Hoge Raad, 21-04-2023, ECLI:NL:HR:2023:639, 22/00053
Hoge Raad, 21-04-2023, ECLI:NL:HR:2023:639, 22/00053
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 21 april 2023
- Datum publicatie
- 21 april 2023
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2023:639
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:998, Gevolgd
- In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2021:1963, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Zaaknummer
- 22/00053
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht. Echtscheiding. Procesrecht. Is door de vrouw aan de man t.b.v. aankoop van woning verstrekt bedrag aan te merken als lening of investering? Stelplicht en bewijslast. Beslagrecht. Maatstaf schadeplichtigheid bij ten onrechte gelegd beslag.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 22/00053
Datum 21 april 2023
BESCHIKKING
In de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie, verweerster in het incidentele cassatieberoep,
hierna: de vrouw,
advocaat: E.F.A. Linssen-van Rossum,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie, verzoeker in het incidentele cassatieberoep,
hierna: de man,
advocaat: A.H.M. van den Steenhoven.
1 Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaken C/09/574831 FA RK 19-4218 en C/09/582195 FA RK 19-7697 van 19 augustus 2020;
b. de beschikking in de zaak 200.286.054/01 van het gerechtshof Den Haag van 6 oktober 2021.
De vrouw heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De man heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt in het principale en incidentele cassatieberoep tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 6 oktober 2021 en tot verwijzing.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2 Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen zijn in 1990 gehuwd na het maken van huwelijkse voorwaarden.
(ii) De echtscheiding tussen partijen is op 27 oktober 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
(iii) In 2012 hebben partijen voor een bedrag van ruim € 1,2 miljoen een woning gekocht (hierna: de woning). De man werd voor 60% eigenaar van de woning en de vrouw voor 40%. Bij de aankoop van de woning hebben partijen een hypothecaire geldlening afgesloten voor een bedrag van € 650.000,--.
(iv) Voorafgaand aan de levering van de woning heeft de vrouw een bedrag van € 435.000,-- aan de man overgemaakt onder de vermelding ‘lening’.
(v) In 2019 is de woning verkocht. De netto verkoopopbrengst bedroeg ruim € 1 miljoen, die in de verhouding 60%-40% tussen de man en de vrouw is verdeeld.
In dit geding heeft de vrouw, voor zover in cassatie nog van belang, verzocht te bepalen dat de man het hiervoor in 2.1 onder (iv) vermelde bedrag aan haar dient terug te betalen. Zij stelt dat zij het bedrag in de vorm van een lening aan de man heeft verstrekt.De rechtbank1 heeft dit verzoek afgewezen.
Het hof2 heeft de beschikking van de rechtbank in zoverre bekrachtigd. Het heeft daartoe overwogen:
“Standpunten van partijen
De vrouw stelt dat zij bij de verwerving van de woning (...) een eigendomsaandeel van 40% in die woning heeft verkregen, en dat zij daarnaast – en los van de verkrijging van dat eigendomsaandeel – ook een bedrag van € 435.000,- aan de man heeft geleend. Zij betwist de stelling van de man dat zij dit bedrag aan de man heeft betaald als investering in de woning, in ruil waarvoor zij het eigendomsaandeel van 40% heeft verkregen. De vrouw wijst erop dat het bedrag van € 435.000,- in augustus 2012 op de rekening van de man is gestort met de omschrijving “lening”. Zij stelt daarbij dat een schriftelijke vorm voor een lening slechts vereist is als sprake is van een tegenprestatie in de vorm van rente. Bovendien hebben partijen bij eerdere leningen van de vrouw aan de man ook niets vastgelegd. In het verleden heeft de man veel winst gemaakt door de verkoop van zijn woning(en) in Frankrijk, onder meer met geld dat hij van de vrouw had geleend. Dit keer wilde zij het anders regelen, zodat zij kon meeprofiteren van een eventuele waardestijging van de woning. Ter zitting bij het hof heeft de vrouw verklaard dat zij het niet eerlijk vond dat zij niet meedeelde in de gemaakte winst en dat partijen om die reden zijn overeengekomen dat zij – zonder tegenprestatie – een eigendomsaandeel van 40% in de woning (...) zou verkrijgen. De vrouw heeft bewijs aangeboden van haar stellingen, in het bijzonder door het horen van getuigen ten aanzien van de lening van € 435.000,- aan de man.
De man betwist de verklaring van de vrouw. De vrouw stond volgens de man voorafgaand aan de verkrijging van de woning voor de volgende keuzen: ofwel zij kon het bedrag van € 435.000,- aan de man lenen, waarbij zij geen eigendomsaandeel zou verkrijgen en zij dus niet zou delen in een eventuele waardestijging van de woning, ofwel zij kon tegen dat bedrag een eigendomsaandeel in de woning financieren en aldus dat bedrag investeren in de woning. In dat laatste geval zou zij wel delen in de eventueel te maken winst. Op het moment dat de vrouw de bank opdracht gaf om het bedrag aan de man over te maken, was het nog de bedoeling dat zij dit bedrag aan de man zou lenen. Daarna, nog voordat de levering van de woning plaatsvond, heeft zij toch voor de laatst genoemde optie gekozen. Zij heeft daarna echter niet de vermelding ‘lening’ bij de overschrijving van het bedrag van € 435.000,- aan de man gecorrigeerd, aldus de man. Indien sprake was geweest van een lening, dan had het op de weg van de vrouw gelegen om de voorwaarden op papier te zetten. Volgens de man stelt de vrouw nu impliciet dat het bedrag van € 435.000,- een oneindige en rentevrije lening zou zijn. Bovendien heeft de vrouw vóór mei 2019 nooit kenbaar gemaakt dat zij dit bedrag aan de man zou hebben geleend, ook niet toen partijen in 2013 hun huwelijkse voorwaarden hebben gewijzigd.
