

(...)”

Art. 1 lid 7 ECT definieert het begrip ‘Investor’ als volgt:

“(a) with respect to a Contracting Party:

(i) a natural person having the citizenship or nationality of or who is permanently residing in that Contracting Party in accordance with its applicable law;

(ii) a company or other organization organized in accordance with the law applicable in that Contracting Party;

(b) with respect to a “third state,” a natural person, company or other organization which fulfils, mutatis mutandis, the conditions specified in subparagraph (a) for a Contracting Party.”

b. Het Scheidsgerecht

5.1.2

Het Scheidsgerecht is zowel in de Interim Award als in de Final Award ingegaan op de vraag of HVY zijn aan te merken als investeerders in de zin van art. 1 lid 7 ECT en of HVY een investering hebben gedaan in de zin van art. 1 lid 6 ECT.

5.1.2.1 In de Interim Award heeft het Scheidsgerecht art. 1 lid 7 ECT uitgelegd op basis van de ‘gewone betekenis’ als bedoeld in art. 31 lid 1 WVV en heeft het geoordeeld dat HVY kwalificeren als investeerders in de zin van art. 1 lid 7 ECT, omdat HVY vennootschappen zijn die zijn opgericht conform het recht van Cyprus (Hulley en VPL) en Isle of Man (YUL). Het Scheidsgerecht heeft de stelling van de Russische Federatie verworpen inhoudend dat voor de kwalificatie als investeerder in de zin van de ECT niet enkel de feiten rondom de formele oprichting van HVY bepalend zijn, maar dat van doorslaggevende betekenis is dat de zeggenschap over HVY uitsluitend berust bij Russische onderdanen, dat HVY lege vennootschappen zijn en dat de door hen gedreven ondernemingen economisch eigendom zijn van en gecontroleerd worden door Russische onderdanen, zodat HVY niet moeten worden aangemerkt als onderdanen van Cyprus, respectievelijk Isle of Man, maar van de Russische Federatie, het ‘gastland’. In dat verband overweegt het Scheidsgerecht dat het geen beginselen van internationaal recht kent die vereisen dat wordt onderzocht hoe een vennootschap opereert, wanneer het toepasselijke verdrag alleen vereist dat zij is opgericht conform het recht van een verdragsluitende partij. De beginselen van internationaal recht staan niet toe dat een scheidsgerecht nieuwe, aanvullende vereisten toevoegt, die de opstellers van het verdrag niet in het verdrag hebben opgenomen.82

5.1.2.2 Het Scheidsgerecht heeft in de Interim Award verder vastgesteld dat HVY’s juridische eigendom van de aandelen in Yukos kwalificeert als investering in de zin van art. 1 lid 6 ECT. Het memoreert dat ingevolge art. 31 WVV een verdrag te goeder trouw moet worden uitgelegd in overeenstemming met de gewone betekenis van de termen ervan. Het Scheidsgerecht leest in art. 1 lid 6 ECT de breedst mogelijke definitie van een belang in een onderneming, zonder enige aanwijzing dat de verdragsopstellers bedoeld hebben om eigendom te beperken tot ‘economisch’ eigendom (‘beneficial ownership’). Het Scheidsgerecht heeft dus de stelling van de Russische Federatie verworpen dat de enkele juridische eigendom van aandelen onvoldoende is om te kunnen kwalificeren als investering in de zin van de ECT. Naar het oordeel van het Scheidsgerecht geldt, anders dan de Russische Federatie betoogt, ook niet als vereiste dat er een injectie van buitenlands kapitaal moet plaatsvinden om te kwalificeren als investering. Verder heeft het Scheidgerecht de stelling van de Russische Federatie verworpen dat de ECT niet is bedoeld om bescherming te bieden aan investeringen in een verdragsluitende staat die zijn gedaan door onderdanen van diezelfde verdragsluitende staat met kapitaal dat is gegenereerd in die staat.83

5.1.2.3 Het Scheidsgerecht heeft in de Interim Award de bespreking van het door de Russische Federatie opgeworpen unclean hands verweer achterwege gelaten, een verweer dat mede ziet op art. 1 leden 6 en 7 ECT. Datzelfde geldt voor de stelling van de Russische Federatie dat de rechtspersoonlijkheid van HVY buiten beschouwing moet blijven omdat het een instrument is van een criminele onderneming.84 Deze kwesties heeft het Scheidsgerecht naar de merits fase verwezen.

5.1.2.4 In de Final Award heeft het Scheidsgerecht over het unclean hands verweer als volgt geoordeeld. In de internationale arbitrale rechtspraak wordt ervan uitgegaan dat in investeringsverdragen een zogenoemde legaliteitseis geldt, die inhoudt dat de desbetreffende investering moet zijn gedaan in overeenstemming met het recht van het gastland, ook als die eis niet uitdrukkelijk in het verdrag is vermeld. Het Scheidsgerecht onderschrijft dit beginsel en oordeelt:

“1352 (...) An investor who has obtained an investment in the host State only by acting in bad faith or in violation of the laws of the host state, has brought itself within the scope of application of the ECT through wrongful acts. Such an investor should not be allowed to benefit from the Treaty.”

Het Scheidsgerecht laat uitdrukkelijk in het midden of het niet voldoen aan deze legaliteitseis tot de onbevoegdheid van het Scheidsgerecht moet leiden of tot gevolg moet hebben dat een investeerder geen bescherming aan een investeringsverdrag kan ontlenen.85

5.1.2.5 Het Scheidsgerecht heeft verder geoordeeld dat het recht om de bescherming van de ECT in te roepen alleen kan komen te vervallen indien sprake is van ‘illegality’ bij het doen van de investering, maar niet bij ‘illegality’ in de fase van uitvoering van de investering. In dat laatste geval dient de vordering van de investeerder inhoudelijk te worden behandeld, aldus het Scheidsgerecht.86

5.1.2.6 Ook is het Scheidsgerecht ingegaan op de meer algemene stelling van de Russische Federatie dat een eiser “who comes before an international tribunal with unclean hands is barred from claiming on the basis of a general principle of law.” Het Scheidsgerecht is van oordeel dat een dergelijk rechtsbeginsel niet bestaat en dat HVY dus niet op die grond worden verhinderd om een vordering voor het Scheidsgerecht te brengen.87

5.1.2.7 In de arbitrale procedure heeft de Russische Federatie betoogd dat er 28 gevallen zijn waarin HVY illegaal en te kwader trouw hebben gehandeld. Het Scheidsgerecht heeft deze gerubriceerd in vier categorieën88:

  1. Gedragingen van HVY die zijn gerelateerd aan de verwerving van Yukos en die betrekking hebben op de wijze waarop de zeggenschap over Yukos en haar dochterondernemingen is geconsolideerd.

  2. Gedragingen van HVY die zijn gerelateerd aan het Belastingverdrag tussen Cyprus en Rusland.

  3. Gedragingen van HVY die zijn gerelateerd aan het gebruik door HVY/Yukos van Russische regio’s met lage belastingen.

  4. Gedragingen van HVY waarmee de tenuitvoerlegging van Russische belastingmaatregelen werd gefrustreerd.

5.1.2.8 Het Scheidsgerecht is van oordeel dat de gedragingen uit de eerste categorie, indien deze komen vast te staan, tot gevolg kunnen hebben dat HVY geen vordering onder de ECT kunnen instellen. Dat geldt niet voor de gedragingen uit de categorieën 2-4 die, naar het oordeel van het Scheidsgerecht, alle zien op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden nadat HVY hun investering al hadden gedaan.89

5.1.2.9 Het Scheidsgerecht is vervolgens ingegaan op de gedragingen uit de eerste categorie. Het heeft overwogen dat de verweten gedragingen hebben plaatsgevonden vóór 1999, terwijl HVY de aandelen Yukos in de jaren 1999-2001 hebben verworven. De verweten gedragingen zijn gedragingen van derden, zoals Bank Menatep en Khodorkovsky c.s. Het Scheidsgerecht is met de Russische Federatie van oordeel dat bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een investering het niet enkel aankomt op de laatste transactie, omdat het doen van een investering vaak een keten van handelingen omvat. Alle handelingen in deze keten moeten legaal en bona fide zijn. Het Scheidsgerecht komt echter tot het oordeel dat de Russische Federatie in dit geval niet heeft aangetoond dat de illegale gedragingen voldoende verbonden zijn (‘sufficiently connected’) met de koop van de aandelen door HVY.90

5.1.2.10 De slotconclusie van het Scheidsgerecht is dat het unclean hands verwijt van de Russische Federatie niet leidt tot de onbevoegdheid van het Scheidsgerecht of de niet-ontvankelijkheid van HVY, en evenmin tot gevolg heeft dat HVY niet gerechtigd zijn de materiële bescherming van het Verdrag in te roepen.91

c. Standpunt Russische Federatie en vooropstellingen van het hof

5.1.3

Het standpunt van de Russische Federatie in deze vernietigingsprocedure luidt – in de kern genomen – dat het Scheidsgerecht niet bevoegd was omdat HVY en hun aandelen in Yukos niet onder de bescherming van de ECT vallen, zodat de Yukos Awards moeten worden vernietigd op grond van art. 1065 lid 1 onder a Rv. HVY zijn, aldus de Russische Federatie, nep buitenlandse investeerders met een nep buitenlandse investering. Daartoe voert de Russische Federatie, samengevat weergegeven, het volgende aan.

1. De ECT is gericht op buitenlandse investeringen en beschermt geen investeringsgeschillen tussen de staat en zijn eigen burgers.

a. HVY zijn schijnvennootschappen die economisch eigendom zijn en onder zeggenschap staan van Russische staatsburgers.

b. HVY zijn geen investeerders en deden geen investeringen in de zin van art. 1 leden 6 en 7 omdat de ECT geen bescherming biedt aan ‘U-bocht’ investeringen. Dit volgt uit het voorwerp en doel van de ECT, de context, de beginselen van internationaal recht en wordt bevestigd door de latere statenpraktijk.

c. HVY hebben geen investering in de zin van de ECT gedaan omdat zij geen buitenlandse economische bijdrage hebben geleverd in de Russische Federatie.

d. De onder a bedoelde Russische staatsburgers maakten misbruik van de vennootschapsstructuur van HVY voor illegale doeleinden, waaronder belastingontduiking. Dit rechtvaardigt doorbraak van aansprakelijkheid om deze Russische staatsburgers achter HVY te onthullen.

2. De ECT biedt geen bescherming aan HVY en hun aandelen in Yukos vanwege de criminele en onrechtmatige achtergrond en handelwijzen van HVY en de Russische staatsburgers.

5.1.4

Deze kernstellingen worden door de Russische Federatie verder uitgewerkt in de memorie van antwoord nrs. 654-780, alsmede in de door de Russische Federatie overgelegde stukken van eerste aanleg en de overige stukken in hoger beroep. Volgens de Russische Federatie moeten de termen ‘investering’ en ‘investeerder’ niet enkel worden uitgelegd overeenkomstig de letterlijke betekenis die de verdragsluitende staten daaraan hebben toegekend. Er dient volgens haar ook acht te worden geslagen op de context waarin deze bepalingen in het Verdrag zijn opgenomen, het voorwerp en doel van het Verdrag, op latere rechtspraak, op de statenpraktijk en op (de beginselen van) internationaal recht. Als deze uitlegmaatstaven in aanmerking worden genomen, moet de conclusie luiden dat geen sprake is van een investering of investeerder in de zin van de ECT en dat niet is voldaan aan de in art. 26 ECT genoemde voorwaarden waaronder arbitrage is toegestaan, aldus de Russische Federatie.

