Home

Gerechtshof Den Haag, 25-08-2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1696, 200.287.517/01

Gerechtshof Den Haag, 25-08-2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1696, 200.287.517/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25 augustus 2021
Datum publicatie
14 september 2021
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2021:1696
Zaaknummer
200.287.517/01
Relevante informatie
Burgerlijk Wetboek Boek 1 [Tekst geldig vanaf 01-01-2024] art. 253a

Inhoudsindicatie

Het hof zal het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem te bepalen, anders dan de rechtbank, toewijzen. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat er zorgen zijn over de persoonlijke situatie van de vader of zijn opvoedvaardigheden. De vader heeft tot nu toe de kans om voor de minderjarige te zorgen door verschillende omstandigheden, die veelal niet aan hem te wijten waren, nog niet gehad. Het hof is van oordeel dat de vader deze kans wel dient te krijgen, een wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kan hier aan bijdragen. Het hof voegt hier nog aan toe te vrezen dat de vader uit beeld raakt en (daardoor) wellicht zelfs zijn gezag kwijtraakt als de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de moeder blijft. Een terugplaatsing bij de moeder is op dit moment nog niet aan de orde. Zij heeft hiertoe nog geen mogelijkheden laten zien. De vader erkent de belangrijke rol en positie van de moeder. Het hof heeft er dan ook vertrouwen in dat de vader de samenwerking met de moeder (en de pleegouders) zal blijven opzoeken.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummers : 200.287.517/01

rekestnummer rechtbank : FA RK 18-4228

zaaknummer rechtbank : C/10/551616

beschikking van de meervoudige kamer van 25 augustus 2021

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [naam gemeente] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M. Ahmadi te Rotterdam

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.H.P. Feiner te Rotterdam.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

- Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd te Rotterdam,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling;

- [naam pleegmoeder] en [naam pleegvader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de pleegouders,

advocaat: mr. M.P.G. Rietbergen te Rotterdam.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,

locatie: Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de tussenbeschikkingen van de rechtbank Rotterdam van 5 december 2018 en 2 juli 2019 en de eindbeschikking van de rechtbank Rotterdam van 21 september 2020 (hierna ook: de bestreden beschikking), allen uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vader is op 15 december 2020 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De raad is op 18 december ook in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Dit hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.287.840/01. Bij (afzonderlijke) beschikking van 25 augustus 2021 heeft het hof beslist op dit hoger beroep.

2.3

De moeder heeft op 8 februari 2021 een verweerschrift ingediend. Met dit verweerschrift voert zij verweer in beide zaken.

2.4

De gecertificeerde instelling heeft op 22 februari 2021 een schriftelijke reactie ingediend waarin zij het hof op de hoogte stelt van het verloop van de hulpverlening en de actuele ontwikkelingen van [minderjarige] . Deze schriftelijke reactie ziet op beide zaken.

2.5

De pleegouders hebben op 24 februari 2021 een verweerschrift ingediend.

2.6

Bij het hof zijn verder de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

-

een journaalbericht met bijlagen van 28 januari 2021, ingekomen op diezelfde datum;

-

een journaalbericht van 8 maart 2021 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;

-

een journaalbericht van 5 mei 2021 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;

van de zijde van de moeder:

- een journaalbericht van 25 februari 2021 met bijlage, ingekomen op 26 februari 2021;

van de zijde van de pleegouders:

- een journaalbericht van 23 juni 2021 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum.

2.7

De zaak is, tezamen met de zaak met zaaknummer 200.287.840/01, op 6 juli 2021 mondeling behandeld. Verschenen zijn:

-

de vader, bijgestaan door mr. S. Ben Ahmed, waarnemend voor mr. M. Ahmadi;

-

de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad 1] , [vertegenwoordiger van de raad 2] en [vertegenwoordiger van de raad 3] ;

-

de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

-

de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;

-

de pleegouders, bijgestaan door hun advocaat.

2.8

Na de mondelinge behandeling is op 28 juli 2021 van de zijde van de raad een brief met bijlagen van 26 juli 2021 ingekomen. Nu de mondelinge behandeling is gesloten en het hof partijen geen toestemming heeft gegeven stukken na te zenden, slaat het hof geen acht op genoemde brief.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is geboren: [naam minderjarige] , op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige] ).

3.3

De vader heeft [minderjarige] erkend en de ouders oefenen samen het gezag uit over [minderjarige] .

