Parket bij de Hoge Raad, 28-10-2022, ECLI:NL:PHR:2022:998, 22/00053
Parket bij de Hoge Raad, 28-10-2022, ECLI:NL:PHR:2022:998, 22/00053
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2022
- Datum publicatie
- 21 november 2022
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2022:998
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:639, Gevolgd
- Zaaknummer
- 22/00053
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht. Is het bedrag van € 435.000 een geldlening of de betaling van een aandeel van de vrouw in de echtelijke woning? Passeren bewijsaanbod. Inc. middel: ten onrechte vordering t.z.v. beslagkosten afgewezen.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/00053
Zitting 28 oktober 2022
CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[de vrouw]
(hierna: de vrouw)
tegen
[de man]
(hierna: de man)
1 Inleiding en samenvatting
In deze zaak gaat het in het principale cassatieberoep om één resterend geschilpunt uit de echtscheidingsprocedure tussen partijen. De vrouw en de man verschillen van mening over een bedrag van € 435.000,-. Volgens de vrouw betreft dit een geldlening aan de man, volgens de man heeft de vrouw na de overmaking van dit bedrag aan de man ervoor gekozen om dit bedrag aan de man te betalen ter verkrijging door de vrouw van een eigendomsaandeel van 40% in de voormalige echtelijke woning. Het hof heeft de vordering van de vrouw tot terugbetaling door de man aan de vrouw van € 435.000,- wegens een door de vrouw aan de man verstrekte lening afgewezen. In het principale cassatieberoep wordt door de vrouw onder meer geklaagd dat het hof buiten de rechtsstrijd is getreden, essentiële stellingen heeft gepasseerd en het bewijsaanbod van de vrouw ten onrechte heeft gepasseerd.De man heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Dit incidentele cassatieberoep is gericht tegen het oordeel van het hof dat het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen tot betaling van de kosten, verband houdende met het door de vrouw gelegde beslag ten laste van de man, moet worden afgewezen.Door de man wordt – samengevat – geklaagd dat de beslissing van het hof dat niet is komen vast te staan dat de vrouw het beslag zonder rechtsgrond heeft gelegd, zodat het onrechtmatig karakter van haar handelen ontbreekt en de vordering van de man daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans onbegrijpelijk is en daarmee ondeugdelijk met redenen omkleed.
2 Feiten en procesverloop
Feiten 1
Partijen zijn gehuwd op 22 mei 1990 te [plaats 1] na het maken van huwelijkse voorwaarden.
Tijdens het huwelijk zijn twee, inmiddels meerderjarige, kinderen geboren.
In hoger beroep is gebleken dat de echtscheiding tussen partijen op 27 oktober 2020 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Procesverloop voor zover in cassatie nog van belang 2
De vrouw heeft op 29 mei 2019 bij de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) een verzoek tot echtscheiding ingediend. Daarnaast heeft de vrouw verzocht, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens – voor zover in cassatie nog van belang:
- te bepalen dat de voormalige echtelijke woning, alsmede alle daarop rustende hypothecaire schulden – onder ontslag van de vrouw uit de aansprakelijkheid – aan de man zullen worden toebedeeld conform de tussen partijen gemaakte afspraak tegen betaling aan de vrouw van een bedrag ad € 600.000,- en dat de kosten van de notariële overdracht door de man zullen worden voldaan, bij gebreke waarvan de vrouw gerechtigd is om zonder toestemming van de man – en in de plaats daarvan met de ten deze te geven beschikking – de woning te verkopen aan de meest biedende partij;
- te bepalen dat de man aan de vrouw dient terug te betalen een bedrag ad € 435.000,- op grond van de lening, die de vrouw aan de man heeft verstrekt.
De man heeft verweer gevoerd. Verder heeft de man zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken met nevenvoorzieningen en (na wijziging) verzocht, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad – voor zover in cassatie nog van belang:
- te bepalen dat de verkoopopbrengst van de woning, de thans resterende verkoopsom, van € 611.277,20 aan de man toekomt;
- de vrouw te veroordelen haar medewerking te verlenen dat een bedrag van € 611.277,20 dat [de notaris] onder zich heeft, binnen twee dagen na betekening van de te wijzen beschikking, op een door de man aan te geven rekeningnummer wordt gestort, met veroordeling van de vrouw om aan de man te betalen een direct opeisbare en niet voor compensatie vatbare dwangsom van € 2.500,- met een maximum van € 100.000,- voor elke dag dan wel dagdeel dat de vrouw daarmee in gebreke blijft;
- te bepalen dat de vrouw alle kosten die door de notaris in rekening zijn gebracht c.q. in rekening worden gebracht die verband houden met het door de vrouw gelegde beslag voor haar rekening dient te nemen;
- de vrouw te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan de man ter hoogte van de wettelijke rente over een bedrag van € 681.644, te rekenen vanaf 8 oktober 2019 dan wel over het bedrag waarvoor de vordering is afgewezen dan wel over het bedrag dat de rechtbank in goede justitie juist acht;
- voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Op 17 juni 2020 is de zaak ter zitting van de rechtbank behandeld. Bij die gelegenheid zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten, verschenen. Door de advocaten van partijen zijn pleitnotities voorgedragen en overgelegd. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
De rechtbank heeft bij beschikking van 19 augustus 2020 tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Naast het uitspreken van de echtscheiding heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, de (wijze van) verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap als volgt vastgesteld:
- aan de man komt toe 60% van de netto verkoopopbrengst van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats 2] , zijnde € 611.277,20;
- aan de vrouw komt toe 40% van de netto verkoopopbrengst van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats 2] , zijnde € 407.264,54.