5.1.5

Voor de regels die ingevolge het WVV bij de uitleg van de onderhavige verdragsbepalingen in acht moeten worden genomen verwijst het hof naar de rov. 4.2.2 - 4.2.5 hiervoor.

5.1.6

Zoals aldaar overwogen, vormt het uitgangspunt voor de uitleg van art. 1 leden 6 en 7 ECT de tekst van deze bepalingen en de gewone betekenis die aan de bewoordingen toekomt. Het hof stelt vast dat niet in geschil is dat HVY vennootschappen zijn die zijn “organized in accordance with the law applicable in that Contracting Party” (de incorporatieleer). Daarmee is – tekstueel gezien – voldaan aan de eisen die art. 1 lid 7 stelt aan een investeerder in de zin van de ECT. Ook is – tekstueel gezien – aan de definitie van investering als bedoeld in art. 1 lid 6 ECT voldaan. Onder investering wordt immers verstaan: “every kind of asset, owned or controlled directly or indirectly by an Investor”. Het artikellid geeft een niet-limitatieve opsomming van ‘assets’, waartoe ook aandelen (‘shares’; art. 1 lid 6 onder (b) ECT) behoren. De aandelen Yukos, die HVY in eigendom hebben, kwalificeren derhalve als ‘Investment’ in de zin van de ECT. Tot slot is – tekstueel gezien – voldaan aan de eis als bedoeld in art. 26 ECT dat sprake is van een geschil tussen een ‘Contracting Party’ (de Russische Federatie) en investeerders uit ‘another Contracting Party’ (HVY, vennootschappen naar het recht van Cyprus en de Isle of Man) “relating to an Investment of the latter in the Area of the Former”. Het geschil houdt immers verband met een investering (aandelen in Yukos) van HVY op het grondgebied van de Russische Federatie, omdat Yukos een vennootschap naar Russisch recht is.

5.1.7

Het hof zal hieronder ingaan op de diverse argumenten die de Russische Federatie heeft aangevoerd voor haar stelling dat het Scheidsgerecht onvoldoende oog heeft gehad voor de andere in art. 31 WVV genoemde uitlegregels en dat bij toepassing van die uitlegregels moet worden geconcludeerd dat het Scheidsgerecht niet bevoegd was.

d. Buitenlandse investering, buitenlandse investeerder

5.1.7.1 De Russische Federatie neemt het standpunt in dat HVY ‘schijnvennootschappen’ zijn die geen substantiële bedrijfsactiviteiten verrichten op Cyprus respectievelijk Isle of Man en die (uiteindelijk) onder zeggenschap staan van Russische onderdanen (Khodorkovsky c.s). Zij zijn opgericht en worden gecontroleerd door Russische staatsburgers, die HVY gebruiken om geld uit de Russische Federatie weg te sluizen. HVY zijn uiteindelijk (economisch) eigendom van Russische onderdanen en moeten dan ook worden beschouwd als Russische investeerders die investeren op het grondgebied van de Russische Federatie, aldus de Russische Federatie.92 Volgens de Russische Federatie, die in dit verband verwijst naar één van de deskundigenrapporten van prof. Pellet93, is het onbetwistbaar de bedoeling van de ECT om uitsluitend buitenlandse investeringen te bevorderen. De Russische Federatie heeft in dit verband onder meer een beroep gedaan op het doel van de ECT, zoals verwoord in art. 2 van het Verdrag:

“This Treaty establishes a legal framework in order to promote long-term cooperation in the energy field, based on complementarities and mutual benefits, in accordance with the objectives and principles of the Charter.”

Verder heeft de Russische Federatie gewezen op de doelstellingen van het Energiehandvest (Energy Charter), waarin is bepaald dat wordt beoogd de internationale stroom van investeringen te bevorderen en een stabiel, transparant juridisch kader te verschaffen voor buitenlandse investeringen.94 Als art. 1 leden 6 en 7 ECT worden geplaatst in de context van de overige verdragsbepalingen, wordt volgens de Russische Federatie ook duidelijk dat de ECT slechts betrekking heeft op buitenlandse investeerders en buitenlandse investeringen.95 De Russische Federatie wijst met name op art. 26 ECT, dat bepaalt dat de bevoegdheid van een scheidsgerecht beperkt is tot geschillen tussen een verdragsluitende staat en een investeerder van een andere verdragsluitende staat.96 Ook andere ECT-bepalingen maken volgens haar duidelijk dat het moet gaan om investeringen van buitenlanders en niet van staatsburgers die hun investeringen via schijnvennootschappen wegsluizen. Dit volgt bijvoorbeeld uit de woorden “investeerders van andere Verdragsluitende Partijen” (artt. 10, 11, 14, 24, 45 en 47 ECT) en “investering op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij” (artt. 12, 13 en 15 ECT), aldus de Russische Federatie.97

5.1.7.2 Bij de beoordeling van deze stellingen stelt het hof het volgende voorop. Zoals hiervoor reeds overwogen, is in de ECT gekozen voor ‘het recht van het land volgens de wetten waarvan de investeerder is georganiseerd’ om de nationaliteit van een investeerder te bepalen. Dit is in investeringsverdragen een veel voorkomend criterium, dat eenvoudig is toe te passen en voorspelbaar is. Een nadeel van dit criterium is dat de plaats van incorporatie niet garandeert dat de investeerder een werkelijke band heeft met het land volgens welks recht de vennootschap is opgericht. Er zijn dan ook investeringsverdragen waarin de siège social, dus de plaats waar de activiteiten plaatsvinden, wordt gebruikt als aanknopingspunt voor het bepalen van de nationaliteit van vennootschappen. En er zijn investeringsverdragen die voor het bepalen van de nationaliteit van een vennootschap gebruik maken van aanvullende criteria of voorwaarden, zoals het criterium wie de zeggenschap heeft over de vennootschap of het vereiste dat een vennootschap daadwerkelijk bedrijfsactiviteiten verricht in het land waarvan zij de nationaliteit heeft. In combinatie met de incorporatieleer en de siège social kunnen deze criteria uiteindelijk ertoe bijdragen dat het toepassingsgebied van het verdrag beperkt is tot vennootschappen die een werkelijke band hebben met het land waar zij zijn gevestigd.98 De opstellers van de ECT hadden ervoor kunnen kiezen dergelijke aanvullende voorwaarden in art. 1 lid 7 ECT op te nemen aan de hand waarvan had kunnen worden vastgesteld of HVY een werkelijke band met Cyprus respectievelijk Isle of Man hebben. Dit hebben zij niet gedaan.

5.1.7.3 Wat betreft het beroep van de Russische Federatie op het doel van het Verdrag overweegt het hof als volgt. Het doel van de ECT omvat inderdaad (mede) – zoals de Russische Federatie terecht aanvoert – (kort gezegd) de bevordering van de internationale samenwerking op het terrein van energie en de bescherming van internationale investeringen. Anders dan de Russische Federatie veronderstelt, bepaalt de ECT echter precies wanneer sprake is van een investeerder en een investering en wanneer een investeringsgeschil een internationaal karakter heeft dat valt onder het bereik van art. 26 ECT. Uit de bewoordingen van art. 26 ECT volgt dat dit het geval is indien de rechtspersoon die de investering doet, is opgericht volgens het recht van de ene (verdragsluitende) staat en de investering als bedoeld in art. 1 lid 6 ECT plaatsvindt in een andere (verdragsluitende) staat. Noch uit de context van de artt. 1 en 26 ECT, noch uit het doel van het Verdrag volgt dat de verdragsopstellers het oogmerk hadden nadere eisen te stellen aan het buitenlandse karakter van de investering of investeerder, of het internationale karakter van het geschil. De Russische Federatie heeft zich ook nog beroepen op het arbitraal vonnis in de zaak Cem Cengis Uzan v. Turkije, een zaak die is gewezen onder de ECT.99 Het ging in die zaak echter om een zeer specifieke situatie die zich ten aanzien van HVY niet voordoet: de investeerder was een Turkse onderdaan die ten tijde van zijn investering in Turkije woonde (en op dat moment dus niet onder de ECT viel), maar die op een later tijdstip naar een ander land verhuisde (en daarmee mogelijk wel onder de werkingssfeer van de ECT kwam te vallen). Het hof acht deze uitspraak in dit verband dan ook niet relevant.

5.1.7.4 De Russische Federatie heeft ook een beroep gedaan op de ‘Understanding’ bij art. 1 lid 6 ECT, waarin nader is bepaald hoe moet worden vastgesteld of sprake is van een investering in de ene verdragsluitende staat die direct of indirect onder zeggenschap staat van (is ‘controlled by’) een investeerder uit een andere verdragsluitende staat.100 Volgens de Russische Federatie volgt uit deze ‘Understanding’ dat de verdragsopstellers de bedoeling hadden geen formele benadering aan te houden, maar om de mogelijkheid te scheppen te controleren of de werkelijke zeggenschap wordt uitgeoefend door een investeerder van een andere verdragsstaat. Het beroep op deze ‘Understanding’ is echter misplaatst. Art. 1 lid 6 ECT bepaalt dat onder investering wordt verstaan iedere vorm van activa die eigendom is of wordt gecontroleerd door een investeerder. Vaststaat dat de aandelen Yukos eigendom zijn van HVY. Er hoeft dus niet te worden vastgesteld wie de zeggenschap over de aandelen heeft. De ‘Understanding’ waar de Russische Federatie zich op beroept en die betrekking heeft op het criterium ‘zeggenschap’, is hier dan ook niet relevant.

e. Zeggenschap over de investerende vennootschap (U-bocht)

5.1.8.1 De Russische Federatie heeft zich beroepen op de zogenoemde ‘denial of benefits clause’ in art. 17 ECT. Deze bepaling luidt (voor zover relevant) als volgt:

“Each Contracting Party reserves the right to deny the advantages of this Part to:

(1) a legal entity if citizens or nationals of a third state own or control such entity and if that entity has no substantial business activities in the Area of the Contracting Party in which it is organized. (...)”

