Gerechtshof Den Haag, 06-10-2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1963, 200.286.054/01
Gerechtshof Den Haag, 06-10-2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1963, 200.286.054/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2021
- Datum publicatie
- 23 februari 2022
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1963
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:9814, Meerdere afhandelingswijzen
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2023:639, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Zaaknummer
- 200.286.054/01
- Relevante informatie
- Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 10, Burgerlijk Wetboek Boek 3 [Tekst geldig vanaf 08-11-2024 tot 01-07-2025] art. 172, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van niet-digitaal procederen) [Tekst geldig vanaf 01-05-2023] [Regeling ingetrokken per 2023-05-01] art. 827
Inhoudsindicatie
Huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling. Uit de gedragingen van partijen blijkt een stilzwijgende afspraak over de betaling van de hypotheeklasten na het eindigen van de gemeenschappelijke huishouding. Is sprake van een lening van de vrouw aan de man van € 435.000,- of heeft de vrouw dit bedrag betaald ter verkrijging van een eigendomsaandeel in de gemeenschappelijke woning? De vordering van de vrouw is alleen toewijsbaar wanneer zowel komt vast te staan dat de vrouw dit bedrag aan de man heeft geleend als dat zij haar eigendomsaandeel van 40% om niet heeft verkregen. De stelling dat zij het eigendomsaandeel om niet heeft verkregen heeft de vrouw niet of althans onvoldoende onderbouwd. De man is ontvankelijk in zijn verzoek om de vrouw te veroordelen tot het betalen van de beslagkosten, maar niet is komen vast te staan dat de vrouw zonder enige rechtsgrond beslag heeft laten leggen onder de notaris.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling civiel recht
zaaknummer : 200.286.054/01
rekestnummers rechtbank : FA RK 19-4218 en FA RK 19-7697
zaaknummers rechtbank : C/09/574831 en C/09/582195
beschikking van de meervoudige kamer van 6 oktober 2021
inzake
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. E.F.A. Linssen-van Rossum te Den Haag,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. C.C. van Bodegom te Den Haag.
1 Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 19 augustus 2020, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (hierna: de bestreden beschikking).
2 Het geding in hoger beroep
De vrouw is op 19 november 2020 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De man heeft op 22 januari 2021 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
De vrouw heeft op 30 maart 2021 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- -
-
een brief van de zijde van de vrouw van 24 november 2020 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- -
-
een journaalbericht van de zijde van de man van 3 augustus 2021 met bijlagen, ingekomen op 4 augustus 2021;
- -
-
een faxbericht van de zijde van de vrouw van 12 augustus 2021 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- -
-
een journaalbericht van de zijde van de man van 16 augustus 2021 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- -
-
een faxbericht van de zijde van de vrouw van 19 augustus 2021 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum.
De mondelinge behandeling heeft op 26 augustus 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- -
-
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- -
-
de man, bijgestaan door zijn advocaat die werd vergezeld door een stagiaire, [naam 1] .
3 De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
Partijen zijn gehuwd op [huwelijksdatum] 1990 te [plaats 1] na het maken van huwelijkse voorwaarden.
Tijdens het huwelijk zijn twee, inmiddels meerderjarige, kinderen geboren.
In hoger beroep is gebleken dat de echtscheiding tussen partijen op 27 oktober 2020 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.