Gerechtshof Den Haag, 16-03-2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:361, 200.260.577/01
Gerechtshof Den Haag, 16-03-2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:361, 200.260.577/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 16 maart 2021
- Datum publicatie
- 23 maart 2021
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2021:361
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:10212
- Zaaknummer
- 200.260.577/01
Inhoudsindicatie
Koop, wilsovereenstemmiing, vertegenwoordigingsbevoegdheid, ontbindende voorwaarde, dwaling, misbruik van omstandigheden
Uitspraak
Zaaknummer : 200.260.577/01
Zaaknummer rechtbank : C/09530449 / HA ZA 17-391
arrest van 16 maart 2021
inzake
[naam B.V.] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: MNB,
voormalig advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos te Wassenaar,
tegen
1 [B.V. 1] ,
2. [B.V. 2] ,
3. [B.V. 3] ,
4. [B.V. 4] ,
5. [B.V. 5] ̧
alle gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerden,
hierna te noemen: BDP c.s.,
advocaat: mr. E.E.U. Vroom te Amsterdam.
1 Het verloop van het geding
Bij exploot van 3 juni 2019 is MNB in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Den Haag van 29 augustus 2018 en 13 maart 2019. MNB heeft bij memorie van grieven tien grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en heeft producties overgelegd.
Bij memorie van antwoord hebben BDP c.s. de grieven bestreden en producties overgelegd.
Ten slotte hebben BDP c.s. arrest gevraagd.
2 Inleiding
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 29 augustus 2018 onder 2.2 tot en met 2.43 een aantal feiten vastgesteld. Deze feiten zijn niet in geschil, zodat ook het hof hiervan zal uitgaan. Met grief 1 klaagt MNB dat de rechtbank de feiten niet volledig heeft weergegeven. Deze grief kan niet tot vernietiging van de bestreden vonnissen leiden. Het hof zal bij de beoordeling van het geschil met de door MNB in hoger beroep weergegeven feiten en omstandigheden rekening houden, voor zover deze niet betwist zijn en voor zover deze relevant zijn voor de beoordeling van het geschil.
Het gaat in deze zaak over de totstandkoming van een koopovereenkomst tussen MNB en BDP c.s. ter zake van de zogenoemde “N-Certificaten” waarvan MNB houdster was. Volgens BDP c.s. is een koopovereenkomst tot stand gekomen. MNB betwist dat, althans is van mening dat de koopovereenkomst op grond van een wilsgebrek vernietigbaar is. Voor de beoordeling van het geschil zijn de volgende feiten van belang.
- -
-
i) Partijen maken onderdeel uit van de PP-groep. In de PP-groep wordt een onderneming gedreven die actief is in de visserij en visverwerking. Het bedrijf bestaat uit verschillende werkmaatschappijen. De aandelen in deze werkmaatschappijen worden gehouden door PP [Holding] B.V. (hierna: de Holding). De aandelen in de Holding worden gehouden door de Stichting Administratiekantoor van aandelen in PP [Holding] (hierna: de STAK).
- -
-
ii) De STAK heeft certificaten uitgegeven. Deze certificaten zijn verdeeld over vier staken, waarbij iedere staak in bezit is van 25% van het totale aantal uitgegeven certificaten. Er zijn J-certificaten en A-certificaten, die worden gehouden door beheersmaatschappijen van de [familie I] . En er zijn N-certificaten en D-certificaten, die worden gehouden door beheersmaatschappijen van de [familie II] . Het geschil speelt zich af tussen de staak van de familie van [X] (de D-staak) en de staak van de familie van [Y] (de N-staak).
- -
-
iii) De D-certificaten worden door BDP c.s. gehouden.
- -
-
iv) De N-certificaten werden gehouden door MNB. [Y] was tot 19 mei 2015 enig bestuurder van MNB. In de periode 20 mei 2015 tot 15 juni 2016 waren twee van zijn kinderen ( [zoon 1 van Y ] en [dochter 1 van Y ] ) gezamenlijk bestuurders. Sinds 15 juni 2016 is [Y] weer enig bestuurder van MNB. Op de N-certificaten rustte een pandrecht ten behoeve van [B.V. 6] tot zekerheid van terugbetaling van een aan MNB geleend bedrag van € 10.750.734,-.