De rechtbank heeft de beschikking – met uitzondering van de uitspraak ten aanzien van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad verklaard, bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt en het meer of anders verzochte afgewezen.
De vrouw is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof). Zij heeft het hof verzocht, voor zover in cassatie van belang, de bestreden beschikking – zo nodig onder aanvulling van gronden – te vernietigen (naar het hof heeft begrepen: slechts voor zover zij daartegen grieven heeft gericht3) en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man te veroordelen tot terugbetaling aan de vrouw van een bedrag ad € 435.000,- wegens een door de vrouw aan de man verstrekte lening.
De man heeft een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend. Hij heeft het hof in principaal hoger beroep verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in hoger beroep, althans deze verzoeken af te wijzen. In incidenteel appel heeft de man, voor zover in cassatie van belang, het hof verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de afwijzing van de nevenvoorziening ex art.827 lid 1 sub f van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) betreft en de vrouw te veroordelen in de kosten van het beslag, te weten:
- een bedrag van € 4.102,-, zijnde de kosten per 18 januari 2021;
- de nog te maken kosten, te voldoen aan de notaris;
- het betalen van de wettelijke rente over € 611.277,20 vanaf 1 oktober 2019 tot 21 januari 2021 en over € 435.000.- vanaf 21 januari 2021 tot de dag der feitelijke vrijgave/overgang naar bankgarantie;
- het voldoen van een dwangsom van € 2.500,- per dag, primair vanaf de dag van de aangeboden bankgarantie d.d. 16 oktober 2019 en subsidiair vanaf de dag dat het hof juist acht, met een maximum van € 100.000,-;
- het voldoen van de kosten van de bankgarantie ad € 4.500,- indien de vrouw meewerkt aan overmaking van het saldo van de notaris naar de bank.
De vrouw heeft een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend en het hof verzocht de grieven van de man in het incidenteel hoger beroep ongegrond te verklaren.
De mondelinge behandeling heeft op 26 augustus 2021 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
Het hof heeft bij beschikking van 6 oktober 2021, in het principaal en in het incidenteel hoger beroep, voor zover in cassatie van belang:
- het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen in de kosten van het beslag afgewezen;
- de bestreden beschikking bekrachtigd voor zover daarin het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man aan haar dient terug te betalen een bedrag van € 435.000,- in verband met een door de vrouw aan de man verstrekte lening is afgewezen;
- deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- de proceskosten in hoger beroep gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
- het meer of anders verzochte afgewezen.
De vrouw heeft van de beschikking van het hof – tijdig4– beroep in cassatie ingesteld en in de procesinleiding een voorbehoud gemaakt tot aanvulling van het middel aangezien op het moment van indiening van de procesinleiding er nog geen proces-verbaal van de zitting bij het hof op 26 augustus 2021 beschikbaar was. De vrouw heeft op 14 januari 2022 een aanvullende procesinleiding ingediend. De man heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en geconcludeerd tot verwerping. Tevens heeft de man incidenteel cassatieberoep ingesteld. De vrouw heeft een verweerschrift in het incidenteel cassatieberoep ingediend en geconcludeerd tot verwerping van het incidenteel cassatieberoep.
3 Bespreking van het principale cassatiemiddel
In het principaal cassatieberoep gaat het om nog één resterend geschilpunt ten gevolge van de echtscheiding, dat ziet op een vermeende vordering van de vrouw op de man van € 435.000,- wegens geldlening.5
Het principale cassatiemiddel bevat vijf onderdelen.
Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 5.8, waarin het hof het standpunt van de vrouw als volgt heeft weergegeven (voor de leesbaarheid citeer eveneens rov. 5.9 waarin het standpunt van de man wordt weergegeven):
“Het bedrag van € 435.000,- (grief III in principaal appel)
Standpunten van partijen 5.8 De vrouw stelt dat zij bij de verwerving van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats 2] een eigendomsaandeel van 40% in die woning heeft verkregen, en dat zij daarnaast – en los van de verkrijging van dat eigendomsaandeel – ook een bedrag van € 435.000,- aan de man heeft geleend. Zij betwist de stelling van de man dat zij dit bedrag aan de man heeft betaald als investering in de woning, in ruil waarvoor zij het eigendomsaandeel van 40% heeft verkregen. De vrouw wijst erop dat het bedrag van € 435.000,- in augustus 2012 op de rekening van de man is gestort met de omschrijving “lening”. Zij stelt daarbij dat een schriftelijke vorm voor een lening slechts vereist is als sprake is van een tegenprestatie in de vorm van rente. Bovendien hebben partijen bij eerdere leningen van de vrouw aan de man ook niets vastgelegd. In het verleden heeft de man veel winst gemaakt door de verkoop van zijn woning(en) in Frankrijk, onder meer met geld dat hij van de vrouw had geleend. Dit keer wilde zij het anders regelen, zodat zij kon meeprofiteren van een eventuele waardestijging van de woning. Ter zitting bij het hof heeft de vrouw verklaard dat zij het niet eerlijk vond dat zij niet meedeelde in de gemaakte winst en dat partijen om die reden zijn overeengekomen dat zij – zonder tegenprestatie – een eigendomsaandeel van 40% in de woning in [plaats 2] zou verkrijgen. De vrouw heeft bewijs aangeboden van haar stellingen, in het bijzonder door het horen van getuigen ten aanzien van de lening van € 435.000,- aan de man.5.9 De man betwist de verklaring van de vrouw. De vrouw stond volgens de man voorafgaand aan de verkrijging van de woning voor de volgende keuzen: ofwel zij kon het bedrag van € 435.000,- aan de man lenen, waarbij zij geen eigendomsaandeel zou verkrijgen en zij dus niet zou delen in een eventuele waardestijging van de woning, ofwel zij kon tegen dat bedrag een eigendomsaandeel in de woning financieren en aldus dat bedrag investeren in de woning. In dat laatste geval zou zij wel delen in de eventueel te maken winst. Op het moment dat de vrouw de bank opdracht gaf om het bedrag aan de man over te maken, was het nog de bedoeling dat zij dit bedrag aan de man zou lenen. Daarna, nog voordat de levering van de woning plaatsvond, heeft zij toch voor de laatst genoemde optie gekozen. Zij heeft daarna echter niet de vermelding ‘lening’ bij de overschrijving van het bedrag van € 435.000,- aan de man gecorrigeerd, aldus de man. Indien sprake was geweest van een lening, dan had het op de weg van de vrouw gelegen om de voorwaarden op papier te zetten. Volgens de man stelt de vrouw nu impliciet dat het bedrag van € 435.000,- een oneindige en rentevrije lening zou zijn. Bovendien heeft de vrouw vóór mei 2019 nooit kenbaar gemaakt dat zij dit bedrag aan de man zou hebben geleend, ook niet toen partijen in 2013 hun huwelijkse voorwaarden hebben gewijzigd.”
Het onderdeel klaagt dat het hof heeft verzuimd bij het samenvatten van het standpunt van de vrouw onder 5.8 op te nemen dat het bedrag van de lening van € 435.000,- niet als betaling kon worden opgevat, omdat dat bedrag veel meer is dan de koopprijs voor het 40% aandeel van de woning aan de [a-straat 1] . Daarnaast is van belang dat de vrouw heeft aangegeven dat partijen gewend waren om aantekeningen te maken op hun overschrijvingen. Voorts geeft de volgorde van de zinnen aan het slot van 5.8, aldus het onderdeel, een onjuiste indruk van het standpunt van de vrouw. De vrouw was alleen bereid om de man weer een grote lening te verstrekken als zij daarnaast een aandeel zou krijgen in de nieuwe woning. Met dat 40% aandeel zou de vrouw gecompenseerd worden voor de enorme winst, die de man op het huis aan de [b-straat 1] in [plaats 3] bij de verkoop van € 3.100.000,- had gemaakt, mede door de lening van de vrouw van € 500.000,-.
Ik meen dat de vrouw in cassatie geen zelfstandig belang heeft bij de in dit onderdeel opgenomen klacht over de weergave door het hof van het standpunt van de vrouw voor zover er in de volgende onderdelen geen hierop voortbouwende cassatieklacht is gericht tegen de rechtsoverwegingen van het hof. Onderdeel 1 zal dan ook in zoverre bij de bespreking van de volgende onderdelen worden betrokken.
Onderdeel 2, dat drie subonderdelen bevat, is gericht tegen rov. 5.10, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld (ik citeer eveneens rov. 5.11, waartegen de onderdelen 3 en 4 zijn gericht):
“Het bedrag van € 435.000,- (grief III in principaal appel)
(...)