3.4

Op 4 december 2017 hebben de ouders een ouderschapsplan ondertekend. In dit ouderschapsplan zijn zij een zorgregeling overeengekomen. Deze zorgregeling houdt in dat [minderjarige] van donderdag 17.30 uur tot zondag 17.15 uur bij de vader is, waarbij de vader [minderjarige] op donderdag bij de moeder ophaalt en de moeder [minderjarige] op zondag bij de vader ophaalt. Daarnaast is [minderjarige] , in de weken dat hij niet in het weekend bij de vader is, bij de vader op woensdag van 14.00 uur tot 17.30 uur en op donderdag van 10.00 uur tot 17.30 uur.

3.5

[minderjarige] verblijft sinds maart 2018, op vrijwillige basis, bij de grootouders moederszijde in [naam provincie] .

3.6

Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 14 mei 2018 is de raad verzocht om onderzoek te doen naar de zorgregeling en dit rapport in te brengen in de bodemprocedure. De vordering van de vader tot nakoming van de zorgregeling is afgewezen en er is geen voorlopige zorgregeling vastgesteld omdat omgang tussen de vader en [minderjarige] niet in het belang van [minderjarige] zou zijn.

3.7

Op 8 oktober 2018 heeft de raad een eerste rapport uitgebracht. Naar aanleiding van dit rapport heeft de raad op 9 oktober 2018 een verzoek tot ondertoezichtstelling en een verzoek tot machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] ingediend bij de rechtbank.

3.8

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 5 december 2018 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling van 26 november 2018 tot 26 november 2019 en is machtiging uithuisplaatsing verleend om [minderjarige] van 26 november 2018 tot 26 juli 2019 in een netwerkpleeggezin (grootouders moederszijde) te plaatsen.

3.9

Bij afzonderlijke beschikking van 5 december 2018 van de rechtbank Rotterdam is de behandeling van de zaak ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aangehouden in afwachting van de resultaten van de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling.

3.10

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 18 juni 2019 is de machtiging uithuisplaatsing verlengd tot 26 november 2019 en is de raad verzocht onderzoek te doen naar de mogelijkheden tot plaatsing van [minderjarige] bij de vader en welke zorgregeling in het belang van [minderjarige] is.

3.11

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 2 juli 2019 is de zaak die ziet op de verdeling van zorg- en opvoedingstaken en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] nogmaals aangehouden in afwachting van een nader rapport van de raad. Sinds deze beschikking is de procedure uitgebreid met de vraag bij wie [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats moet hebben. De vader heeft in zijn verweerschrift op het verzoek van de gecertificeerde instelling bij wijze van zelfstandig verzoek de rechtbank verzocht de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen.

3.12

Op 5 november 2019 heeft de raad een tweede rapport uitgebracht en de rechtbank geadviseerd om de behandeling van de zaak ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de hoofdverblijfplaats aan te houden voor de duur van zes maanden. De raad acht diagnostiek en begeleiding van de hechtingsrelatie tussen de vader en [minderjarige] noodzakelijk om zicht te krijgen op de relatie tussen de vader en [minderjarige] en de mogelijkheden van de vader om [minderjarige] een stabiele en veilige hechtingsrelatie te bieden.

3.13

Bij beschikking van 20 november 2019 zijn zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging uithuisplaatsing, in afwachting van de uitkomsten van het verdere onderzoek door de raad, verlengd tot 26 november 2020.

3.14

Op 30 maart 2020 heeft de raad een derde rapport uitgebracht en de rechtbank geadviseerd het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen, toe te wijzen.

3.15

Bij afzonderlijke beschikking van 21 september 2020 van de rechtbank Rotterdam is het verzoek van de vader tot eenhoofdig gezag afgewezen en is het verzoek van de pleegouders tot beëindiging van het gezag van de ouders en het treffen van een zorg- of omgangsregeling, in afwachting van een nader onderzoek door de raad met betrekking tot dit verzoek, aangehouden tot 1 april 2021.

3.16

Bij een derde afzonderlijke beschikking van 21 september 2020 van de rechtbank Rotterdam is het verzoek van de gecertificeerde instelling, gebaseerd is op artikel 1:265i lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), om het verblijf van [minderjarige] te wijzigen naar de vader, afgewezen.

3.17

Bij beschikking van 23 oktober 2020 zijn zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging uithuisplaatsing nogmaals voor de duur van een jaar verlengd tot 26 november 2021.

4 De omvang van het geschil

5 De motivering van de beslissing

6 De beslissing