- -
-
v) De aandelen in MNB worden gehouden door (de beheersmaatschappijen van) de vier kinderen van [Y] : [zoon 2 van Y ] (hierna: [zoon 2 van Y ] ), [dochter 2 van Y ] (hierna: [dochter 2 van Y ] ), [zoon 1 van Y ] (hierna: [zoon 1 van Y ] ) en [dochter 1 van Y ] (hierna: [dochter 1 van Y ] ).
- -
-
vi) Bij brief van 10 oktober 2014 heeft [dochter 1 van Y ] aan [X] gevraagd of de staak van [X] interesse heeft in de 25% certificaten van aandelen in de PP [Holding] van MNB. En zo ja, welk bedrag [X] daarvoor wilde betalen. [dochter 1 van Y ] schrijft:
“Graag ontvang ik binnen 2 weken een schriftelijk antwoord op deze vraag. Wanneer er interesse is in onze 25% certificaten van aandelen, neem ik het antwoord serieus wanneer jullie een bedrag geboden hebben en dit bod ondertekend is door u, [geintimeerde sub 2] , [geintimeerde sub 4] en [geintimeerde sub 5] .
Wanneer er helemaal geen antwoord op mijn vraag volgt, dan ga ik ervanuit dat jullie geen interesse hebben.
[zoon 2 van Y ] , [zoon 1 van Y ] , [dochter 2 van Y ] en mijn vader [Y] zijn allen op de hoogte van dit gesprek.”
( vii) Bij e-mail van 19 november 2014 heeft [X] aan [dochter 1 van Y ] geschreven dat de familie [X] interesse had in de 25% certificaten. Hij schrijft:
“Om tot een prijsvorming te komen stellen we voor dat jullie en wij een externe adviseur inhuren die gezamenlijk in overeenstemming een derde externe adviseur inhuren. Dit driemanschap krijgt dan van jullie en ons gezamenlijk de opdracht om een waarde te bepalen van deze 25% certificaten van aandelen. Als deze drie personen vervolgens met een waardebepaling komen, hebben zowel jullie als wij het recht om nee te zeggen.
We willen dit serieus aanpakken om tot een serieuze en gedegen berekening van de waarde van de aandelen te komen. Deze drie adviseurs krijgen volledige inzage in de documenten die zij nodig denken te hebben.”
( viii) Bij e-mail van 23 november 2014 antwoordt [dochter 1 van Y ] :
“Bedankt voor uw email.
Ik begrijp uit uw antwoord dat jullie interesse hebben, mar dit voorstel is alleen niet een antwoord op mijn brief.
De bedoeling van mijn persoonlijke brief is dat er een oplossing komt in de vorm van een bod zodat we dit alles achter ons kunnen laten.
Indien jullie het serieus willen behandelen zie ik jullie bod op ons 25% PP belang alsnog binnen 14 dagen tegemoet. Wanneer er geen bod wordt uitgebracht dan gaan we er alsnog vanuit dat er geen interesse is.”
( ix) Er is vervolgens onderhandeld over een koopprijs. Uiteindelijk heeft [dochter 1 van Y ] bij e-mail van 23 december 2014 twee opties voorgelegd. Optie A hield in dat er bij overdracht in een keer een bedrag van € 122.500.000,- zou worden betaald. Optie B hield in dat er bij de overdracht een bedrag van € 120.000.000,- zou worden betaald en vervolgens, in termijnen, nog een bedrag van € 8.000.000,-. [X] heeft op 28 december 2014 voor optie A gekozen. Op 29 december 2014 heeft hij aan [dochter 1 van Y ] een koopovereenkomst voor de N-certificaten verzonden. In een e-mailbericht van 30 december 2014 heeft [dochter 1 van Y ] het volgende geantwoord:
“(...) Bedankt voor jullie email van 28 december 2014 waarin de prijzen bevestigd worden zoals vermeld in onze email van 23 december 2014.
Zoals al aangeduid in onze email van 23 december 2014, dienen formaliteiten en documenten geleverd te worden met als doel een overdracht met alleen wettelijke statutaire eisen etc. Etc.