Oordeel hof5.10 Bij de beoordeling van dit geschilpunt stelt het hof het volgende voorop. In hoger beroep ligt in dit verband alleen de vraag voor of al dan niet sprake is van een lening van de vrouw aan de man van € 435.000,-. Partijen hebben geen grieven gericht tegen de (wijze van) verdeling van de verkoopopbrengst van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats 2] , zoals deze door de rechtbank is gelast. Daarom kan het hof daarover geen beslissing nemen. Niettemin overweegt het hof dat de vraag of al dan niet sprake was van een lening en de wijze van verdeling van de verkoopopbrengst van de betreffende woning niet volledig los van elkaar kunnen worden gezien. De vrouw stelt immers dat zij – om niet – een eigendomsaandeel van 40% in de woning heeft verkregen en dat zij daarnaast een vordering heeft op de man van € 435.000,- als gevolg van een aan hem verstrekte lening. De man heeft daarentegen verklaard dat de vrouw het bedrag van € 435.000,- aan hem heeft betaald ter verkrijging van haar eigendomsaandeel van 40%. De vraag is dus of de vrouw haar eigendomsaandeel van 40% om niet heeft verkregen en daarnaast € 435.000,- aan de man heeft geleend, of dat zij dit bedrag aan de man heeft betaald ter verkrijging van haar eigendomsaandeel van 40%. Immers, de vordering van de vrouw op de man van € 435.000,- – naast de wijze van verdeling van de overwaarde van de woning zoals die door de rechtbank is vastgesteld en die in hoger beroep niet in geschil is – is alleen toewijsbaar wanneer zowel komt vast te staan dat de vrouw dit bedrag aan de man heeft geleend als dat zij haar eigendomsaandeel van 40% om niet heeft verkregen.5.11 Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de vrouw een bedrag van € 435.000,- aan de man heeft overgemaakt met de omschrijving “lening” en dat zij [betrokkene 1] , werkzaam bij InsingerGilissen Bankiers, daartoe op 21 augustus 2012 opdracht heeft gegeven. Gelet op de feitelijke stellingen van partijen over en weer rijst allereerst de vraag of met deze overschrijving tussen partijen een overeenkomst van lening tot stand is gekomen; de man stelt immers dat dit laatste weliswaar op 21 augustus 2012 één van de opties was, maar dat de vrouw er daarna toch voor heeft gekozen om dit bedrag aan de man te betalen ter verkrijging van een eigendomsaandeel van 40% in de woning. Met deze stellingen betwist de man gemotiveerd dat op 31 augustus 2012, de datum van de levering van de woning, (nog) sprake was van een afspraak tussen partijen inhoudende dat de vrouw hem € 435.000,- zou lenen. Daarnaast heeft te gelden dat, zoals hiervoor in r.o. 5.10 fine is overwogen, voor toewijzing van de vordering van de vrouw daarnaast nog moet komen vast te staan dat tussen partijen is afgesproken dat zij haar eigendomsaandeel van 40% om niet zou verkrijgen. De vrouw heeft weliswaar bewijs aangeboden van haar stelling dat partijen zijn overeengekomen dat zij het bedrag van € 435.000,- aan de man zou lenen, maar niet van haar stelling dat zij het eigendomsaandeel van 40% in de woning in [plaats 2] om niet heeft verkregen. Het hof is van oordeel dat de vrouw die laatste stelling, waarvoor zij dus geen bewijsaanbod heeft gedaan, niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd. In de stukken is er geen enkele aanwijzing te vinden voor het bestaan van een dergelijke afspraak tussen partijen. Hieruit volgt dat, ook indien de vrouw zou slagen in een eventuele bewijsopdracht met betrekking tot de gestelde lening, dit niet tot toewijzing van haar vordering kan leiden, omdat daarmee niet komt vast te staan dat de betaling later niet de titel heeft gekregen van betaling voor het aandeel van 40% in de woning. Om die reden zal het hof het bewijsaanbod van de vrouw ter zake van de vermeende lening passeren en de bestreden beschikking op het punt van de vordering van de vrouw met betrekking tot de lening bekrachtigen.”
In subonderdeel 2.1 wordt – samengevat – geklaagd dat het hof in rov. 5.10 met de overweging “Niettemin overweegt het hof dat de vraag of al dan niet sprake was van een lening en de wijze van verdeling van de verkoopopbrengst van de betreffende woning niet volledig los van elkaar kunnen worden gezien.” buiten de rechtsstrijd is getreden door opnieuw de verdeling aan de orde te stellen en daarmee het verweer van de man tegen de door de vrouw gestelde geldlening uit te breiden. Daarmee miskent het hof, aldus het subonderdeel, dat de man geen vergoedingsvordering heeft ingesteld voor het -om niet- verkrijgen van het aandeel van de vrouw in de woning, welke eventuele vordering zou hebben kunnen leiden tot een andere verdeling dan de door de rechtbank vastgestelde verdeling van de verkoopopbrengst. Die proceskeuze heeft de man echter niet gemaakt en daarmee is het recht van de vrouw op het aandeel in de overwaarde van de woning definitief vastgesteld.