5.1.8.2 Investeringsverdragen met een brede definitie van de term ‘investeerder’ bevatten vaak een ‘denial of benefits clause’, waarmee de bescherming van het verdrag wordt onthouden aan bepaalde categoriën investeerders, bijvoorbeeld aan investeerders die geen noemenswaardige bedrijfsactiviteiten ontplooien in het land waarvan zij de nationaliteit hebben. Staten kunnen door middel van een dergelijke clausule misbruik aanpakken; treaty shoppen door middel van schijnvennootschappen kan worden tegengegaan.101

5.1.8.3 Volgens de Russische Federatie biedt art. 17 ECT extra context voor een goed begrip van art. 1 ECT. Art. 17 ECT ontzegt de bescherming van een deel van het Verdrag aan een investeerder die wordt gecontroleerd door onderdanen van een niet-verdragsstaat en die geen bedrijfsactiviteiten ontwikkelt in de staat waarin hij is opgericht. Volgens de Russische Federatie blijkt uit art. 17 ECT dat de verdragsopstellers de bedoeling hadden schijnvennootschappen van de bescherming van de ECT uit te sluiten, ook als deze vennootschappen formeel gezien wel voldoen aan de definitie van art. 1 ECT. Als investeringen waarover staatsburgers van derde staten zeggenschap hebben niet beschermenswaardig zijn, dan moeten investeringen die onder de zeggenschap vallen van staatsburgers van het gastland (aangeduid als de U-bocht constructie) a fortiori buiten het toepassingsgebied van de bescherming van de ECT vallen, aldus de Russische Federatie.102

5.1.8.4 Naar het oordeel van het hof gaat deze stelling niet op. Uit de tekst van art. 17 ECT volgt niet dat investeringen via de U-bocht constructie (waaronder volgens de Russische Federatie de investeringen van HVY vallen) buiten de bescherming van de ECT vallen. Art. 17 ECT geeft verdragstaten het recht aan een nauwkeurig omschreven categorie investeerders de bescherming van een deel van het Verdrag te ontzeggen, te weten aan investeerders die enkel op formele gronden zijn gevestigd in een verdragsstaat, maar materieel in overwegende mate zijn verbonden met een niet-verdragsstaat. Deze omstandigheid brengt niet mee dat art. 1 ECT aldus moet worden begrepen dat daarin een uitzondering moet worden gelezen voor een andere categorie investeerders, te weten schijnvennootschappen en/of investeerders die worden gecontroleerd door onderdanen van de verdragsstaat waarin zij investeringen doen.

5.1.8.5 De Russische Federatie heeft zich verder beroepen op een regel van internationaal gewoonterecht die volgens haar inhoudt dat het een onderdaan niet is toegestaan een internationaalrechtelijke vordering tegen zijn eigen staat in te stellen. Dit geldt volgens de Russische Federatie ook voor ondernemingen waarin onderdanen van de gedaagde staat een controlerend belang hebben.103 Deze regel is volgens de Russische Federatie bevestigd door verschillende scheidsgerechten.104

5.1.8.6 Het hof verwerpt de stelling dat er een regel van internationaal gewoonterecht bestaat in de door de Russische Federatie bedoelde zin. De arbitrale uitspraken die de Russische Federatie aanhaalt, ondersteunen die stelling in onvoldoende mate. De door de Russische Federatie genoemde uitspraken zien op situaties waarin de eiser in de internationale arbitrageprocedure een buitenlandse investering heeft verworven met als (voornaamste) doel toegang te krijgen tot internationale arbitrage, of daarmee op één lijn te zetten situaties waarbij een binnenlandse investering een internationaal karakter krijgt nadat het conflict met de staat waar de investering is gedaan, al is ontstaan. Zo was in de zaak Phoenix v. Tsjechië het volgende aan de orde. Phoenix had in 2002 een tweetal Tsjechische vennootschappen verworven die op dat moment verwikkeld waren in rechtszaken met de Tsjechische overheid. Phoenix, een vennootschap naar Israëlisch recht, maakte op grond van de BIT tussen Israël en Tsjechië een internationale arbitrageprocedure aanhangig tegen Tsjechië. Nadat de arbiters bij partijen informatie hadden ingewonnen over de verwerving van de twee Tsjechische vennootschappen en de modaliteiten van de koopovereenkomst, oordeelden zij dat “the whole operation was not an economic investment, based on the actual or future value of the companies, but indeed, simply a rearrangement of assets within a family, to gain access to ICSID [International Centre for Settlement of Investment Disputes, hof] jurisdiction to which the initial investor was not entitled”. Deze gang van zaken betekent volgens het scheidsgerecht dat de eiseres misbruik maakt van het stelsel van internationale investeringsarbitrage en dat het Scheidsgerecht om die reden geen bevoegdheid toekomt.

Gesteld noch gebleken is dat HVY hun investeringen hebben verworven met als voornaamste doel het aanhangig maken van internationale arbitrage onder de ECT. De regel als bedoeld in Phoenix is hier niet van toepassing.

5.1.8.7 De Russische Federatie voert verder aan dat het een leidend beginsel van internationaal recht is dat, wanneer er een scheiding bestaat tussen een formele of juridische eigenaar enerzijds en een materiële of economische eigenaar anderzijds, internationaal recht uitsluitend aan laatstgenoemde procesbevoegdheid verleent. Als de verdragsopstellers hadden beoogd van dit beginsel af te wijken, hadden zij dat expliciet moeten doen, aldus de Russische Federatie. De Russische Federatie wijst in dit verband onder meer op de uitspraak in de zaak Occidental v. Ecuador105, waarin de desbetreffende beroepscommissie heeft geoordeeld:

“259. In cases where legal title is split between a nominee and a beneficial owner international law is uncontroversial: (...) the dominant position in international law grants standing and relief to the owner of the beneficial interest - not to the nominee. (...)

262. The position as regards beneficial ownership is a reflection of a more general principle of international investment law: claimants are only permitted to submit their own claims, held for their own benefit, not those held (be it as nominees, agents or otherwise) on behalf of third parties not protected by the relevant treaty. And tribunals exceed their jurisdiction if they grant compensation to third parties whose investments are not entitled to protection under the relevant instrument.”

5.1.8.8 Het hof is van oordeel dat de hiervoor genoemde regel uit Occidental v. Ecuador (zoals uitgelegd door de Russische Federatie), reeds niet van toepassing is op de zaak van HVY omdat gesteld noch gebleken is dat er sprake is van een ‘split’ van de ‘legal title’ en onvoldoende concreet is toegelicht waarom Khodorkovsky c.s. zijn te beschouwen als ‘beneficial owners’, of waarom HVY de aandelen Yukos houden ‘on behalf of’ Khodorkovsky c.s., in de in Occidental v. Ecuador bedoelde zin. Uit door HVY overgelegde arbitrale rechtspraak (die betrekking heeft op de ECT) volgt ook niet dat er een algemeen rechtsbeginsel bestaat op grond waarvan – heel in het algemeen – een scheidsgerecht zich onbevoegd moet verklaren als niet de materiële (economische) eigenaar, maar de formele (papieren) eigenaar de vordering instelt. Zo werd in de zaak Charanne v. Spanje106 door Spanje betoogd dat het scheidsgerecht onbevoegd was omdat de eiseressen (een Nederlandse en een Luxemburgse vennootschap) lege hulzen waren en de uiteindelijk begunstigden van de door eisers gedreven onderneming twee Spaanse onderdanen waren. Het scheidsgerecht overwoog echter dat de ECT aan de hoedanigheid van eiser geen andere eis stelt dan dat deze is opgericht volgens het recht van een land dat is aangesloten bij de ECT. Het Scheidsgerecht vervolgt:

“415. While it is perfectly conceivable to lift the corporate veil and ignore the legal personality of an investor in the case of fraud directed at jurisdiction, as could be an instrumental transfer of the assets of the investment after the emergence of the dispute, there is no basis for importing to the ECT a general rule according to which the nationality of the investor should be analysed according to an economic criterion, when the ECT itself refers to the legal criterion of incorporation of the company under the law of a Contracting Party. (...)

416. To adopt the argument of Spain would amount to denial of benefits whenever an investor, legal entity incorporated under the applicable law of a Contracting Party in accordance with Article 1(7)(a)(ii), was controlled by citizens or nationals of the State receiving the investment. However, the drafters of the ECT did not intend to include this hypothesis in the denial of benefits clause of Article 17, which relates to the situation of a legal entity controlled by shareholders of a third country (a third country being a country not party to the ECT). Regardless of whether a denial of benefits under Article 17 is a matter of merits or jurisdiction – question that the Tribunal does not have to assess in this award – is an illustration of the fact that the drafters of the ECT did not want to exclude from the scope of its application the investors as legal entities controlled by nationals of the Contracting State receiving the investment.”

5.1.8.9 Dit alles neemt niet weg dat er arbitrale vonnissen bestaan die (tot op zekere hoogte) bevestigen dat U-bocht constructies geen bescherming verdienen. De Russische Federatie wijst in dit verband op het arbitrale vonnis in de zaak Alapli v. Turkije.107 In die zaak – die mede zag op schending van de ECT – was de meerderheid van de arbiters van oordeel dat het scheidsgerecht niet bevoegd was. Een van de arbiters achtte doorslaggevend dat Alapli (een Nederlandse rechtspersoon) geen “meaningful contribution to Turkey” had geleverd; “[s]tatus as a national of the other contracting state is not in itself enough”. Een tweede arbiter was daarentegen van oordeel dat doorslaggevend was dat Alapli’s investering “had as its main purpose to gain access to ICSID arbitration at a time when there were already important disagreements between the Turkish company and the Turkish authorities”. Reeds gezien de verdeeldheid van de arbiters is het hof van oordeel dat Alapli v. Turkije onvoldoende aanknopingspunten biedt om aan te nemen er een internationaal rechtsbeginsel bestaat inhoudend dat investeringsverdragen U-bocht constructies niet (behoren te) beschermen. De door de Russische Federatie aangehaalde uitspraak TSA Spectrum v. Argentinië108 biedt daartoe evenmin aanknopingspunten. De Russische Federatie beroept zich op de volgende overweging uit dat arbitrale vonnis:

“145. This text may be interpreted in a strict constructionist manner to mean that a tribunal has to go always by the formal nationality. On the other hand, such a strict literal interpretation may appear to go against common sense in some circumstances, especially when the formal nationality covers a corporate entity controlled directly or indirectly by persons of the same nationality as the host State.”

De Russische Federatie ziet evenwel voorbij aan de context van deze overweging: het scheidsgerecht onderzocht of eiser was aan te merken als onderdaan van een verdragsstaat in de zin van art. 25 lid 2 sub b ICSID, meer in het bijzonder of eiser – een rechtspersoon naar het recht van Argentinië – was te beschouwen als onderdaan van een andere verdragsluitende staat in de zin van deze verdragsbepaling. Er is dus geen sprake van dat het scheidsgerecht hier een algemeen rechtsbeginsel in de door de Russische Federatie bedoelde zin formuleert.

5.1.8.10 Uit de door HVY aangehaalde arbitrale rechtspraak kan worden afgeleid dat er geen algemeen aanvaard rechtsbeginsel bestaat in de door de Russische Federatie bedoelde zin. In bijvoorbeeld het arbitrale vonnis in de zaak Saluka/Tsjechië109 neemt het scheidsgerecht aan dat voor de vraag of een vennootschap een investeerder is als bedoeld in een investeringsverdrag (in dit geval de BIT tussen Nederland en Tsjechië), behoudens “where corporate structures have been utilised to perpetrate fraud or other malfeasance” (para 230), niet relevant is wie deze vennootschap controleert wanneer er geen “clear language in the Treaty” is waaruit volgt dat dit van belang is voor de kwalificatie als investeerder onder het verdrag. Het scheidsgerecht overweegt:

“The parties to the Treaty could have included in their agreed definition of “investor” some words which would have served, for example, to exclude wholly-owned subsidiaries of companies constituted under the laws of third States, but they did not do so. The parties having agreed that any legal person constituted under their laws is entitled to invoke the protection of the Treaty, and having so agreed without reference to any question of their relationship to some other third State corporation, it is beyond the powers of this Tribunal to import into the definition of “investor” some requirement relating to such a relationship having the effect of excluding from the Treaty’s protection a company which the language agreed by the parties included within it.”