Wij willen deze weg dan ook vervolgen (...).
[dochter 1 van Y ]
Namens de [Y] STACK”
( x) Begin 2015 is aan de orde gekomen dat was verzuimd de op grond van art. 11 van de statuten van de Holding geldende aanbiedingsprocedure te volgen. Deze procedure geldt op grond van art. 6 van Administratievoorwaarden STAK ook voor de overdracht van certificaten. Art. 11 van de statuten van de Holding houdt – voor zover hier van belang – in dat een aandeelhouder die zijn aandelen over wenst te dragen, de betreffende aandelen moet aanbieden aan zijn medeaandeelhouders. Deze aanbiedingsverplichting is niet van toepassing als iedere medeaandeelhouder schriftelijk heeft verklaard met de voorgenomen overdracht in te stemmen, welke verklaring voor een periode van drie maanden geldig is.
( xi) Bij brief van 10 februari 2015 heeft de notaris aan [Y] geschreven:
“Na onze bespreking van maandag 2 februari jl., ben ik – mede naar aanleiding van jouw opmerkingen – nauwkeurig nagegaan of de aanbiedingsprocedure op de juiste wijze is gevolgd.
Zoals jij aangaf vertoonde de gevolgde procedure hier en daar een hiaat. In overleg met [de STAK] is besloten de gehele procedure over te doen en jou een voorbeeld van een aanbiedingsbrief ter beschikking te stellen.
Als bijlage tref je daarom aan een voorbeeld van de brief die [MNB] kan verzenden aan het bestuur van [STAK]. Deze brief is dan gebaseerd op het bepaalde in artikel 6 van de Administratievoorwaarden en artikel 11 lid 1 van de statuten van [de Holding]”
- -
-
xii) Bij brief van 10 maart 2015 heeft de notaris aan [Y] de verklaring van alle betrokken certificaathouders toegestuurd, waarin zij instemmen met de voorgenomen transactie. Bij e-mail van 16 maart 2015 heeft [X] aan [dochter 1 van Y ] laten weten dat [Y] contact heeft gehad met de notaris en dat hij heeft aangegeven een andere notaris te willen aanwijzen.
- -
-
xiii) Bij e-mail van 16 april 2015 heeft [dochter 1 van Y ] een conceptovereenkomst aan [X] gestuurd. De overeenkomst houdt in dat MNB aan BDP c.s. verkoopt 1.600.000 certificaten van aandelen N in het kapitaal van PP [Holding] B.V., zoals verwoord in de e-mails van 23 en 28 december 2014. Verder bevat de conceptovereenkomst de bepaling dat door MNB geen enkele garantie of verklaring wordt verstrekt aangaande de N-certificaten.
- -
-
xiv) Vervolgens heeft de notaris bij e-mail van 28 april 2015 aan [dochter 1 van Y ] een aantal wijzigingen in de koopovereenkomst voorgesteld. Een van die wijzigingsvoorstellen betrof het opnemen van de volgende bepaling in de overeenkomst:
“Verkoper garandeert dat de certificaten vrij van beslag zijn en dat op de certificaten geen pandrecht of recht van vruchtgebruik rust én dat met betrekking tot de certificaten geen rechten bestaan krachtens welke enig persoon aanspraak kan maken op levering van een of meer van de certificaten.”
( xv) Op 5 mei 2015 heeft [dochter 1 van Y ] een aangepaste overeenkomst aan [X] verzonden. Daarin wordt ter zake van de garantiebepaling het volgende voorgesteld:
“Volgens verkoper zijn de certificaten vrij van beslag en rust er geen pandrecht op de certificaten. (Zoals door ons gemeld in voorgaande email en zoals gedocumenteerd in het certificaathoudersregister van PP [Holding] B.V. rust er nog steeds pandrecht op de certificaten. Wilt u dit pandrechtdocument aan ons opsturen, want wij kennen dit document niet). Mocht het pandrecht of beslag onoverkomelijke problemen opleveren voor verkopers dan wordt het contract ontbonden.”