Oordeel hof
In hoger beroep ligt in dit verband alleen de vraag voor of al dan niet sprake is van een lening van de vrouw aan de man van € 435.000,-. (...) De vraag is (...) of de vrouw haar eigendomsaandeel van 40% om niet heeft verkregen en daarnaast € 435.000,- aan de man heeft geleend, of dat zij dit bedrag aan de man heeft betaald ter verkrijging van haar eigendomsaandeel van 40%. Immers, de vordering van de vrouw op de man van € 435.000,- – naast de wijze van verdeling van de overwaarde van de woning zoals die door de rechtbank is vastgesteld en die in hoger beroep niet in geschil is – is alleen toewijsbaar wanneer zowel komt vast te staan dat de vrouw dit bedrag aan de man heeft geleend als dat zij haar eigendomsaandeel van 40% om niet heeft verkregen.
Vast staat dat de vrouw een bedrag van € 435.000,- aan de man heeft overgemaakt met de omschrijving “lening” (...). Gelet op de feitelijke stellingen van partijen over en weer rijst allereerst de vraag of met deze overschrijving tussen partijen een overeenkomst van lening tot stand is gekomen; de man stelt immers dat dit laatste weliswaar op 21 augustus 2012 één van de opties was, maar dat de vrouw er daarna toch voor heeft gekozen om dit bedrag aan de man te betalen ter verkrijging van een eigendomsaandeel van 40% in de woning. Met deze stellingen betwist de man gemotiveerd dat op 31 augustus 2012, de datum van de levering van de woning, (nog) sprake was van een afspraak tussen partijen inhoudende dat de vrouw hem € 435.000,- zou lenen. Daarnaast heeft te gelden dat (...) voor toewijzing van de vordering van de vrouw daarnaast nog moet komen vast te staan dat tussen partijen is afgesproken dat zij haar eigendomsaandeel van 40% om niet zou verkrijgen.
De vrouw heeft weliswaar bewijs aangeboden van haar stelling dat partijen zijn overeengekomen dat zij het bedrag van € 435.000,- aan de man zou lenen, maar niet van haar stelling dat zij het eigendomsaandeel van 40% in de woning (...) om niet heeft verkregen. Het hof is van oordeel dat de vrouw die laatste stelling, waarvoor zij dus geen bewijsaanbod heeft gedaan, niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd. In de stukken is er geen enkele aanwijzing te vinden voor het bestaan van een dergelijke afspraak tussen partijen. Hieruit volgt dat, ook indien de vrouw zou slagen in een eventuele bewijsopdracht met betrekking tot de gestelde lening, dit niet tot toewijzing van haar vordering kan leiden, omdat daarmee niet komt vast te staan dat de betaling later niet de titel heeft gekregen van betaling voor het aandeel van 40% in de woning. Om die reden zal het hof het bewijsaanbod van de vrouw ter zake van de vermeende lening passeren en de bestreden beschikking op het punt van de vordering van de vrouw met betrekking tot de lening bekrachtigen.”
3 Beoordeling van het middel in het principale beroep
Het middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat de vordering van de vrouw op de man van € 435.000,-- alleen toewijsbaar is wanneer zowel komt vast te staan dat de vrouw dit bedrag aan de man heeft geleend als dat zij haar eigendomsaandeel van 40% om niet heeft verkregen (rov. 5.10, slot), dat ook indien de vrouw zou slagen in een eventuele bewijsopdracht met betrekking tot de gestelde lening, dit niet tot toewijzing van haar vordering kan leiden, omdat daarmee niet komt vast te staan dat de betaling later niet de titel heeft gekregen van betaling voor het aandeel van 40% in de woning, en dat de vrouw van die laatste stelling geen bewijs heeft aangeboden en die stelling evenmin voldoende heeft onderbouwd (rov. 5.11).
Volgens onderdeel 4 van het middel heeft het hof miskend dat het aan de man was om zijn stelling te onderbouwen en te bewijzen dat de vrouw tussen 21 en 31 augustus 2012 van gedachte is veranderd ten aanzien van de grondslag van de betaling van € 435.000,--. Het onderdeel slaagt. Vanuit het uitgangspunt dat de vrouw het bedrag van € 435.000,-- aanvankelijk aan de man heeft geleend, welke mogelijkheid het hof in het midden heeft gelaten, levert het betoog van de man dat de lening later is gewijzigd in een investering een bevrijdend verweer op, ten aanzien waarvan de man de stelplicht en de bewijslast draagt. Het hof heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de vordering tot terugbetaling van het bedrag alleen toewijsbaar is indien de vrouw niet alleen bewijst dat zij het bedrag van € 435.000,-- aan de man heeft geleend, maar ook dat zij haar aandeel in de woning om niet heeft verkregen.
De onderdelen 2.3 en 3 klagen onder meer dat het hof heeft verzuimd in zijn beoordeling te betrekken de essentiële stellingen van de vrouw (i) dat zij haar aandeel in de woning heeft verkregen ter compensatie van het niet delen in de aanzienlijke winst op de verkoop voor een bedrag van € 3,1 miljoen van de tweede woning in Frankrijk, voor de bouw waarvan de vrouw destijds aan de man een lening heeft verstrekt van € 500.000,-- en (ii) dat een bedrag van € 435.000,-- niet overeenkomt met 40% van de aankoopsom voor de woning. Deze klacht behoeft, gelet op het slagen van onderdeel 4, geen behandeling. Na verwijzing zullen deze stellingen in de verdere beoordeling van het geschil moeten worden betrokken.
De overige klachten van het middel behoeven evenmin behandeling.