HVY hebben ook gewezen op een aantal ECT-zaken. In het arbitrale vonnis in de zaak Plama v. Bulgarije110 heeft het scheidsgerecht geoordeeld dat het voor de kwalificatie van “investeerder” in de zin van art. 1 lid 7 ECT irrelevant is wie de eigenaar van de investerende vennootschap is en/of door wie deze wordt gecontroleerd. In Isolux v. Spanje111 werd door Spanje aangevoerd dat Isolux (een vennootschap naar Nederlands recht) een schijnvennootschap is die feitelijk werd gecontroleerd door haar Spaanse aandeelhouders en daarom geen investeerder in de zin van art. 1 lid 7 ECT was. Het scheidsgerecht verwierp die stelling en overwoog dat, afgezien van “fraud in the adjudication of justice”:

“670. (...) the Arbitral Tribunal notes that the ECT does not contain, as some Treaties do, a carve-out clause to exclude application of the requirement to be organised pursuant to the laws of other Contracting Party where a legal person is controlled by nationals of the other Contracting State. (...)”

Kortom, het hof is met HVY van oordeel dat er geen algemeen rechtsbeginsel bestaat dat inhoudt dat investeringsverdragen geen bescherming verlenen aan vennootschappen die volledig onder zeggenschap staan van onderdanen van het gastland.

5.1.8.11 Tot slot heeft de Russische Federatie, ‘ter bevestiging’ van al haar hiervoor besproken stellingen, een beroep gedaan op art. 31 lid 3(b) WVV, inhoudend dat bij de uitleg van een verdragstekst rekening moet worden gehouden met ieder later gebruik in de toepassing van het verdrag waardoor overeenstemming van de verdragspartijen inzake de uitlegging van het verdrag is ontstaan. Volgens de Russische Federatie heeft een groot aantal verdragsluitende partijen bij de ECT in latere investeringsverdragen investeringen via de U-bocht constructie van de werkingssfeer uitgesloten. De Russische Federatie betoogt dat dit in overeenstemming is met de uitsluiting van U-bocht investeringen uit de werkingssfeer van de ECT en deze uitsluiting versterkt.112 Aan de door de Russische Federatie bedoelde statenpraktijk komt echter weinig gewicht toe, nu het hof hiervoor tot het oordeel is gekomen dat de juiste uitleg van de ECT niet inhoudt dat U-bocht investeringen worden uitgesloten. Reeds om die reden faalt de stelling van de Russische Federatie. Daar komt nog bij dat de omstandigheden waaraan de Russische Federatie refereert niet voldoen aan het bepaalde in art. 31 lid 3(b) WVV omdat zij niet zien op de statenpraktijk in de toepassing van het Verdrag (de ECT), maar op keuzes die de staten hebben gemaakt bij het sluiten van nieuwe verdragen.113

f. Economische bijdrage aan gastland

5.1.9.1 De Russische Federatie is van mening dat uit diverse ECT-bepalingen volgt dat een buitenlandse investeerder actief een investering moet doen binnen het gebied van een verdragsstaat. Zij wijst onder meer op de woorden “de investeerder die een investering doet” en “de investering wordt gedaan.” Hieruit leidt zij af dat van een investering in de zin van de ECT alleen sprake is als een investeerder middelen van buitenlandse oorsprong inbrengt op het grondgebied van een verdragsstaat, althans een economische bijdrage levert aan het gastland.114

5.1.9.2 De Russische Federatie heeft in dit verband ook een beroep gedaan op internationale arbitrale rechtspraak, meer in het bijzonder op de zogenoemde ‘Salini-criteria’. Deze criteria zijn ontleend aan het arbitrale vonnis van 23 juli 2001 inzake Salini v. Marokko.115 Het scheidsgerecht zag zich in die zaak voor de vraag gesteld of sprake was van een ‘investment’ in de zin van de ICSID. Opmerking verdient dat de ICSID – anders dan de ECT – geen definitie van de term investering bevatte, zodat het scheidsgerecht de betekenis van die term zelf moest vaststellen. Het scheidsgerecht overwoog als volgt:

“The doctrine generally considers that investment infers: contributions, a certain duration of performance of the contract and a participation in the risks of the transaction (...) In reading the Convention's preamble, one may add the contribution to the economic development of the host State of the investment as an additional condition.

In reality, these various elements may be interdependent. Thus, the risks of the transaction may depend on the contributions and the duration of performance of the contract. As a result, these various criteria should be assessed globally even if, for the sake of reasoning, the Tribunal considers them individually here.”

5.1.9.3 Het scheidsgerecht heeft in Salini dus vier criteria vastgesteld waaraan moet zijn voldaan voor de kwalificatie ‘investment’ als bedoeld onder de ICSID. Eén van deze criteria is dat sprake moet zijn van een “contribution to the economic development of the host State”. In latere arbitrale rechtspraak zijn de ‘Salini-criteria’, althans de eis dat met de investering een bijdrage wordt geleverd aan de economische ontwikkeling van het gastland, regelmatig herhaald.116 Deze rechtspraak had (vrijwel) steeds betrekking op het begrip investering in de zin van de ICSID. Er zijn echter ook scheidsgerechten die hebben geoordeeld dat een bijdrage aan de economische ontwikkeling van het gastland geen vereiste is. Zo heeft het scheidsgerecht in de zaak Saba Fakes v. Turkije117 over de term ‘investment’ in de zin van de ICSID overwogen:

“111. The Tribunal is not convinced (...) that a contribution to the host State’s economic development constitutes a criterion of an investment within the framework of the ICSID Convention. Those tribunals that have considered this element as a separate requirement for the definition of an investment, such as the Salini Tribunal, have mainly relied on the preamble to the ICSID Convention to support their conclusions. The present Tribunal observes that while the preamble refers to the “need for international cooperation for economic development,” it would be excessive to attribute to this reference a meaning and function that is not obviously apparent from its wording. In the Tribunal’s opinion, while the economic development of a host State is one of the proclaimed objectives of the ICSID Convention, this objective is not in and of itself an independent criterion for the definition of an investment. The promotion and protection of investments in host States is expected to contribute to their economic development. Such development is an expected consequence, not a separate requirement, of the investment projects carried out by a number of investors in the aggregate.”

5.1.9.4 Het hof stelt vast dat er wellicht een regel van ongeschreven recht bestaat dat van een investering in de zin van de ICSID slechts sprake kan zijn indien de investeerder een economische bijdrage aan het gastland levert. Dat impliceert geenszins het bestaan van een internationaal erkend rechtsbeginsel van investeringsrecht dat inhoudt dat elk investeringsverdrag slechts bescherming verleent aan investeringen waarmee een economische bijdrage wordt geleverd aan het gastland, ongeacht of het verdrag een definitie van de term investering bevat. De Russische Federatie heeft het bestaan van een dergelijk rechtsbeginsel niet aangetoond. Zij heeft weliswaar verwezen naar een enkele arbitrale uitspraak waarin het bestaan van een dergelijk rechtsbeginsel is aangenomen,118 maar het hof acht dat niet voldoende om het bestaan van een rechtsbeginsel in de door haar bedoelde zin aannemelijk te maken. De Russische Federatie stelt verder dat er arbitrale rechtspraak en recente verdragen bestaan waarin aan de hand van objectieve criteria, zoals: bijdrage, duur en risico, wordt vastgesteld of sprake is van een internationale investering.119 Zij heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat dergelijke criteria ook gelden voor een investering in de zin van art. 1 lid 6 ECT.

5.1.9.5 De verdragsopstellers hadden in art. 1 lid 6 ECT de term ‘investering’ beperkter kunnen definiëren dan zij hebben gedaan, bijvoorbeeld door de voorwaarde te stellen dat er kapitaal vanuit de ene verdragsstaat naar de andere verdragsstaat vloeit, of de eis dat de buitenlandse investeerder een economische bijdrage levert aan het gastland. Uit de bewoordingen van het Verdrag blijkt echter dat enkel aan de hand van een ‘asset based’ definitie, dat wil zeggen aan de hand van een niet-limitatieve lijst van activa wordt bepaald of sprake is van een investering in de zin van de ECT. Tegen deze achtergrond biedt de omstandigheid dat in art. 1 lid 6 ECT wordt gesproken van een investeerder die een investering “doet” en (in de ‘Understanding’) van een investering die “wordt gedaan”, onvoldoende houvast om in dit artikellid de eis te lezen dat de buitenlandse investeerder een economische bijdrage moet leveren aan het gastland.

g. Doorbraak van aansprakelijkheid

5.1.10.1 De Russische Federatie heeft aangevoerd dat Khodorkovsky c.s. zich op grond van beginselen van doorbraak van aansprakelijkheid niet kunnen verschuilen achter de vennootschapsstructuur van HVY die zij zelf hebben misbruikt om fraude, omkoping, en andere misdaden te plegen. Volgens de Russische Federatie is het een fundamenteel beginsel van internationaal recht dat misbruik van de vennootschapsstructuur doorbraak van aansprakelijkheid rechtvaardigt. Zij beroept zich daarbij onder meer op een uitspraak van het ICJ in de zaak Barcelona Traction.120Het ICJ overwoog in die zaak onder meer:

“56 (...) Here, then, as elsewhere, the law, confronted with economic realities, has had to provide protective measures and remedies in the interests of those within the corporate entity as well as of those outside who have dealings with it: the law has recognized that the independent existence of the legal entity cannot be treated as absolute. It is in this context that the process of “lifting the corporate veil” or “disregarding the legal entity” has been found justified and equitable in certain circumstances or for certain purposes. The wealth of practice already accumulated on the subject in municipal law indicates that the veil is lifted, for instance, to prevent the misuse of the privileges of legal personality, as in certain cases of fraud or malfeasance, to protect third persons such as a creditor or purchaser, or to prevent the evasion of legal requirements or of obligations.”

Deze overwegingen hadden evenwel geen betrekking op de bevoegdheid van het ICJ, maar op de vraag of eiser (België) een vordering kon instellen tegen Spanje ten behoeve van de (Belgische) aandeelhouders van Barcelona Traction, een vennootschap naar Canadees recht. Het hof is van oordeel dat uit Barcelona Traction niet een fundamenteel rechtsbeginsel in de door de Russische Federatie bedoelde zin valt af te leiden.

