Gerechtshof Den Haag, 29-01-2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:134, 200.126.849 en 200.127.813
Gerechtshof Den Haag, 29-01-2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:134, 200.126.849 en 200.127.813
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 29 januari 2021
- Datum publicatie
- 29 januari 2021
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2021:134
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:BY9854, Overig
- Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2015:3587
- Zaaknummer
- 200.126.849 en 200.127.813
Inhoudsindicatie
Rechtsgebied. Internationaal ondernemings-/aansprakelijkheidsrecht.
Is Shell (Nigeria) naar Nigeriaans recht aansprakelijk voor verontreiniging door olielekkages in 2006 en 2007 uit oude olieboorput bij het dorp Ikot Ada Udo in Nigeria? Sabotage als oorzaak van de lekkages aangenomen. Het Hof wil nadere inlichtingen over de vraag tot waar de verontreiniging zich heeft uitgestrekt. En of de verontreiniging nog van dien aard is dat sanering geboden is.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling civiel recht
Uitspraakdatum : 29 januari 2021
Zaaknummers : 200.126.849 (zaak e) + 200.127.813 (zaak f)
Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/337050 / HA ZA 09-1580
Arrest
in de zaak met nummer 200.126.849 (zaak e) van
de VERENIGING MILIEUDEFENSIE,
gevestigd te Amsterdam,
appellante, tevens geïntimeerde in incidenteel appel,
advocaat: mr. Ch. Samkalden (Amsterdam),
tegen
1. ROYAL DUTCH SHELL PLC.,
gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk, kantoorhoudende te Den Haag,
2. SHELL PETROLEUM DEVELOPMENT COMPANY OF NIGERIA LTD.,
gevestigd te Port Harcourt, Rivers State, Federale Republiek Nigeria,
geïntimeerden, tevens appellanten in incidenteel appel,
advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk (Amsterdam),
en in de zaak met nummer 200.127.813 (zaak f) van
SHELL PETROLEUM DEVELOPMENT COMPANY OF NIGERIA LTD.,
gevestigd te Port Harcourt, Rivers State, Federale Republiek Nigeria,
appellante, tevens geïntimeerde in incidenteel appel,
advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk (Amsterdam),
tegen
Friday Alfred AKPAN,
wonende te Ikot Ada Udo, Akwa Ibom State, Federale Republiek Nigeria,
geïntimeerde, tevens appellant in incidenteel appel,
advocaat: mr. Ch. Samkalden (Amsterdam).
Het verdere verloop van het geding
de namen van procespartijen
Partijen worden hierna als volgt aangeduid. In de zaak met nummer 200.126.849 (zaak e) als ‘Milieudefensie’ respectievelijk ‘RDS’ en ‘SPDC’, en in de zaak met nummer 200.127.813 (zaak f) als ‘SPDC’ respectievelijk ‘Akpan’. Milieudefensie en Akpan samen worden ‘Milieudefensie c.s.’ genoemd; RDS alleen ook wel ‘de moedervennootschap’ en RDS en SPDC samen ‘Shell’.
procesverloop
Nadat bij arrest van 18 december 2015 was vastgesteld dat de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de door Milieudefensie c.s. ingestelde vorderingen zijn twee tussenarresten gewezen met daarin nadere beslissingen over de vordering ex artikel 843a Rv: een arrest van 11 oktober 2016, met aansluitend een comparitie van partijen op 24 november 2016, en een arrest van 31 juli 2018. Daarna zijn achtereenvolgens de volgende processtukken ingediend:
in zaak e – 200.126.849:
- door Milieudefensie op 12 maart 2019 een ‘memorie van grieven fase 2’, met een eiswijziging erin en producties (Q.9 t/m Q.54) erbij;
- door Shell op 9 juli 2019 een ‘memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in het incidenteel appel fase 2’, met achterin een opsomming van de (van toepassing zijnde) producties, genummerd 1 t/m 71;
- door Milieudefensie op 17 december 2019 een ‘memorie van antwoord in incidenteel appel fase 2’ met achterin een overzicht van de bijbehorende producties Q.55 t/m Q.71;
- door Milieudefensie, bij gelegenheid van de zitting van 8 oktober 2020, een
op 3 augustus 2020 gedateerde ‘akte uitlating producties in het principaal appel fase 2’ (zaken a t/m e);
- door Milieudefensie op 8 oktober 2020 een ‘akte overlegging producties ten behoeve van zitting’, met bijgevoegd (zaken a t/m e) producties Q.72 t/m Q.80;
in zaak f – 200.127.813:
- door SPDC op 12 maart 2019 een ‘memorie van grieven fase 2’, met bijgevoegd producties 56 t/m 60;
- door Akpan op 9 juli 2019 een ‘memorie van antwoord fase 2 tevens memorie van grieven in incidenteel appel’, met achterin een opsomming van de (van toepassing zijnde) producties Q.9 t/m Q.61;
- door SPDC op 17 december 2019 een ‘memorie van antwoord in het incidenteel appel, tevens houdende akte uitlating producties in het principaal appel fase 2’, met achterin een (aangevuld) overzicht van de producties, genummerd 1 t/m 76;
- door Akpan op 8 oktober 2020 een ‘akte overlegging producties ten behoeve van zitting’, met bijgevoegd producties Q.62 en Q.72 t/m Q.75;
in beide zaken:
- door Shell op 8 oktober 2020 een ‘akte houdende overlegging producties’, met bijgevoegd producties 77 (zaken a t/m f) en 78 (zaken a en b);
- door Milieudefensie c.s. op 8 oktober 2020 een ‘akte overlegging producties ten behoeve van zitting’, met bijgevoegd producties Q.81 en Q.82 (zaken a t/m f);
- door Milieudefensie c.s. op 8 oktober 2020 een ‘akte overlegging productie ten behoeve van zitting’, met bijgevoegd productie Q.83 (zaken e en f);
- door Shell op 8 oktober 2020 een ‘akte houdende overlegging producties’, met bijgevoegd producties 79 (zaken a t/m e) en 80 (zaken a t/m f);
- door Milieudefensie c.s. op 8 oktober 2020 een ‘akte overlegging productie ten behoeve van zitting’, met bijgevoegd productie Q.84 (in zaken a t/m f);
- door Shell op 8 oktober 2020 een ‘akte houdende overlegging productie’, met bijgevoegd productie 81 (in zaken a t/m f).