- -
-
xvi) Bij e-mail van 6 mei 2015 heeft [X] de pandakte aan [dochter 1 van Y ] toegestuurd, met de mededeling dat dit pandrecht er moet worden afgehaald.
- -
-
xvii) Bij e-mail van 18 mei 2015 heeft [dochter 1 van Y ] de koopovereenkomst aan [X] toegestuurd. In deze e-mail schrijft [dochter 1 van Y ] :
“Wanneer de kopende partijen deze overeenkomst ondertekend hebben willen wij ( [zoon 1 van Y ] en [dochter 1 van Y ] ) deze bij [notaris 1] ondertekenen.”
Hierop reageert [X] als volgt:
“Dit stuk te tekenen heeft geen zin voor de volgende redenen
Jij en [zoon 1 van Y ] zijn op het moment van tekenen juridisch niet gerechtelijk om te tekenen.
We hebben afgesproken dat haring en visserij belang onderdeel is van aankoop.
Dus stel ik voor dat het stuk getekend word dat bij [notaris 1] ligt.”
- -
-
xviii) Op 19 mei 2015 heeft [X] aan [dochter 1 van Y ] gemaild dat BDP c.s. de overeenkomst de volgende ochtend zouden ondertekenen en dat de notaris diezelfde dag om 10.30 uur tijd had gereserveerd voor [dochter 1 van Y ] en [zoon 1 van Y ] . Op 20 mei 2015 zijn [dochter 1 van Y ] en [zoon 1 van Y ] verschenen op het kantoor van de notaris; BDP c.s. hadden de overeenkomst toen al ondertekend. [dochter 1 van Y ] en [zoon 1 van Y ] , die op dat moment bestuurders van MNB waren, hebben echter geweigerd de koopovereenkomst te ondertekenen.
- -
-
xix) Bij beschikking van 31 maart 2016 heeft de rechtbank Den Haag op verzoek van BDP c.s. een voorlopig getuigenverhoor bevolen ter beantwoording van de vraag of het bij het sluiten van de koopovereenkomst met betrekking tot de certificaten de bedoeling van partijen is geweest dat die certificaten door MNB zonder pandrecht verkocht en geleverd moeten worden. In het voorlopig getuigenverhoor zijn onder anderen [dochter 1 van Y ] , [Y] en [zoon 1 van Y ] als getuigen gehoord.
- -
-
xx) BDP c.s. hebben vervolgens bij dagvaarding 2 september 2016 in kort geding gevorderd dat MNB de certificaten, vrij van rechten van pand, vruchtgebruik, beslag of enige andere beperking en bezwaring, alsnog overdraagt. Bij vonnissen van 19 oktober 2016 en 6 december 2016 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag MNB veroordeeld om mee te werken aan de overdracht van de N-certificaten aan BDP c.s. tegen betaling van € 122.500.000,- door BDP c.s. aan MNB. De voorzieningenrechter heeft bepaald dat de certificaten vrij dienen te zijn van bijzondere lasten en beperkingen, waaronder beslag, pandrechten en vruchtgebruik. Verder heeft de voorzieningenrechter bepaald dat indien MNB in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, het vonnis in de plaats treedt van de wilsverklaring(en) van MNB die nodig is/zijn voor de eigendomsoverdracht.
- -
-
xxi) Bij verzoekschrift van 10 oktober 2016 heeft MNB de Ondernemingskamer van het hof Amsterdam onder meer verzocht om deskundigen te benoemen naar het beleid en de gang van zaken binnen de Holding. Meer in het bijzonder en voor zover hier van belang was MNB van mening dat de Holding zand in de ogen van de niet financieel onderlegde certificaathouders had gestrooid, door de waarde van de visquota niet in de financiële jaarstukken van de Holding op te nemen. Bij beschikking van 28 februari 2017 heeft de Ondernemingskamer het verzoek afgewezen omdat voldoende onderbouwing en concretisering van de stellingen ontbrak. Dat de Holding de door MNB gewenste informatie om de waarde van de onderneming te kunnen bepalen, niet heeft verstrekt, was geen grond om te twijfelen aan het beleid en de gang van zaken van de Holding omdat de Holding niet gehouden is dergelijke informatie te verstrekken.