5.1.10.2 De Russische Federatie heeft ook gewezen op de zaak Cementownia v. Turkey.121 In die zaak stond de vraag centraal of Cementownia, een vennootschap naar Pools recht, de aandelen in een tweetal Turkse vennootschappen had verkregen, en zo ja, of het doel van die verkrijging was om toegang te krijgen tot internationale arbitrage. Het scheidsgerecht overwoog in die zaak:

“156. Here the Claimant’s conduct is not even close to proper conduct. Had Cementownia actually proven that on May 30, 2003 it legally acquired the shares of CEAS and Kepez, there would still be the question of whether this was treaty shopping of the wrong kind (...).”

Naar het oordeel van het hof ondersteunt deze zaak evenmin de stelling van de Russische Federatie dat er een internationaal rechtsbeginsel bestaat dat tot doorbraak van aansprakelijkheid moet worden overgegaan omdat de rechtsvorm is misbruikt voor fraude. Datzelfde geldt voor de zaken Phoenix Action v. Tsjechië en Alapli v. Turkey, die het hof hiervoor (rov. 5.1.8.6 en 5.1.8.9) al heeft besproken.122 Deze zaken zien niet op “doorbraak van aansprakelijkheid”, maar op de situatie dat de eiser in de arbitrageprocedure de aandelen in een vennootschap heeft verworven met als voornaamste doel toegang te verkrijgen tot internationale arbitrage.

5.1.10.3 De Russische Federatie heeft verder aangevoerd dat als overeenkomstig art. 1 lid 7 ECT de nationaliteit van een investeerder wordt bepaald naar zijn nationale recht, de toepassing van beginselen van doorbraak van aansprakelijkheid naar nationaal recht leiden tot hetzelfde resultaat als onder het internationaal recht. Zij voert aan dat de volgens het op Cyprus en Isle of Man geldende recht doorbraak van aansprakelijkheid mogelijk is indien (kort gezegd) de rechtspersoonlijkheid voor een oneigenlijk doel wordt gebruikt.123

5.1.10.4 Naar het oordeel van het hof biedt art. 1 lid 7 ECT geen grondslag voor toepassing van regels van nationaal recht ter zake van doorbraak van aansprakelijkheid. De verdragsbepaling bevat daarvoor geen enkel aanknopingspunt. Daar komt nog bij dat het leerstuk van doorbraak van aansprakelijkheid hier niet eens relevant is, omdat niet de aansprakelijkheid van HVY in het geding is (maar die van de Russische Federatie). Klaarblijkelijk is het de Russische Federatie erom te doen dat HVY als het ware worden ‘weggedacht’ omdat de aandeelhouders/feitelijke beleidsbepalers/begunstigden van HVY de vennootschappen misbruiken voor criminele activiteiten. Het gaat hier kennelijk om de vraag of het leerstuk van piercing the corporate veil kan worden ingezet om de bevoegdheid van het Scheidsgerecht aan te vechten in de situatie dat – naar de Russische Federatie stelt – de aandeelhouders van HVY zich hebben schuldig gemaakt aan criminele activiteiten. In hoeverre de door de Russische Federatie gestelde criminele activiteiten in de weg staan aan de bevoegdheid van het Scheidsgerecht, zal het hof hieronder behandelen.

h. Legaliteit van de investering

5.1.11.1 De Russische Federatie heeft aangevoerd dat het een fundamenteel beginsel van investeringsarbitrage is dat een investering legaal en bona fide moet zijn. Dit beginsel omvat volgens haar het leerstuk van unclean hands, dat een gevestigd beginsel van internationaal recht en openbare orde is. In investeringsarbitrages wordt algemeen aanvaard dat de verdragsbescherming zich niet uitstrekt tot investeringen die in strijd met het recht van de gaststaat zijn gedaan, ook al bevat het desbetreffende verdrag geen bepaling die dergelijke investeringen uitdrukkelijk uitsluit van de werkingssfeer van het verdrag.124 De Russische Federatie is van mening dat zij uitvoerig bewijs heeft geleverd voor het illegale karakter van zowel het doen van de investering door HVY als de uitvoering ervan. Het Scheidsgerecht had zich dan ook onbevoegd moeten verklaren.125

5.1.11.2 Naar het oordeel van het hof kan uit de internationale arbitragerechtspraak worden afgeleid dat er een internationaal rechtsbeginsel bestaat dat inhoudt dat internationale investeringen die zijn gedaan in strijd met het recht van het gastland geen bescherming verdienen. Dit geldt ook indien het desbetreffende investeringsverdrag dit niet met zoveel woorden bepaalt. Zo overwoog het scheidsgerecht in de zaak Phoenix v. Tsjechië126:

“101. In the Tribunal’s view, States cannot be deemed to offer access to the ICSID dispute settlement mechanism to investments made in violation of their laws. If a State, for example, restricts foreign investment in a sector of its economy and a foreign investor disregards such restriction, the investment concerned cannot be protected under the ICSID/BIT system. These are illegal investments according to the national law of the host State and cannot be protected through an ICSID arbitral process. And it is the Tribunal’s view that this condition – the conformity of the establishment of the investment with the national laws – is implicit even when not expressly stated in the relevant BIT.”

En in de zaak Fraport v. Filipijnen127 oordeelde het scheidsgerecht:

“332. The Tribunal is also of the view that, even absent the sort of explicit legality requirement that exists here, it would (...) still be appropriate to consider the legality of the investment. As other tribunals have recognized, there is an increasingly well-established international principle which makes international legal remedies unavailable with respect to illegal investments, at least when such illegality goes to the essence of the investment.”

Om de bescherming van een investeringsverdrag te verliezen, moet het wel gaan om gevallen waarin – zoals bijvoorbeeld is overwogen in Oxus Gold v. Oezbekistan128 – “the illegality affects the “making”, i.e. arises when initiating the investment itself and not just when implementing and/or operating it.” Of in Hamester v. Ghana129 waarin het scheidsgerecht onderscheidt tussen “(1) legality as at the initiation of the investment (“made”) and (2) legality during the performance of the investment”. Voor zover de Russische Federatie een beroep doet op illegaal handelen van HVY in de periode nadat HVY hun investering in Yukos hebben gedaan, kan dit dus niet leiden tot onbevoegdheid van het Scheidsgerecht. Meer concreet betreft dit gedragingen van HVY die zijn gerelateerd aan het Belastingverdrag tussen Cyprus en Rusland, gedragingen van HVY die zijn gerelateerd aan de belastingontwijking door Yukos en gedragingen van HVY die de inning van belastingen verhinderden (Final Award, nrs. 1291-1310). Geen van deze gedragingen heeft invloed op de bevoegdheid van het Scheidsgerecht.

5.1.11.3 Wanneer komt vast te staan dat sprake is van illegaliteit bij het doen van de investering, moet er voor wat betreft de gevolgen een onderscheid worden gemaakt tussen (a) investeringsverdragen waarin in de definitie van de term ‘investering’ een zinsnede is opgenomen inhoudend dat de investering moet zijn gedaan ‘in accordance with the law’, of woorden van soortgelijke strekking en (b) investeringsverdragen waarin dat niet het geval is. Bij verdragen van de eerstbedoelde categorie lijkt de heersende leer aldus gevestigd dat illegaliteit ertoe leidt dat geen investering is gedaan in de zin van het investeringsverdrag, zodat het scheidsgerecht niet bevoegd is van de vordering van de investeerder kennis te nemen.130 De ECT valt echter niet in de eerste categorie verdragen, zodat het hof in het midden kan laten wat er ter zake van die verdragen heeft te geleden.

5.1.11.4 Wanneer een verdrag geen legaliteitseis bevat (de tweede categorie verdragen), is de arbitrale rechtspraak verdeeld over de vraag wat de consequentie moet zijn wanneer een investeerder ‘illegaal’ handelt bij het doen van de investering. In Phoenix v. Tsjechië overwoog het scheidsgerecht bijvoorbeeld:

“102. The core lesson is that the purpose of the international protection through ICSID arbitration cannot be granted to investments that are made contrary to law. The fact that an investment is in violation of the laws of the host State can be manifest and will therefore allow the tribunal to deny its jurisdiction. Or, the fact that the investment is in violation of the laws of the host State can only appear when dealing with the merits, whether it was not known before that stage or whether the tribunal considered it best to be analysed as the merits stage, like in the case of Plama.

(...)

104. There is no doubt that the requirement of the conformity with law is important in respect of the access to the substantive provisions on the protection of the investor under the BIT. This access can be denied through a decision on the merits. However, if it is manifest that the investment has been performed in violation of the law, it is in line with judicial economy not to assert jurisdiction.”

Het scheidsgerecht hanteert in deze zaak een vrij pragmatische vuistregel: om proceseconomische redenen leidt alleen evidente illegaliteit tot onbevoegdheid.131 In de zaak Plama v. Bulgarije132 heeft het scheidsgerecht geoordeeld dat eisers ‘misrepresentation’ ten tijde van het doen van de investering ertoe leidt dat:

“146 (...) this Tribunal cannot lend its support to Claimant’s request and cannot, therefore, grant the substantive protections of the ECT.”

Het scheidsgerecht heeft in die zaak dus beslist dat eiseres geen materiële bescherming kan ontlenen aan de ECT vanwege de malversaties die zij had gepleegd bij het doen van de investering. Het scheidsgerecht was in ieder geval van oordeel dat deze misdragingen (in dit geval) geen invloed konden hebben op zijn bevoegdheid:

“112. Contrary to Respondent’s argument, the matter of the alleged misrepresentation by Claimant does not pertain to the Tribunal’s jurisdiction: that was already decided in the Decision on Jurisdiction. Rather, the matter concerns the question as to whether Claimant is entitled to the substantive protections offered by the ECT.”

In de zaak Blusun v. Italië133 heeft het scheidsgerecht in het midden gelaten of het feit dat de investeringen in strijd zijn met de wet zou moeten leiden tot onbevoegdheid van het scheidsgerecht. Het scheidsgerecht bevestigt slechts dat de ECT geen bescherming biedt aan investeringen die zijn gedaan in strijd met de wet. Onder het kopje ‘issues of jurisdiction and admissibility’ overweegt het scheidsgerecht:

“264. As to the lawfulness of the Project, it is true that the ECT does not lay down an explicit requirement of legality, but the Tribunal concludes that it does not cover investments which are actually unlawful under the law of the host state at the time they were made because protection of such investments would be contrary to the international public order. This conclusion is consistent with numerous other decisions and awards. In particular, the Plama tribunal found that because: ‘...the ECT should be interpreted in a manner consistent with the aim of encouraging respect for the rule of law ... the substantive protections of the ECT cannot apply to investments that are made contrary to law’.”

Daarentegen overweegt het scheidsgerecht in Ampal v. Egypte134:

“301. It is a well-established principle of international law that a tribunal constituted on the basis of an investment treaty has no jurisdiction over a claimant's investment which was made illegally in violation of the laws and regulations of the Contracting State.”