Dit subonderdeel kan niet tot cassatie leiden. Hoewel het hof het heeft over ‘de wijze van verdeling’ blijkt uit het vervolg van de overweging dat het hof hierbij het oog heeft gehad op de financiering van de verkrijging door de vrouw van haar eigendomsaandeel van 40% in de woning en niet de verdeling opnieuw aan de orde heeft gesteld. Het hof heeft – nu hiertegen geen grieven waren gericht – terecht geen beslissing genomen over het aandeel van partijen in de overwaarde van de woning en terecht overwogen dat de wijze van verdeling van de overwaarde van de woning zoals die door de rechtbank is vastgesteld, in hoger beroep niet in geschil is. Het hof heeft op basis van het partijdebat geconstateerd dat de verkrijging van het eigendomsaandeel in de woning door de vrouw en de vraag of al dan niet sprake was van een lening niet los van elkaar gezien kunnen worden, aangezien de man immers heeft aangevoerd dat er geen sprake was van een lening maar dat de vrouw het bedrag aan hem heeft betaald ter verkrijging van haar eigendomsaandeel. Niet valt dan ook in te zien op welke wijze het hof het verweer van de man heeft uitgebreid. In de redenering van de man zou overigens ook geen sprake zijn van het ontstaan van een vergoedingsvordering van de man aangezien de vrouw haar aandeel dan niet om niet zou hebben verkregen. Ten overvloede merk ik op dat de vrouw zelf ook een koppeling legt tussen de lening en de verkrijging van het eigendomsaandeel aangezien zij heeft aangevoerd (zie ook onderdeel 1) dat zij de man alleen een lening zou geven als zij zonder tegenprestatie een eigendomsaandeel van 40% in de woning in [plaats 2] zou verkrijgen.
Subonderdelen 2.2 en 2.3 en onderdelen 3 en 4
De subonderdelen 2.2 en 2.3 alsmede de onderdelen 3 en 4 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Ik geef om die reden hierna eerst de (sub)onderdelen weer alvorens tot behandeling over te gaan.
Subonderdeel 2.2 klaagt dat het hof met het oordeel aan het slot van rov. 5.10 dat de vordering van de vrouw op de man van € 435.000,- alleen toewijsbaar is wanneer zowel komt vast te staan dat de vrouw dit bedrag aan de man heeft geleend als dat zij haar eigendomsaandeel van 40% om niet heeft verkregen, heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van een overeenkomst van geldlening en voor zover dat oordeel berust op de gedachte dat alsnog moet komen vast te staan dat de vrouw haar aandeel om niet zou hebben verkregen, het hof onvoldoende inzicht heeft gegeven in de gevolgde gedachtegang nu, zoals eerder gezegd, eveneens vast staat dat de man geen -al dan niet voorwaardelijke- vergoedingsvordering tegen de vrouw heeft ingesteld voor haar 40% aandeel in de woning voor het geval de stelling van de vrouw, dat er sprake is van een geldlening, zou worden toegewezen. De vraag of er sprake is van een geldlening, die terugbetaald moet worden, staat, aldus het subonderdeel, los van de vastgestelde verdeling van de verkoopopbrengst, waartegen de man immers niet heeft gegriefd.
In subonderdeel 2.3 wordt geklaagd dat het hof in voormelde overweging, die erop neerkomt dat voor het antwoord op de vraag of er sprake is van een geldlening mede bepalend is of komt vast te staan dat de vrouw haar aandeel om niet heeft verkregen, heeft miskend dat de vrouw heeft gesteld dat zij haar aandeel in de woning heeft verkregen ter compensatie van het niet delen in de aanzienlijke winst op de verkoop voor een bedrag van 3,1 miljoen euro van de tweede woning in Frankrijk, voor de bouw waarvan de vrouw destijds aan de man een lening heeft verstrekt van € 500.000,-. Die stelling heeft rechtsgevolg en is niet door de man betwist. Daarnaast heeft de vrouw aanspraak gemaakt op haar aandeel in de woning voor het wederom in 2012, ter financiering van de woning in [plaats 2] , aan de man lenen van een bedrag van € 435.000,-, welk bedrag aanzienlijk meer is dan het evenredig aandeel van 40% van de aankoopsom in 2012 van € 1225.000,-. Welbeschouwd heeft de vrouw nauwelijks een jaar nadat zij de lening van € 500.000,- in 2011 nominaal had teruggekregen, het merendeel van dat bedrag in augustus 2012 al weer aan de man terug overgemaakt als lening voor de financiering van de woning in [plaats 2] . Op dit punt berust het oordeel van het hof op een onjuiste feitelijke grondslag, althans is de gevolgde gedachtegang van het hof onvoldoende inzichtelijk en daarmee onbegrijpelijk, nu het hof voorbij gaat aan de essentiële stelling van de vrouw dat het bedrag van de lening ad € 435.000,- zelfs 75,65% van de aankoopsom van de woning ad € 1.225.000,- bedroeg. Daarop stuit immers het verweer van de man af, aldus het subonderdeel, dat de vrouw het bedrag van € 435.000,- aan hem heeft willen betalen ter verkrijging van haar eigendomsaandeel van 40%.
Tot slot wordt in onderdeel 2 geklaagd dat voormelde onjuiste rechtsopvatting aan het slot van rov. 5.10 door werkt in het midden van rov. 5.11, waar het hof overweegt dat daarnaast heeft te gelden dat voor toewijzing van de vordering van de vrouw nog moet komen vast te staan, dat tussen partijen is afgesproken dat zij haar eigendomsaandeel van 40% om niet zou verkrijgen.
Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 5.11 (zie hiervoor onder 3.6 voor een weergave hiervan).
In onderdeel 3 wordt door de vrouw allereerst naar voren gebracht dat het hof aan het begin van rov. 5.11 vaststelt dat de vrouw aan de man een bedrag van € 435.000,- met de omschrijving ‘lening’ heeft overgemaakt. Gegeven het feit dat dit bedrag tot op heden niet door de man aan de vrouw is terugbetaald, heeft de vrouw in beginsel aan haar stelplicht voldaan om de grondslag van haar vordering te kwalificeren als een overeenkomst van geldlening, die moet worden terugbetaald. Pas bij de voorbereiding van het hoger beroep heeft de vrouw extra stukken kunnen krijgen bij [A] , waaruit de uitgebreid beschreven opdracht tot overschrijving naar de man van een bedrag ad € 435.000,- met de herhaalde vermelding ‘lening’. De in eerste aanleg nog door de man ontkende ontvangst van het bedrag van de aandelenoverdracht ad € 156.952,78, wordt in het verweerschrift in appel door de man alsnog erkend.
Het onderdeel klaagt vervolgens dat zonder nadere uitleg onjuist althans onbegrijpelijk is de overweging van het hof dat de man de vordering van de vrouw voldoende gemotiveerd zou hebben betwist met de stelling dat de vrouw ten tijde van de opdracht aan de bank wel de optie heeft gehad om € 435.000,- aan de man te lenen, maar dat de vrouw daarna, kennelijk in de periode van 21 tot 31 augustus 2012, ervoor zou hebben gekozen om hetzelfde bedrag aan de man te betalen op de enkele grond dat zij op 31 augustus 2012 een aandeel van 40% in de woning geleverd heeft gekregen.Voor zover het hof heeft bedoeld dat de man de vordering van de vrouw voldoende heeft betwist met het ‘Nee, want....ze heeft betaald voor haar aandeel’ verweer, inhoudende dat de vrouw het bedrag van € 435.000,- toch op 31 augustus 2012 aan de man heeft willen betalen (in plaats van te lenen) ter verkrijging van een eigendomsaandeel van 40% in de woning, heeft het hof geen inzicht gegeven in zijn gedachtengang waarom het de essentiële stelling van de vrouw heeft gepasseerd dat een bedrag van € 435.000,- niet overeenkomt met 40% van de aankoopsom voor de woning. Daaruit volgt immers onomstotelijk dat de vrouw niet voornemens was om € 435.000,- te betalen voor een 40% aandeel in de woning. Zoals gezegd, was, aldus het onderdeel, tussen partijen immers afgesproken dat de man de kosten van de verbouwingen zou dragen, hetgeen nog onderstreept waarom de vrouw bij de levering op 31 augustus 2012 geen bedrag van € 435.000,- voor het 40% aandeel zou behoeven te betalen. Onduidelijk en daarmee onbegrijpelijk blijft daarmee aan de hand van welke feitelijke stellingen van de vrouw het hof tot het oordeel heeft kunnen komen dat de vrouw een dergelijke, door de man beweerde, afweging heeft gemaakt in de periode van 21 tot 31 augustus 2012 en vervolgens van gedachten zou zijn veranderd. In de redenering van het hof wordt niet duidelijk waarom de vrouw bereid zou zijn geweest om een veel te hoog bedrag te betalen voor een aandeel van 40% in de woning en bovendien geheel zou afzien van de bij de lening bedongen compensatie voor de door de man zelf als ‘flinke’ winst aangemerkte opbrengst op de laatste woning in Frankrijk.
Onderdeel 4 is eveneens gericht tegen rov. 5.11 (zie hiervoor onder 3.6 voor een weergave hiervan).
In het onderdeel wordt aangevoerd dat met de vaststelling door het hof dat de vrouw op 21 augustus 2012 [betrokkene 1] opdracht heeft gegeven om een bedrag aan de man over te maken van € 435.000,- met de vermelding ‘lening’ en het feit dat vaststaat dat dit bedrag niet door de man is terugbetaald, de vrouw voldoende heeft gesteld, en daartoe beperkt zich volgens het onderdeel ook de stelplicht van de vrouw, voor het honoreren van het bewijsaanbod van de vrouw ten aanzien van de overeenkomst tot geldlening, indien en voor zover bewijs daarvan nodig is. Om de in onderdeel 2 aangegeven redenen is voor het bestaan van de overeenkomst van geldlening niet vereist dat komt vast te staan dat de vrouw het aandeel van de woning om niet heeft verkregen en evenmin is, om de in onderdeel 3 aangegeven redenen, daarvoor vereist dat de vrouw niet van gedachten zou zijn veranderd en op 31 augustus 2012 niet met het bedrag van de geldlening alsnog zou hebben willen betalen voor de levering aan haar van het 40% aandeel in de woning. Aan het slot van rov. 5.11 heeft het hof het bewijsaanbod dan ook op onjuiste gronden gepasseerd, althans is de overweging van het hof tegenstrijdig en daarmee onbegrijpelijk waar het overweegt dat ook indien de vrouw zou slagen in een eventuele bewijsopdracht met betrekking tot de gestelde lening, dit niet tot toewijzing van de vordering uit geldlening kan leiden. Met de overweging van het hof dat met het slagen van een eventueel bewijsaanbod ten aanzien van de geldlening nog niet komt vast te staan dat de betaling later niet de titel heeft gekregen van betaling voor het aandeel van de 40% in de woning, getuigt het hof van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de overeenkomst van geldlening, die ten grondslag ligt aan de vordering van de vrouw. Het is aan de man om zijn stelling te onderbouwen en te bewijzen dat de vrouw tussen 21 en 31 augustus 2012 van gedachte zou zijn veranderd en heeft willen betalen voor haar aandeel in de woning met eenzelfde bedrag als de geldlening. Zonder medewerking van de vrouw kan de man haar wilsverklaring niet eenzijdig wijzigen van geldlening naar betaling voor een aandeel in de woning. Het hof heeft daarmee geen duidelijk inzicht gegeven in diens oordeel (zie ook onderdeel 3) waarom de man met de stelling dat de vrouw van gedachten zou zijn veranderd en op 31 augustus 2012 heeft betaald voor haar aandeel in de woning, de vordering van de vrouw voldoende gemotiveerd heeft betwist.
Gezamenlijke behandeling subonderdelen 2.2 en 2.3 en onderdelen 3 en 4
Vast staat – zoals het hof ook in rov. 5.11 heeft overwogen – dat de vrouw een bedrag van € 435.000,- aan de man heeft overgemaakt met de omschrijving “lening” en dat zij [betrokkene 1] , werkzaam bij InsingerGilissen Bankiers, daartoe op 21 augustus 2012 opdracht heeft gegeven. In rov. 5.9 heeft het hof bij de weergave van het standpunt van de man opgenomen dat het “[o]p het moment dat de vrouw de opdracht gaf om het bedrag aan de man over te maken, [] nog de bedoeling [was] dat zij dit bedrag aan de man zou lenen”, alsmede dat “[d]e vrouw volgens de man voorafgaand aan de verkrijging van de woning voor de volgende keuzen stond: ofwel zij kon het bedrag van € 435.000,- aan de man lenen, waarbij zij geen eigendomsaandeel zou verkrijgen en zij dus niet zou delen in een eventuele waardestijging van de woning, ofwel zij kon tegen dat bedrag een eigendomsaandeel in de woning financieren en aldus dat bedrag investeren in de woning. In dat laatste geval zou zij wel delen in de eventueel te maken winst. (...) Daarna, nog voordat de levering van de woning plaatsvond, heeft zij toch voor de laatst genoemde optie gekozen.”
Samengevat: op 21 augustus 2012 (ten tijde van de opdracht van de vrouw aan de bank voor de overmaking) gaan beide partijen ervan uit dat het de bedoeling was dat de vrouw het bedrag van € 435.000,- aan de man zou lenen. Het hof lijkt dit vervolgens in rov. 5.11 iets minder stellig te verwoorden door te overwegen dat [cursivering; A-G] “[g]elet op de feitelijke stellingen van partijen over en weer allereerst de vraag [rijst] of met deze overschrijving tussen partijen een overeenkomst van lening tot stand is gekomen; de man stelt immers dat dit laatste weliswaar op 21 augustus 2012 één van de opties was, maar dat de vrouw er daarna toch voor heeft gekozen om dit bedrag aan de man te betalen ter verkrijging van een eigendomsaandeel van 40% in de woning.”
Het verweer van de man komt er vervolgens kortweg op neer dat op 31 augustus 2012 (de datum van de levering van de woning) er geen sprake (meer) was van een lening van het bedrag van € 435.000,- door de vrouw aan de man, maar dat de vrouw genoemd bedrag aan de man heeft betaald ter verkrijging van haar eigendomsaandeel van 40% in de woning (zie rov. 5.9-5.11).
Uitgaande van de bedoeling van partijen dat op 21 augustus 2012 met de opdracht door de vrouw aan de bank om een bedrag van € 435.000,- aan de man over te maken met de omschrijving ‘lening’ sprake was van een lening, kan het verweer van de man dat op 31 augustus 2012 de betaling echter de titel zou hebben gekregen van betaling door de vrouw voor het aandeel van de 40% in de woning, niet anders gekwalificeerd worden dan een zelfstandig (of: bevrijdend) verweer. Onderdeel 4 voert dan ook terecht aan dat het aan de man is om zijn stelling te onderbouwen en te bewijzen dat de vrouw tussen 21 en 31 augustus 2012 van gedachte zou zijn veranderd en heeft willen betalen voor haar aandeel in de woning met eenzelfde bedrag als de geldlening. Het hof heeft dit m.i. miskend door onder meer in rov. 5.11 te overwegen dat “(...) ook indien de vrouw zou slagen in een eventuele bewijsopdracht met betrekking tot de gestelde lening, dit niet tot toewijzing van haar vordering kan leiden, omdat daarmee niet komt vast te staan dat de betaling later niet de titel heeft gekregen van betaling voor het aandeel van 40% in de woning.” Bovendien heeft het hof – dat in rov. 5.11 heeft overwogen dat de man gemotiveerd heeft betwist dat op 31 augustus 2012, de datum van de levering van de woning, (nog) sprake was van een afspraak tussen partijen inhoudende dat de vrouw hem € 435.000,- zou lenen – de stelling van de vrouw dat een bedrag van € 435.000,- niet overeenkomt met 40% van de aankoopsom voor de woning,6 ten onrechte onbesproken gelaten.