- -
-
xxii) Omdat de certificaten op grond van de hiervoor onder (xx) vermelde vonnissen onbezwaard geleverd dienden te worden en MNB geen informatie wilde verstrekken over het pandrecht dat op de certificaten rustte, zijn BDP c.s. een kort geding gestart. Bij kortgedingvonnis van 1 maart 2017 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag de Beheersmaatschappij [B.V. 6] (de pandhouder) veroordeeld om binnen een week na betekening van het vonnis een verklaring af te leggen over het al dan niet vervallen zijn van het pandrecht. Verder heeft de voorzieningenrechter bepaald dat als niet aan deze veroordeling zou worden voldaan, BDP c.s. gerechtigd zijn een bedrag van € 20.000.000,- van de koopsom onder zich te houden, totdat duidelijkheid over het pandrecht is verstrekt. Verder heeft de voorzieningenrechter de notaris gelast om binnen drie weken na betekening van het vonnis een akte van levering te passeren.
- -
-
xxiii) Op 10 maart 2017 heeft de voorzieningenrechter aan BDP c.s. verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag op de koopsom.
- -
-
xxiv) Bij notariële akte van levering van 13 maart 2017 zijn de certificaten aan BDP c.s. overgedragen. Omdat Beheersmaatschappij [B.V. 6] geen verklaring had afgelegd, waren BDP c.s. gerechtigd een bedrag van 20 miljoen euro van de koopsom onder zich te houden.
In deze procedure hebben BDP c.s. – voor zover in hoger beroep van belang – een verklaring voor recht gevorderd dat de koopovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat BDP c.s. rechtsgeldig de eigendom van de N-certificaten hebben verkregen. Verder hebben zij betaling van € 2.500.000,- aan schadevergoeding gevorderd wegens het mislopen van een dividenduitkering door de Holding, die eind 2015 geeft plaatsgevonden.
MNB heeft deze vorderingen weersproken. Zij heeft in reconventie voorwaardelijk (namelijk voor zover de rechtbank zou oordelen dat er een overeenkomst tot stand is gekomen) op grond van dwaling / misbruik van recht gevorderd dat het door haar geleden nadeel zou worden opgeheven. Verder heeft zij in reconventie gevorderd dat BDP c.s. worden veroordeeld om informatie over de visquota van de PP-groep te verstrekken en heeft zij gevorderd dat er drie deskundigen worden benoemd om bindende offertes op te vragen ter zake van de visvangstrechten.
De rechtbank heeft de hiervoor weergegeven vorderingen van BDP c.s. toegewezen en de reconventionele vorderingen van MNB afgewezen.
In hoger beroep heeft MNB geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en de vorderingen van BDP c.s. zal afwijzen. In reconventie heeft zij gevorderd:
- -
-
een verklaring voor recht dat er geen koopovereenkomst tot stand is gekomen, althans dat de koopovereenkomst van rechtswege is ontbonden, althans dat de koopovereenkomst is ontbonden, althans te bepalen dat deze overeenkomst is vernietigd;
- -
-
veroordeling van BDP c.s. om op grond van art. 22 Rv aan MNB informatie te verstrekken over de visquota van de PP-groep;
- -
-
benoeming van deskundigen om offertes op te vragen ter zake van de visvangstrechten;
- -
-
terugbetaling al hetgeen MNB uit hoofde van de bestreden vonnissen aan BDP c.s. heeft voldaan.
BDP c.s. hebben geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van MNB in haar hoger beroep, dan wel tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen. BDP c.s. hebben daarnaast hun eis vermeerderd. Zij vorderen MNB te veroordelen tot betaling van wettelijke rente vanaf 9 november 2015 over het bedrag van € 2.500.000,-, welk bedrag tot en met 12 april 2019 wordt begroot op € 171.232,88.
BDP c.s. onderbouwen hun beroep op niet-ontvankelijkheid met de stelling dat MNB geen grieven heeft genomen, omdat [Y] deze namens MNB na de onttrekking van mr. Pol (een van haar vorige advocaten) zou hebben ingetrokken. Deze stelling gaat niet op. Uit de roladministratie blijkt niet dat de advocaat van MNB de memorie van grieven heeft ingetrokken.