5.1.11.5 Het hof is op grond van het voorafgaande van oordeel dat de Russische Federatie onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er een algemeen aanvaard rechtsbeginsel bestaat dat inhoudt dat een scheidsgerecht zich (steeds) onbevoegd dient te verklaren indien sprake is van het doen van een ‘illegale’ investering. Als gezegd, is in art. 1 lid 6 ECT geen legaliteitseis opgenomen; niet vereist is dat een investering moet zijn gedaan in overeenstemming met het recht van het gastland. Ook voor de toegang tot arbitrage als bedoeld in art. 26 ECT bevat de tekst van de ECT op dit punt geen beperkingen. Het hof is van oordeel dat in dit geval de gewone betekenis van de bewoordingen van art. 1 lid 7 ECT prevaleert. Dit leidt ertoe dat het Scheidsgerecht niet onbevoegd is indien zou worden aangetoond dat sprake is van ‘illegaal handelen’ ten tijde van of bij het doen van de investering. Dat een dergelijke illegaliteit eventueel wel kan leiden tot ontzegging van de vorderingen aan de eiser is in het kader van de onderhavige vernietigingsgrond (art. 1065 lid 1 onder a Rv) niet relevant.

5.1.11.6 Ten overvloede overweegt het hof nog het volgende. Ook wanneer zou moeten worden aangenomen dat een ‘illegaal handelen’ ten tijde van het doen van de investering onder de ECT wél leidt tot onbevoegdheid van het Scheidsgerecht, is het hof van oordeel dat dit de Russische Federatie niet kan baten. Met betrekking tot de verwijten van de Russische Federatie die het Scheidsgerecht in nr. 1283 van de Final Award heeft samengevat heeft het overwogen:

“1370. In the present case (...) Respondent has failed to demonstrate that the alleged illegalities to which it refers are sufficiently connected with the final transaction by which the investment was made by Claimants. The transactions by which each Claimant acquired its investment were their purchases of Yukos shares. As established in the Interim Award, these purchases were legal and occurred starting in 1999. On the other hand, the alleged illegalities connected to the acquisition of Yukos through the loans-for-shares program occurred in 1995 and 1996, at the time of Yukos’ privatization. They involved Bank Menatep and the Oligarchs, an entity and persons separate from Claimants, one of which – Veteran –had not even come into existence. With respect to Respondent’s other allegations, regarding profit skimming and the oppression of minority shareholders, it is also clear to the Tribunal that they are not part of the transaction or transactions by which each Claimant acquired their interest in Yukos.”

5.1.11.7 Het hof is van oordeel dat het Scheidsgerecht aldus terecht heeft geoordeeld dat de verweten gedragingen in een te ver verwijderd verband staan tot de transacties waarmee HVY zelf hun aandelen in Yukos hebben verworven. Het hof verwerpt dus de stelling van de Russische Federatie dat aan de bevoegdheid van het Scheidsgerecht in de weg staat dat HVY in 1995/1996 direct waren betrokken bij de illegale verwerving van de Yukos aandelen. De Russische Federatie voert in dat verband aan dat (i) YUL namens Khodorkovsky c.s. steekpenningen aan de Red Directors (de bestuurders van Yukos voordat zij werd geprivatiseerd) betaalde, dat (ii) Khodorkovsky c.s. hebben toegegeven dat zij verantwoordelijk waren voor deze betalingen door YUL en dat (iii) de aan HVY toebehorende Yukos-aandelen afkomstig zijn uit illegale activiteiten van Khodorkovsky c.s.135 Het onder (iii) genoemde verwijt heeft de Russische Federatie voornamelijk gebaseerd op een rapport van prof. Kothari. Prof. Kothari heeft geanalyseerd hoe de aandelen Yukos in de periode 1995-2000 uiteindelijk in handen kwamen van HVY, waarbij hij tot uitgangspunt heeft genomen dat alle aandelen Yukos die afkomstig waren uit de veilingen van 1995/1996 ‘tainted shares’ waren.136 In zijn rapport uit 2015 analyseert hij via welke tussenschakels HVY hun aandelen hebben verworven en concludeert dat er “a substantial link [is] connecting the shares obtained during the 1995-96 auctions, and the shares on which Claimants based their claim in the ECT arbitration.”137

5.1.11.8 Het hof neemt veronderstellenderwijs aan dat de aandelen die HVY in 1999-2001 in eigendom hebben verkregen, in 1995/1996 door andere personen/vennootschappen zijn verworven door middel van illegale handelingen. Daarmee is echter nog niet gegeven dat ook sprake is van illegaal handelen door HVY zelf ten tijde van hun investering. Er is onvoldoende verband tussen de (gestelde) illegaliteiten in 1995/1996 en het doen van de investering door HVY. Dat wordt niet anders als daarbij acht wordt geslagen op de – mogelijke – betrokkenheid van HVY bij de betaling van steekpenningen aan Red Directors. Ook deze omstandigheid houdt onvoldoende verband met de investering door HVY zelf. De Russische Federatie stelt138 dat de gewraakte afspraken met de Red Directors voorafgaand aan de privatisering zijn gemaakt door Khodorkovsky c.s., dat de daarvan opgestelde (volgens de Russische Federatie: ‘nep’) contracten werden ondertekend door GML (de moedervennootschap van YUL) en dat Khodorkovsky c.s. de bankrekeningen van YUL hebben gebruikt om tenminste USD 613,5 miljoen aan de Red Directors te betalen. Uit deze stellingen, voor zover van de juistheid daarvan zou moeten worden uitgegaan, blijkt niet van voldoende verband tussen de investering van HVY (meer in het bijzonder van YUL) en de gestelde omkoping van de ‘Red Directors’. In ieder geval is geen sprake van een zodanig evidente illegaliteit dat deze tot onbevoegdheid van het Scheidsgerecht moet leiden.

5.1.11.9 Het hof verwerpt ook de stelling van de Russische Federatie dat het voor de bevoegdheid van het Scheidsgerecht van belang is dat – naar de Russische Federatie aanvoert – (i) destijds bepaalde (onrechtmatige) aspecten van de privatisering door Khodorkovsky c.s. verborgen werden gehouden, dat – naar het hof begrijpt – (ii) de Russische Federatie om die reden aanvankelijk niet is opgetreden tegen de ‘illegale manipulatie van de privatisering van Yukos’ en dat (iii) het feit dat er hiervoor geen strafrechtelijke vervolging in Rusland heeft plaatsgevonden, niet betekent dat Khodorkovsky c.s. onschuldig zijn.139 Het kan in het kader van het beroep op onbevoegdheid in het midden blijven of deze stellingen juist zijn en of er sprake is geweest van (ernstige) wetsovertredingen bij de privatisering van Yukos, omdat mogelijk illegaal handelen door Khodorkovsky c.s. ten tijde van de privatisering van Yukos in een te ver verwijderd verband staat tot de investering door HVY.

i. Conclusie

5.1.12

De conclusie is dat het beroep van de Russische Federatie op art. 1 leden 6 en 7 ECT faalt. Het Scheidsgerecht heeft terecht geoordeeld dat deze bepalingen niet in de weg staan aan zijn bevoegdheid.

5.2

Belastingmaatregelen, art. 21 ECT

a. Inleiding

5.2.1

De Russische Federatie heeft zich op art. 21 ECT beroepen ter onderbouwing van de door haar aangevoerde vernietigingsgronden ‘onbevoegdheid van het Scheidsgerecht’ enerzijds en ‘schending van de opdracht’ anderzijds. De schending van de opdracht leidt volgens de Russische Federatie bovendien tot de conclusie dat sprake is van strijd met de openbare orde. Deze laatste twee onderwerpen zullen worden behandeld in de rov. 6.3.1-6.3.5 en in rov. 9.3.2. In dit onderdeel van het arrest zal het hof art. 21 ECT uitsluitend in het kader van de bevoegdheid bespreken.

5.2.2

Art. 21 lid 1 ECT luidt:

“Except as otherwise provided in this Article, nothing in this Treaty shall create rights or impose obligations with respect to Taxation Measures of the Contracting Parties. In the event of any inconsistency between this Article and any other provision of the Treaty, this Article shall prevail to the extent of the inconsistency.”

Lid 5 van hetzelfde artikel luidt, voor zover van belang:

“a. Article 13 shall apply to taxes.

b. Whenever an issue arises under Article 13, to the extent it pertains to whether a tax constitutes an expropriation or whether a tax alleged to constitute an expropriation is discriminatory, the following provisions shall apply:

(i) The Investor or the Contracting Party alleging expropriation shall refer the issue of whether the tax is an expropriation or whether the tax is discriminatory to the relevant Competent Tax Authority. Failing such referral by the Investor or the Contracting Party, bodies called upon to settle disputes pursuant to Article 26(2)(c) shall make a referral to the relevant Competent Tax Authorities.”

b. Standpunt Russische Federatie

5.2.3

In het kader van de vernietigingsgrond ‘onbevoegdheid’ voert de Russische Federatie, op hoofdlijnen, het volgende aan. Art. 21 lid 1 ECT bevat een uitzondering voor belastingmaatregelen (de ‘carve-out’) en bepaalt dat geen enkele bepaling in het Verdrag rechten verleent of verplichtingen oplegt met betrekking tot belastingmaatregelen. Dit is een alomvattende uitzondering. Omdat de door HVY bestreden maatregelen kwalificeren als belastingmaatregelen is de ECT niet van toepassing en bestaat er dus geen geldige arbitrageovereenkomst. De door de Russische Federatie genomen belastingmaatregelen waren een legitieme uitoefening van de bevoegdheid van de Russische Federatie en vallen dus buiten het bereik van art. 26 ECT. De belastingmaatregelen komen niet door de ‘claw-back’ van art. 21 lid 5 ECT weer onder het bereik van de ECT, omdat het begrip ‘tax’ in lid 5 beperkter is dan het begrip ‘Taxation Measures’ in lid 1.

c. Raakt art. 21 ECT aan de bevoegdheid van het Scheidsgerecht?

5.2.4

In de arbitrale procedure heeft de Russische Federatie een beroep gedaan op art. 21 ECT in het kader van de vraag of het Scheidsgerecht jurisdictie had met betrekking tot het geschil.140 Het Scheidsgerecht heeft de beslissing over dat verweer uitgesteld tot de inhoudelijke fase van de arbitrage. Het Scheidsgerecht oordeelde vervolgens dat het om twee afzonderlijke redenen jurisdictie had om te beslissen over de op art. 13 ECT gebaseerde vordering van HVY.141 In de eerste plaats oordeelde het Scheidsgerecht dat elke maatregel die wordt bestreken door de ‘carve-out’ van art. 21 lid 1 ECT ook door de ‘claw-back’ van art. 21 lid 5 ECT wordt bestreken. In de tweede plaats oordeelde het Scheidsgerecht dat art. 21 lid 1 ECT slechts betrekking heeft op bona fide belastingmaatregelen. Of art. 21 lid 1 ECT de bevoegdheid van het Scheidsgerecht raakt, heeft het Scheidsgerecht in het midden gelaten. Dat volgt ook uit het eindoordeel, voor zover dat luidt: “dismisses the objections to jurisdiction and/or admissibility, based on Article 21 of the Energy Charter Treaty.”142Voor zover het Scheidsgerecht oordeelde over de jurisdictie ging het over de jurisdictie “over claims under Article 13.”143

5.2.5

Bij beoordeling van de vraag of het bepaalde in art. 21 ECT de bevoegdheid van het Scheidsgerecht raakt, stelt het hof het volgende voorop. Art. 21 lid 1 ECT bevat geen verwijzingen naar de bevoegdheid van arbiters, maar bepaalt enkel dat het Verdrag geen rechten verleent of verplichtingen oplegt met betrekking tot belastingmaatregelen. De stelling van de Russische Federatie “dat niets in de ECT (...) van toepassing [is] op belastingmaatregelen” (memorie van antwoord nr. 788), is dan ook niet juist. Art. 21 lid 1 ECT raakt niet aan de bevoegdheid van het Scheidsgerecht, omdat deze bevoegdheid (uitsluitend) wordt bepaald door de voorwaarden van art. 26 ECT. Reeds omdat in dit geding moet worden aangenomen dat aan die voorwaarden is voldaan, leidt het bepaalde in art. 21 lid 1 ECT niet tot de conclusie dat het Scheidsgerecht onbevoegd zou zijn indien zich een situatie voordoet die door art. 21 lid 1 ECT wordt bestreken.