Indien er echter van zou moeten worden uitgegaan dat het nog maar de vraag was of met de overschrijving – waartoe de vrouw op 21 augustus 2012 de bank opdracht heeft gegeven – tussen partijen een overeenkomst van lening tot stand is gekomen, nu de man, zoals het hof in rov. 5.11 overweegt, immers stelt dat dit op 21 augustus 2012 “één van de opties was”, getuigt het passeren door het hof van het bewijsaanbod van de vrouw ter zake van de vermeende lening met de overweging dat “(...) ook indien de vrouw zou slagen in een eventuele bewijsopdracht met betrekking tot de gestelde lening, dit niet tot toewijzing van haar vordering kan leiden, omdat daarmee niet komt vast te staan dat de betaling later niet de titel heeft gekregen van betaling voor het aandeel van 40% in de woning.” van een onjuiste rechtstoepassing, althans heeft het hof het passeren van het bewijsaanbod van de vrouw onvoldoende gemotiveerd. De vrouw heeft bewijs aangeboden van haar stelling dat partijen zijn overeengekomen dat zij het bedrag van € 435.000,- aan de man zou lenen (zie p. 10 van het beroepschrift van de vrouw en rov. 5.11 van de beschikking van het hof7). De vrouw zou door de mogelijkheid van bewijslevering wellicht bewijs hebben kunnen leveren van haar stelling dat er (in elk geval) op 21 augustus 2012 sprake was van een lening, waarna het – gelet op het zelfstandige verweer van de man – aan de man was geweest om zijn stelling te onderbouwen en zo nodig te bewijzen dat de vrouw tussen 21 augustus 2012 en 31 augustus 2012 van gedachte zou zijn veranderd. Slaagt de man hierin, dan is er m.i. geen sprake van een lening maar van een financiering van het 40%-eigendomsaandeel van de woning en heeft de vrouw in dit verband uitsluitend recht op de door de rechtbank vastgestelde 40% van de netto verkoopopbrengst van de woning. Slaagt de man niet hierin, dan leidt dit er naar mijn mening toe dat de vrouw naast deze netto-verkoopopbrengst (de man heeft voor zover ik hebben kunnen nagaan geen vergoedingsvordering ingesteld jegens de vrouw ter zake de financiering van haar aandeel in de woning8) nog een vordering op de man heeft ter zake van de lening.
In het licht van voorgaande bewijslastverdeling is verder onbegrijpelijk het oordeel van het hof in rov. 5.10 dat “(...) de vordering van de vrouw op de man van € 435.000,- – naast de wijze van verdeling van de overwaarde van de woning zoals die door de rechtbank is vastgesteld en die in hoger beroep niet in geschil is – alleen toewijsbaar [is] wanneer zowel komt vast te staan dat de vrouw dit bedrag aan de man heeft geleend als dat zij haar eigendomsaandeel van 40% om niet heeft verkregen.”, alsmede het oordeel van het hof in rov. 5.11 dat “[d]aarnaast heeft te gelden dat, zoals hiervoor in r.o. 5.10 fine is overwogen, voor toewijzing van de vordering van de vrouw daarnaast nog moet komen vast te staan dat tussen partijen is afgesproken dat zij haar eigendomsaandeel van 40% om niet zou verkrijgen.”
Het voorgaande leidt ertoe dat de subonderdelen 2.2. en 2.3, alsmede de onderdelen 3 en 4 slagen.
Onderdeel 5 klaagt – zeer verkort samengevat – dat de vrouw van mening is dat voormelde klachten, in samenhang gelezen, ertoe leiden dat de beslissing van het hof niet in stand kan blijven en dat zonder nadere redengeving onjuist althans onbegrijpelijk is het oordeel van het hof waarbij het de stelling van de man volgt dat de vrouw met de verkrijging van het aandeel in de woning een keuze zou hebben gemaakt, waarbij zij zou hebben afgezien van haar aanspraak op compensatie voor het verschaffen van de eerdere lening voor de woning in Frankrijk, dan wel bij de man die gerechtvaardigde verwachting zou hebben gewekt, en dientengevolge geen aanspraak meer zou kunnen maken op terugbetaling van de aan de man geleende gelden ter grootte van € 435.000,-.
Gelet op het slagen van de (sub)onderdelen 2.2, 2.3, 3 en 4, behoeft dit onderdeel geen behandeling.