Partijen hebben een map (digitaal en op schrift) overgelegd met daarin de gevoerde
correspondentie, genummerd 1 t/m 113. In die map zit ook het rapport van bevindingen van 18 juli 2017 van mr. B.E. ter Haar met betrekking tot de door Shell gedeponeerde vertrouwelijke stukken. Shell heeft die stukken eveneens op een usb-stick aangeleverd.
Op 8 en 9 oktober 2020 hebben de advocaten van partijen de zaken bepleit. Hun pleitnota’s hebben zij overgelegd. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Aan het einde van de zitting is een datum voor arrest bepaald.
inleiding
Het geschil in deze zaken is ontstaan naar aanleiding van twee lekkages uit een olieput bij het dorp Ikot Ada Udo in Akwa Ibom State in Nigeria. Deze olieput, Ibibio-1 geheten, is daar in 1959 door SPDC’s rechtsvoorganger geboord, maar vervolgens nooit voor oliewinning gebruikt; het bleef een exploratieput, waarvan de put-mond (wellhead) bovengronds was afgesloten met een zogenoemde christmas tree. Dat is een massief stalen constructie met een aantal holle leidingen en – van handwielen voorziene – stalen afsluiters (valves). Die handwielen waren er veiligheidshalve afgehaald, maar met een grote Engelse sleutel was open- (en dicht)draaien van de afsluiters nog wel mogelijk. Hieronder wordt een afbeelding van Ibibio-1 weergegeven (overgenomen uit het hierna te bespreken Udo-rapport):

De eerste lekkage, in augustus 2006, was beperkt; de tweede, die zich ongeveer een jaar later voordeed, had een veel grotere omvang. Deze tweede lekkage is op 7 november 2007 verholpen; iemand van SPDC heeft de toen openstaande afsluiters van de christmas tree met een grote Engelse sleutel dichtgedraaid.
Milieudefensie c.s. wijt de lekkages en de volgens haar daardoor ontstane schade – meer in het bijzonder: (milieu)schade aan nabijgelegen landbouwgronden en visvijvers – aan onrechtmatig handelen en nalaten van (i) SPDC als operator van de olieput Ibibio-1, maar daarnaast ook van (ii) RDS als het hoofd van de Shell-groep en, via concernvennootschappen, houdster van de aandelen in SPDC. De vorderingen die Milieudefensie c.s. op deze grond heeft ingesteld strekken er toe dat Shell aansprakelijk wordt gehouden voor het laten ontstaan en het niet adequaat verhelpen van de lekkages, alsook voor het niet deugdelijk opruimen van de vervuiling. De rechtbank heeft – als vaststaand aannemend dat de lekkages het gevolg waren van het onbevoegd opendraaien van de afsluiters: (i) voor recht verklaard dat SPDC naar Nigeriaans recht een specifieke tort of negligence jegens Akpan heeft gepleegd door de wellhead van
de olieput Ibibio-1 onvoldoende te beveiligen tegen deze eenvoudige vorm van sabotage en (ii) SPDC veroordeeld om aan Akpan de nader op te maken schade te vergoeden die hij door de lekkages heeft geleden. Alle overige vorderingen, inclusief die tegen RDS, zijn afgewezen. Tegen die afwijzing richt zich het hoger beroep van Milieudefensie (zaak e), terwijl SPDC opkomt tegen haar veroordeling en de ten nadele van haar uitgesproken verklaring voor recht (zaak f ). Daarnaast is er incidenteel appel ingesteld: door Shell in zaak e en door Akpan in zaak f.
Bij de beoordeling van de over en weer aangevoerde grieven (en enkele onderdelen van de vordering) zijn vragen gerezen van feitelijke aard. Daarover wordt in dit arrest opheldering gevraagd. De vragen worden hieronder genoemd (6.1 e.v.), na een korte schets van het Nigeriaanse recht (4.1-4.10) en een bespreking van de vraag of de lekkages gevolg zijn van sabotage (5.1-5.13). Eerst volgen nog enkele vaststaande feiten (2.1-2.17.2) en wordt de (gewijzigde) vordering weergegeven (3.1-3.2). Uit het arrest van 18 december 2015 wordt herhaald dat partijen het erover eens zijn dat die vordering naar Nigeriaans recht moet worden beoordeeld, ook voor zover zij is ingesteld tegen de hier te lande gevestigde moedervennootschap. Op procesrechtelijke kwesties is Nederlands recht als lex fori van toepassing. Daarbij past als kanttekening dat materieelrechtelijke kanten van het procesrecht, waaronder de vraag welke sancties kunnen worden opgelegd, worden beheerst door de lex causae (in dit geval Nigeriaans recht). Naar thans tot uitdrukking komt in artikel 10:13 BW geldt datzelfde voor het materiële bewijsrecht. Daaronder zijn te rekenen bijzondere regels van bewijslastverdeling die betrekking hebben op een bepaalde rechtsverhouding en die de strekking hebben de uit die rechtsverhouding voortvloeiende subjectieve rechten nader te bepalen.