5.2.6

Het hof vindt verder steun voor dat oordeel in de volgende omstandigheden. In de eerste plaats is art. 21 ECT opgenomen in ‘Part IV: Miscellaneous Provisions’ van de ECT. Dat deel van het Verdrag bevat verschillende meer algemene bepalingen, maar gaat niet over de beslechting van (investerings)geschillen. De bevoegdheid van het Scheidsgerecht wordt, zoals zojuist overwogen, bepaald door art. 26 ECT, dat onderdeel uitmaakt van ‘Part V: Dispute Settlement’. Mede gelet op het feit dat art. 21 ECT geen deel uitmaakt van Part V van het Verdrag kan de Russische Federatie niet worden gevolgd in haar betoog dat de ‘ondubbelzinnige betekenis’ van de bewoordingen van art. 21 lid 1 ECT meebrengt dat een scheidsgerecht niet bevoegd is te oordelen over belastingmaatregelen. Uit die tekst zelf kan dat niet worden afgeleid en ook kan daaruit niet worden afgeleid dat de uitzondering van art. 21 lid 1 ECT prevaleert boven het bepaalde in art. 26 ECT.

5.2.7

Tussen partijen is verder niet in geschil dat het bepaalde in de leden 2-5 van art. 21 ECT betrekking heeft op materiële rechten (memorie van antwoord nr. 788). Die artikelleden maken met betrekking tot die materiële rechten een uitzondering op art. 21 lid 1 ECT, dat op zichzelf ook een uitzondering bevat. Dat blijkt ook uit het bepaalde in lid 5(b)(i), dat voorschrijft onder welke omstandigheden een scheidsgerecht advies bij de bevoegde belastingautoriteiten moet inwinnen. Het is niet goed denkbaar dat een scheidsgerecht dat op grond van art. 21 lid 1 ECT onbevoegd zou zijn, dergelijk advies zou moeten inwinnen, of dat de bevoegdheid van een scheidsgerecht zou afhangen van de uitkomst van een dergelijk inhoudelijk onderzoek. Ook daaruit volgt dat art. 21 ECT niet de bevoegdheid van het Scheidsgerecht raakt.

5.2.8

Het hof onderschrijft dus ook niet het betoog van de Russische Federatie dat uit de woorden van art. 21 lid 1 ECT duidelijk volgt dat een scheidsgerecht onbevoegd is indien een vordering verband houdt met belastingmaatregelen en dat er dus geen ruimte is voor verdere interpretatie. Juist de context van de bepaling duidt erop dat geen sprake is van een bepaling die de bevoegdheid van een scheidsgerecht raakt. Evenmin deelt het hof de conclusie van de Russische Federatie dat art. 26 ECT en andere bepalingen van de ECT alleen van toepassing worden wanneer en op voorwaarde dat naar de belastingautoriteiten wordt verwezen (memorie van antwoord nr. 789). Die stelling impliceert immers dat een dergelijke verwijzing vooraf gaat aan het vaststellen van de bevoegdheid van een scheidsgerecht, met andere woorden dat pas na en door een dergelijke verwijzing de bevoegdheid vaststaat of niet. Zoals hierboven al is overwogen, ligt het niet voor de hand dat een dergelijke verwijzing geschiedt door een scheidsgerecht waarvan de bevoegdheid nog niet vaststaat. Die stelling van de Russische Federatie strookt dan ook niet met een uitleg te goeder trouw van art. 21 lid 1 ECT.

5.2.9

Het gegeven dat de ‘carve-out’ bedoeld is om conflicten met bestaande verdragen ter voorkoming van dubbele belasting te voorkomen (memorie van antwoord nr. 790) dwingt evenmin tot de conclusie dat art. 21 lid 1 ECT betrekking heeft op de bevoegdheid van een scheidsgerecht. Een dergelijk conflict wordt immers ook voorkomen indien een bevoegd scheidsgerecht vorderingen met betrekking tot belastingmaatregelen in de inhoudelijke fase buiten beschouwing laat.

5.2.10

De stelling dat in beslissingen met betrekking tot bepaalde BITs juist in het kader van de bevoegdheid ook anders is geoordeeld, acht het hof niet doorslaggevend omdat het hof de tekst en de context van art. 21 ECT dient te beoordelen en niet die van andere verdragen. Om die reden faalt het beroep dat de Russische Federatie doet op het arbitraal vonnis van 3 februari 2006 inzake EnCana v. Ecuador.144Die arbitrage was gebaseerd op het ‘Canada-Ecuador Agreement for the Promotion and Reciprocal protection of Investments of 29 April 1996’. Art. XII van die BIT bepaalt in lid 1: “Except as set out in this Article, nothing in this Agreement shall apply to taxation measures.” Het artikel kent verder een opbouw die verschilt van art. 21 ECT, in het bijzonder kent het niet de door art. 21 leden 2-5 ECT opgenomen materiële uitzonderingen. In het arbitraal vonnis inzake Plama v. Bulgarije van 27 augustus 2008145 overwoog het scheidsgerecht: “Article 21 of the ECT specifically excludes from the scope of the ECT’s protection taxation measures of a Contracting State, with certain exceptions (...)”. Het scheidsgerecht in die zaak verklaarde zich evenwel niet onbevoegd, maar oordeelde dat geen aanspraak op de bescherming van het Verdrag bestond. Ook het beroep op die uitspraak faalt dus. De conclusie van het bovenstaande is dat art. 21 lid 1 ECT niet de bevoegdheid van het Scheidsgerecht raakt.

d. Art. 21 ECT van toepassing?

5.2.11

Voor zover zou moeten worden aangenomen dat art. 21 ECT toch de bevoegdheid van het Scheidsgerecht raakt, rijst de vraag of het artikel überhaupt van toepassing is. HVY hebben aangevoerd dat art. 21 ECT in zijn geheel toepassing mist omdat de ‘carve-out’ van art. 21 ECT slechts betrekking heeft op bona fide belastingmaatregelen. De door de Russische Federatie opgelegde belastingmaatregelen hadden echter volgens HVY niet als doel om algemene inkomsten voor de staat te genereren, maar dienden een daarmee geheel ongerelateerd doel, te weten de vernietiging Yukos en de eliminatie van een politieke tegenstander.

5.2.12

Het Scheidsgerecht heeft geoordeeld dat de door de Russische Federatie opgelegde belastingmaatregelen niet bona fide waren. Omdat het hof hierboven heeft geconcludeerd dat art. 21 lid 1 ECT geen betrekking heeft op de bevoegdheid van het Scheidsgerecht kan de vraag of art. 21 ECT überhaupt van toepassing is op de vordering van HVY evenmin betrekking hebben op de bevoegdheid van het Scheidsgerecht. Ten overvloede wordt het volgende overwogen.

5.2.13

Het hof is met HVY van oordeel dat het enkele feit dat een maatregel als belastingmaatregel wordt aangeduid of zelfs een belastingmaatregel is, niet meebrengt dat art. 21 lid 1 ECT van toepassing is. Dat zou immers de mogelijkheid openen de werking van het Verdrag te omzeilen door een maatregel als belastingmaatregel aan te merken of een belastingmaatregel op mala fide gronden in te zetten voor een ander doel, en daarmee de bescherming die het Verdrag aan investeerders biedt, uit te hollen. Een dergelijke uitleg zou niet stroken met de verplichting van het hof om het Verdrag te goeder trouw uit te leggen. Dat betekent dat de rechter aan wie een vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis wordt voorgelegd, moet onderzoeken of de maatregelen waarover een oordeel wordt gevraagd bona fide belastingmaatregelen zijn die daadwerkelijk en uitsluitend gericht zijn op het op normale, zorgvuldige en voorzienbare wijze incasseren van verschuldigde belasting en niet mede gericht zijn op een ander doel.

5.2.14

Met het bovenstaande is, anders dan de Russische Federatie aanvoert (conclusie van repliek nr. 302), niet gezegd dat een belastingaanslag niet meer een ‘Taxation Measure’ zou kunnen zijn, maar is tot uitdrukking gebracht dat de verdragsbescherming niet wegvalt wanneer een dergelijke belastingmaatregel (ook) voor een ander doel wordt genomen dan bona fide belastingheffing. Of er een onderscheid kan bestaan tussen de bedoelingen van een individuele belastingambtenaar enerzijds en de belastingheffende staat anderzijds, kan in het midden blijven omdat de Russische Federatie niet aanvoert dat er in dit geval een dergelijk onderscheid heeft bestaan (conclusie van repliek nr. 303). Eveneens kan in het midden blijven of onder internationaal recht in het algemeen de bedoeling of beweegredenen van een staat irrelevant zijn (conclusie van repliek nr. 304). Waar het om gaat, is dat het in een voorkomend geval bij een uitleg te goeder trouw van art. 21 ECT niet is toegestaan dergelijke beweegredenen buiten beschouwing te laten. Dat zou immers kunnen leiden tot een uitholling van de bescherming van het Verdrag.

5.2.15

Het hof sluit zich met zijn oordeel dat art. 21 lid 1 ECT uitsluitend ziet op bona fide belastingmaatregelen aan bij verschillende oordelen van ook andere arbitrale colleges dan het Scheidsgerecht.146 Het hof verwerpt dan ook de door de Russische Federatie voorgestelde ruimere maatstaf die inhoudt dat een maatregel onder de uitsluiting voor ‘taxation’ valt indien deze “sufficiently clearly connected to a taxation law or regulation (or to a procedure, requirement or practice of the taxation authorities in apparent reliance on such law or regulation)” is (onder meer dagvaarding nr. 297). Het enkele feit dat er in de Russische wetgeving een grondslag voor de belastingmaatregelen is te vinden, of dat er in de internationale praktijk anti-misbruikbepalingen bestaan vergelijkbaar aan die, die de Russische autoriteiten hebben ingeroepen, is dus niet voldoende om die belastingmaatregelen bona fide te achten (memorie van antwoord nr. 836). Waar het om gaat, is de toepassing van dergelijke (antimisbruik)bepalingen in het concrete geval, waaronder de vraag of die maatregelen niet zijn genomen met een ander doel dan het incasseren van belastingen. Het gegeven dat het Scheidsgerecht ook concludeerde dat een basis voor de belastingheffing was te vinden in het Russisch recht is als zodanig dus niet redengevend en doet ook niet af aan de conclusie van het Scheidsgerecht dat van een bona fide belastingheffing geen sprake was. Het hof onderschrijft niet de stelling van de Russische Federatie dat deze uitleg van art. 21 lid 1 ECT indruist tegen het doel van een verwijzing naar de betrokken belastingautoriteiten (memorie van antwoord nr. 818). Een scheidsgerecht moet in staat worden geacht over het bona fide of mala fide karakter van een belastingmaatregel te oordelen zonder een verwijzing naar de betrokken belastingautoriteiten. Het ligt in algemene zin ook weinig voor de hand te verwachten dat betrokken belastingautoriteiten van oordeel zullen zijn dat een door hen genomen belastingmaatregel niet bona fide is geweest.

5.2.16

Bij de beoordeling van de vraag of in dit geval sprake was van bona fide belastingmaatregelen neemt het hof tot uitgangspunt dat het Scheidsgerecht na uitvoerig onderzoek tot de conclusie is gekomen dat de door de Russische Federatie genomen maatregelen niet uitsluitend bedoeld waren om belasting te innen, maar veeleer om het faillissement van Yukos uit te lokken en Khodorkovsky uit de politieke arena te verwijderen.147 In Part VIII van de Final Award heeft het Scheidsgerecht tamelijk uitvoerig uiteengezet hoe Yukos was georganiseerd, wat de achtergronden van die organisatie waren, welke belastingmaatregelen zijn genomen en welke boetes zijn opgelegd. Het Scheidsgerecht concludeert in zijn “concluding observation” dat “the primary objective of the Russian Federation was not to collect taxes but rather to bankrupt Yukos and appropriate its valuable assets”.148Daarmee heeft het Scheidsgerecht niet de ogen gesloten voor de mogelijkheid dat aan Yukos de nodige fiscaalrechtelijke verwijten konden worden gemaakt, maar heeft het niettemin geoordeeld dat de belastingmaatregelen niet bona fide waren. Het Scheidsgerecht heeft die conclusie gebaseerd op de volgende feiten149:

-

Het aan Yukos toerekenen van de opbrengsten die door haar handelsmaatschappijen waren gegenereerd (ook al bestond daarvoor in Rusland geen precedent op basis van de theorie van de “werkelijke eigenaar”) en de gelijktijdige weigering om Yukos in enige mate te laten profiteren van de BTW-aangiften door de handelsmaatschappijen, met als resultaat dat Yukos werd aangeslagen voor USD 13,5 miljard of 56 procent van de totale aan Yukos opgelegde belastingvorderingen;

-

Het aan Yukos opleggen van de boetes voor “opzettelijke overtredingen” in elk geval voor zover deze verband hielden met de BTW;

-

De weigering van de belastingautoriteiten om Yukos te laten profiteren van art. 3 lid 7 van de Russische belastingwet om de twijfels weg te nemen over de interpretatie van art. 112 lid 2 van de Rusissche belastingwet ten gunste van de belastingplichtige, met als gevolg dat boetes zijn opgelegd van bijna USD 4 miljard wegens “herhaalde overtredingen”; en

-

Het aan Yukos opleggen van boetes wegens “herhaalde overtredingen” wanneer het gedrag dat bestraft werd, plaatsvond voorafgaand aan de vaststelling door de rechtbank dat het gedrag onrechtmatig was; de boete voor “herhaalde overtredingen” tegen Yukos voor het belastingjaar 2001 is bijvoorbeeld gebaseerd op de conclusie van de rechtbank in 2004 dat het gedrag in 2000 onrechtmatig was.

5.2.17

Voor zover de Russische Federatie deze conclusies van het Scheidsgerecht in dit vernietigingsgeding heeft aangevallen, is daarop elders in dit arrest ingegaan en zijn de stellingen van de Russiche Federatie verworpen. Dat betekent ook in dit verband dat de stellingen van de Russische Federatie falen en dat het Scheidsgerecht terecht heeft beslist dat van bona fide belastingmaatregelen geen sprake was.

5.2.18

Het feit dat het EHRM tot de conclusie is gekomen dat bij het opleggen van de naheffingen van schending van het EVRM geen sprake is, acht het hof niet voldoende om te kunnen concluderen dat sprake was van bona fide belastingmaatregelen. Niet alleen heeft het EHRM een andere vraag beoordeeld dan het hof heeft te beoordelen, maar ook heeft het EHRM een beoordelingskader gehanteerd waarbij aan de betreffende staat een ruime beoordelingsmarge wordt toegestaan.

5.2.19

HVY hebben zich in deze procedure nadrukkelijk op de door het Scheidsgerecht vastgestelde omstandigheden beroepen en de conclusies van het Scheidsgerecht op dit punt onderschreven. Het hof is van oordeel dat tegenover die feiten en de conclusies die het Scheidsgerecht daarop heeft gebaseerd, onvoldoende door de Russische Federatie is aangevoerd om de conclusie te kunnen dragen dat het oordeel van het Scheidsgerecht onjuist is. Dat zal ten aanzien van de verschillende door de Russische Federatie aangevoerde omstandigheden elders in dit arrest nader worden uitgewerkt.

5.2.20

De conclusie luidt dat art. 21 lid 1 ECT niet van toepassing is op de maatregelen die HVY aan hun vorderingen in de arbitrage ten grondslag hebben gelegd. Ten overvloede overweegt het hof nog als volgt.

e. Art. 21 lid 5(a) ECT

5.2.21

Het Scheidsgerecht heeft overwogen dat maatregelen die op grond van de ‘carve-out’ van art. 21 lid 1 ECT buiten de verdragsbescherming vallen, op grond van de ‘claw-back’ van lid 5 weer onder het bereik van die verdragsbescherming worden gebracht. De Russische Federatie betoogt dat dit oordeel onjuist is. Het hof verwerpt dat betoog.

Het begrip ‘Taxation Measures’ dat in lid 1 wordt gebruikt, is gedefinieerd in art. 21 lid 7(a) ECT, in die zin dat in dit artikellid (niet limitatief) wordt omschreven wat onder dat begrip valt. Het begrip ‘taxes’ is niet afzonderlijk gedefinieerd, maar ‘provisions relating to taxes’ maken in ieder geval deel uit van het begrip ‘Taxation Measures’. De tekst van het Verdrag sluit op dit punt dus niet uit dat ‘taxes’ en ‘Taxation Measures’ op dezelfde maatregelen betrekking hebben. Dat volgt ook uit het feit dat, zoals HVY ook naar voren hebben gebracht, de begrippen ‘belastingmaatregelen’ en ‘belasting’ in andere taalversies van de ECT door elkaar heen worden gebruikt (memorie van grieven nr. 754 en memorie van antwoord nr. 809). Zo spreekt de Franse tekst in art. 21 lid 1 ECT van ‘mesures fiscales’, in lid 5(a) van ‘impots’ en in art. 5(b) weer van ‘mesure fiscale’ waar in de Engelse tekst sprake is van een ‘tax’. In de Duitse tekst is in lid 1 sprake van ‘steuerliche Maβnahmen’, in lid 5(a) van ‘Steuern’, in lid 5(b) van ‘Steuer’, maar in lid 5(b)(i) weer van ‘Maβnahme’. De Italiaanse versie spreekt zowel in art. 21 lid 1 ECT als in art. 21 lid 5(a) en (b) van ‘misure(a) fiscali’. Indien er een onderscheid zou zijn beoogd tussen ‘Taxation Measures’ in art. 21 lid 1 ECT en ‘taxes’ in lid 5 had verwacht mogen worden dat dat onderscheid in alle taalversies naar voren zou komen. Het gegeven dat ten aanzien van andere artikelen en artikelleden in andere taalversies wel een onderscheid tussen ‘Taxation Measures’ en ‘tax’ wordt gemaakt, doet hier niet aan af omdat het erom gaat dat een ‘inconsistent’ (conclusie van repliek nr. 295) gebruik niet voor de hand zou liggen als een daadwerkelijk onderscheid zou worden beoogd. De omschrijving van het begrip ‘Taxation Measures’ in art. 21 lid 7 ECT maakt dit niet anders. Ook als met de Russische Federatie wordt aangenomen dat het begrip ‘Taxation Measures’ een ruim bereik heeft, en alle wetgevende, uitvoerende en gerechtelijke maatregelen omvat, sluit dat niet uit dat voor het begrip ‘taxes’ in art. 21 lid 5 ECT hetzelfde geldt.

5.2.22

Het gegeven dat in andere investeringsverdragen geen ‘claw-back’-bepalingen voorkomen, leidt vanzelfsprekend niet tot een andere conclusie aangezien het in dit geding gaat om de uitleg van de ‘claw-back’ in art. 21 lid 5 ECT.

Het doel van art. 21 lid 5(a) ECT is te bewerkstelligen dat, indien belastingmaatregelen het karakter van een onteigening krijgen, de verdragsbescherming door de onteigende partij kan worden ingeroepen. Met dat doel verdraagt zich ook niet goed een onderscheid te maken tussen het begrip ‘Taxation Measures’ van lid 1 en het begrip ‘taxes’ in lid 5. Ook het enkele feit dat in de Engelse taalversie een verschil in bewoordingen bestaat, rechtvaardigt in dit geval in het licht van het doel van het Verdrag, niet een andere conclusie. Daar komt bij dat de travaux préparatoires geen aanwijzing bevatten dat door de opstellers van de ECT is beoogd art. 21 lid 5 ECT een ander toepassingsgebied te laten hebben dan art. 21 lid 1 ECT. Het Scheidsgerecht is dus op goede gronden tot de conclusie gekomen dat maatregelen die door de ‘carve-out’ buiten het beschermingsbereik van het Verdrag vallen, er door de ‘claw-back’ weer onder vallen. Ook om die reden kon het Scheidsgerecht oordelen over de maatregelen die hebben geleid tot de door HVY gevorderde schade.

5.3

Conclusie ten aanzien van de bevoegdheid van het Scheidsgerecht (art. 1065 lid 1 onder a Rv)

5.3.1

De conclusie luidt dat alle gronden die de Russiche Federatie heeft aangevoerd om te betogen dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt, die gevolgtrekking niet kunnen dragen. Er bestaat geen aanleiding de Yukos Awards te vernietigen op de voet van art. 1065 lid 1 onder a Rv.

5.3.2

Het hof zal thans de overige door de Russische Federatie aangevoerde vernietigingsgronden bespreken. Het houdt daarbij de door de Russische Federatie gevolgde volgorde aan.

6. Schending van de opdracht (art. 1065 lid 1 onder c Rv)

7. Is het Scheidsgerecht niet op de juiste wijze samengesteld (art. 1065 lid 1 onder b Rv)?

8. Zijn de Yukos Awards niet met redenen omkleed (art. 1065 lid 1 onder d Rv)?

9. Openbare orde (art. 1065 lid 1 onder e Rv)

10. Slotsom

11. Beslissing: