Home

Rechtbank Den Haag, 29-08-2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:10212, C/09/530449 / HA ZA 17-391

Rechtbank Den Haag, 29-08-2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:10212, C/09/530449 / HA ZA 17-391

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29 augustus 2018
Datum publicatie
5 september 2018
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2018:10212
Formele relaties
Zaaknummer
C/09/530449 / HA ZA 17-391

Inhoudsindicatie

Verkoop certificaten van aandelen. (On)bevoegde vertegenwoordiging? Wilsgebrek? Blokkeringsregeling nageleefd? Termijn van geldigdheid instemmingsverklaringen t.t.v. levering reeds verstreken. Toepassing convalescentieregeling, 3:58 BW. Tussenvonnis.

Uitspraak

vonnis

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/530449 / HA ZA 17-391

Vonnis van 29 augustus 2018

in de zaak van

1.[BV I],

2.[BV II],

3.[BV III],

4.[BV IV],

5.[BV V],

alle gevestigd en kantoorhoudende te [plaats] ,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. J. Fleming te Amsterdam,

tegen

[MNB] ,

gevestigd en kantoorhoudende te [plaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. E. Smid te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [BV I c.s.] en MNB genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding van 27 maart 2017 met bijbehorende producties 1 t/m 84;

-

de conclusie van antwoord in conventie, tevens van eis in reconventie met bijbehorende producties 1 t/m 63;

-

de conclusie van repliek in conventie, tevens vermeerdering van eis in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie met bijbehorende producties 85 t/m 97;

-

de conclusie van dupliek in conventie, tevens van repliek in reconventie, tevens houdende incidentele vorderingen, tevens akte wijziging eis met bijbehorende producties 64 t//69;

-

de conclusie van dupliek in reconventie met bijbehorende producties 111 t/m 112;

-

het buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte proces-verbaal van het pleidooi van 4 juni 2018 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

1.3.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om te reageren op de inhoud van het proces-verbaal van pleidooi. MNB heeft hiervan bij brief van 22 juni 2018 gebruikt gemaakt en [BV I c.s.] bij brief van 26 juni 2018. Op deze stukken wordt alleen acht geslagen voor zover daarin sprake is van aanvullingen van feitelijke aard. De stukken zullen aan het proces-verbaal worden gehecht.

2 De feiten

2.1.

De rechtbank gaat uit van de navolgende (gestelde en niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken) feiten.

2.2.

De [PP-groep] (hierna: PP Groep) is een familiebedrijf, waarin een onderneming wordt gedreven die actief is in de visserij en visverwerking. Het bedrijf bestaat uit verschillende werkmaatschappijen. De aandelen in de werkmaatschappijen worden gehouden door [de Holding] B.V. (hierna: de Holding). De aandelen in de Holding worden gehouden door de Stichting Administratiekantoor van aandelen in [de Holding] (hierna: de STAK). De STAK heeft certificaten uitgegeven (hierna: de certificaten). De certificaten zijn verdeeld over vier staken, waarbij iedere staak in het bezit is van 25% van het totale aantal certificaten. Twee staken bestaan uit (beheermaatschappijen van) de [familie I] . Zij houden de certificaten J en A. De andere twee staken bestaan uit (beheermaatschappijen van) de [familie II] . Zij houden de certificaten N en D.

2.3.

Het geschil heeft betrekking op het belang van de [familie II] in de PP Groep. De D-certificaten van de staak van [X] worden door ieder van eiseressen voor 1/5e deel gehouden. De N-certificaten in de staak die is gerelateerd aan de broer van [X] , [Y] , werden in ieder geval tot 13 maart 2017 gehouden door MNB. De aandelen in MNB worden gehouden door de kinderen van [Y] , te weten [A] , [B] , [C] (hierna: [C] ) en [D] ( [D] ) [D] (hierna: [D] ). [Y] was tot 19 mei 2015 enig en zelfstandig bevoegd bestuurder van MNB. Vanaf 20 mei 2015 waren [D] en [C] gezamenlijk bevoegd bestuurders van MNB. Sinds 15 juni 2016 is [Y] weer enig bestuurder van MNB.

2.4.

In het verleden is op de door MNB gehouden N-certificaten een pandrecht gevestigd ten behoeve van [BV VI] (hierna: [BV VI] ) tot zekerheid van de terugbetaling van een aan MNB geleend bedrag van € 10.750.734,-.

2.5.

In een bericht van 10 oktober 2014 heeft [D] aan [X] geschreven, voor zover thans relevant:

“(...) Hierbij vraag ik, [D] , u en uw kinderen (de [X] -stak zijnde de certificaathouders van 25% aandelen in [de Holding] B.V. ) de volgende vraag:

Hebben jullie interesse in de 25% certificaten van aandelen in [de Holding] B.V. van [BV VII] en, zo ja, wat willen jullie hiervoor betalen?

(...) Wanneer er interesse is in onze 25% certificaten van aandelen, neem ik het antwoord serieus wanneer jullie een bedrag geboden hebben en dit bod ondertekend is door u, [E] , [F] en [G] .

Wanneer er helemaal geen antwoord op mijn vraag volgt, dan ga ik ervanuit dat jullie geen interesse hebben.

[A] , [C] , [B] , en mijn vader [Y] zijn allen op de hoogte van dit gesprek. (...).”

2.6.

In een e-mailbericht van 19 november 2014 heeft [X] aan [D] geschreven, voor zover thans relevant:

“(...) Namens [E] , [F] en [G] wil ik jullie meedelen dat we interesse hebben in de 25% certificaten van aandelen in [de Holding] B.V.

Om tot een prijsvorming te kunnen komen stellen we voor dat jullie en wij een externe adviseur inhuren die gezamenlijk in overeenstemming een derde externe adviseur inhuren. Dit driemanschap krijgt dan van jullie en ons gezamenlijk de opdracht om een waarde te bepalen van deze 25% certificaten van aandelen. Als deze drie personen vervolgens met een waardebepaling komen, hebben zowel jullie als wij het recht om nee te zeggen.

We willen dit serieus aanpakken om tot een serieuze en gedegen berekening van de waarde van de aandelen te komen. (...).”

2.7.

In een e-mailbericht van 23 november 2014 heeft [D] aan [X] geschreven, voor zover thans relevant:

“(...) Ik begrijp uit uw antwoord dat jullie interesse hebben, maar dit voorstel is alleen niet een antwoord op mijn brief.

De bedoeling van mijn persoonlijk brief is dat er een oplossing komt in de vorm van een bod zodat we dit alles achter ons kunnen laten.

Indien jullie het serieus willen behandelen zie ik jullie bod op ons 25% PP belang alsnog binnen 14 dagen tegemoet. (...).”

2.8.

Hierop zijn van beide kanten schriftelijke voorstellen gevolgd. Op 23 december 2014 heeft [D] aan [X] gemaild, voor zover thans relevant:

“(...) Bedankt voor jullie reactie.

Het oorspronkelijke all inclusive bedrag van 132,5 is als volgt opgebouwd:

128 miljoen wat voorkomt uit de jaarrekeningen van [de Holding]

4,5 miljoen wat voorkomt uit het belang Haringvisserijbelang en 1/3 Harderwijk

1. 25% certificaten van aandelen in PP groep ( [Y] STACK):

Optie A:

€ 122.500.000 cash bij overdracht van 25% certificaten van aandelen in PP groep. De overdracht vindt plaats op de bank (Rabobank).

Wij leveren bij de overdracht de volgende documenten:

(...)

De 25% certificaten van aandelen in PP groep worden alleen voor bovenstaand bedrag overgedragen wanneer jullie de volgende documenten leveren:

(...)

Eventuele voorwaarden dienen wettelijk bepaald te zijn.

Dus zonder beding.

(...)

Optie B:

€ 128.000.000 waarvan:

€ 120.000.000 cash bij overdracht (hierbij gelden dezelfde voorwaarden als hierboven onder optie A omschreven)

€ 8.000.000 verdeeld in termijnen. (...)

(...)

[D]

Namens de [Y] STACK”

2.9.

In een e-mailbericht van 28 december 2014 heeft [X] aan [D] geschreven, voor zover thans relevant:

“(...)

1. Wij kunnen optie A bevestigen

122.500.000 cash bij overdracht van de 25% certificaten in pp groep

Wij zullen morgen de volgende documenten sturen

(...)

[X]

Namens [X] stack”

2.10.

Als bijlage bij een e-mailbericht van 29 december 2014 heeft [X] aan [D] een koopovereenkomst voor de N-certificaten verzonden.

2.11.

In een e-mailbericht van 30 december 2014 heeft [D] aan [X] geschreven, voor zover thans relevant:

“(...) Bedankt voor jullie email van 28 december 2014 waarin de prijzen bevestigd worden zoals vermeld in onze email van 23 december 2014.

Zoals al aangeduid in onze email van 23 december 2014, dienen formaliteiten en documenten geleverd te worden met als doel een overdracht met alleen wettelijke en statutaire eisen etc. Etc.

Wij willen deze weg dan ook vervolgen (...)

[D]

Namens de [Y] STACK”

2.12.

Op enig moment is notaris [de notaris 1] (hierna: de notaris) door [BV I c.s.] betrokken bij de verkoop en levering van de N-certificaten. Op 10 februari 2015 heeft de notaris in een brief aan MNB, ter attentie van [Y] , gerefereerd aan hun bespreking van 2 februari 2015 en enkele opmerkingen gemaakt ten aanzien van de aanbiedingsprocedure. In de brief is onder meer het volgende opgenomen:

“(...) Geachte heer [... 1] , Beste [Y] ,

Na onze bespreking van maandag 2 februari jl., ben ik – mede naar aanleiding van jouw opmerkingen – nauwkeurig nagegaan of de aanbiedingsprocedure op de juiste wijze is gevolgd.

Zoals jij aangaf vertoonde de gevolgde procedure hier en daar een hiaat. In overleg met Stichting Administratiekantoor van aandelen in [de Holding] is besloten om de gehele procedure over te doen en jou een voorbeeld van een aanbiedingsbrief ter beschikking te stellen. (...)”

2.13.

In de voorbeeldbrief die de notaris heeft vervaardigd, staat dat de aanbieding geschiedt onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de aandelen worden aangeboden voor een vaststaande totaalprijs van € 122.500.000,-.

2.14.

[D] heeft bij brief van 18 februari 2015 gereageerd op de brief van de notaris van 10 februari 2015. Zij heeft in het post scriptum van haar brief het volgende geschreven:

“(...) Bedankt voor de voorbeeldbrieven, gemaakt door dhr. [de notaris 1] , aangaande de juiste aanbieding van de aandelen/certificaten.

Aangezien er niks in de statuten staat over het vermelden van de verkoopsom aangaande de aanmelding van de statuten kunnen we deze voorbeeldbrief dan ook niet accepteren”.

2.15.

In een e-mail van 10 maart 2015 heeft de notaris aan [D] en [X] onder meer meegedeeld dat hij telefonisch contact heeft gehad met [Y] , die hem vroeg naar de stand van zaken. Daarbij heeft de notaris gemeld dat hij in het bezit is van de door alle certificaathouders ondertekende verklaring betreffende de instemming met de door MNB en eiseressen voorgenomen aanbieding/afname van de N-certificaten, maar nog niet van de verklaring van de bank. Bij brief van dezelfde datum, 10 maart 2015, heeft de notaris aan MNB, ter attentie van [Y] , de hiervoor bedoelde instemmingsverklaring gestuurd.

2.16.

In een bericht van 16 maart 2015 heeft [X] onder meer aan [D] het volgende vermeld:

“(...) Je vader is in gesprek geweest met notaris [de notaris 1] waar in hij aan gaf dat jullie zelf een notaris willen aanwijzen (...) Dit is voor ons geen probleem.”

Verder is in deze e-mail en in daarop volgende e-mails over en weer geschreven over de financiering.

2.17.

In een e-mailbericht van 15 april 2015 heeft [X] aan [D] gevraagd wanneer de overdracht kan plaatsvinden, waarbij hij heeft opgemerkt dat alle gevraagde documenten inmiddels via de notaris zijn aangeleverd.

2.18.

Bij e-mailbericht van 16 april 2015 heeft [D] aan [X] een overeenkomst gezonden. Zij heeft daarbij, kort gezegd, verzocht om een getekend exemplaar van die overeenkomst via de notaris retour te ontvangen. In de bijgevoegde overeenkomst is vermeld, voor zover relevant en verkort weergegeven:

  1. dat eiseressen de kopers zijn van ieder 320.000 certificaten van aandelen N; eiseres sub 1 van de aandelen N1 tot en met N320.000, eiseres sub 2 van de aandelen N321.000 tot en met N640.000, eiseres sub 3 van de aandelen N641.000 tot en met N960.000, eiseres sub 4 van de aandelen N961.000 tot en met N1.280.000 en eiseres sub 5 van de aandelen N1.281.000 tot en met N1.600.000;

  2. dat MNB de verkoper is;

  3. dat deze partijen zijn overeengekomen hetgeen is vermeld in de e-mails van 23 en 28 december 2014;

  4. dat kopers aan verkopers garanderen dat aan alle statutaire voorwaarden van de Holding en tevens aan de administratievoorwaarden van de STAK, de Nederlandse wet, alle statutaire eisen en eventuele andere eisen in de grootste zin des woords is voldaan en dat zij voor eventuele financiële gevolgen en kosten aansprakelijk zijn en garant staan,

  5. dat kopers jegens verkopers verklaren volledig op de hoogte te zijn van de juridische en financiële situatie van de N-certificaten en van de juridische en financiële situatie van de STAK, van de Holding, en van de door de Holding gevoerde ondernemingen, en er nadrukkelijk mee instemmen dat door de verkoper geen enkele garantie of verklaring wordt verstrekt aangaande de N-certificaten, de Holding en de door de Holding gevoerde ondernemingen en dat door de verkoper in het kader van de koop, verkoop en levering van de certificaten geen enkele aansprakelijkheid wordt aanvaard, dit alles in de grootste zin des woords;

2.19.

In een e-mailbericht van 28 april 2015 van notaris [de notaris 1] aan [D] heeft de notaris een aantal wijzigingen in de overeenkomst voorgesteld, waaronder dat verkoper garandeert dat de N-certificaten vrij zijn van beslag en dat op de certificaten geen pandrecht of recht van vruchtgebruik rust en dat met betrekking tot de N-certificaten geen rechten bestaan krachtens welke enig persoon aanspraak kan maken op levering van een of meer van de N-certificaten. Op 4 mei 2015 heeft [X] aan [D] in dit kader nog bericht dat dit een hele normale bepaling is en dat verder geen grote veranderingen zijn voorgesteld.

2.20.

Op 5 mei 2015 heeft [D] aan [X] een aangepaste overeenkomst verzonden, waarbij zij onder meer schrijft

op uw wens zijn pandrecht en beslag verwerkt”,

en dat, kort gezegd, de overige veranderingen niet zijn verwerkt. In de meegestuurde overeenkomst is ten aanzien van het pandrecht en beslag onder meer vermeld:

“(...) Volgens verkoper zijn de certificaten vrij van beslag en rust er geen pandrecht op de certificaten . (Zoals door ons gemeld in een voorgaande email en zoals gedocumenteerd in het certificaathoudersregister van [de Holding] B.V. rust er nog steeds pandrecht op de certificaten. Wilt u dit pandrechtdocument aan ons opsturen, want wij kennen dit document niet). Mocht het pandrecht of beslag onoverkomelijke problemen opleveren voor verkopers dan wordt het contract ontbonden (...).

2.21.

[X] heeft op 6 mei 2015 aan [D] een kopie van de akte van verpanding van 14 december 2002 gestuurd, met de mededeling dat dit pandrecht er moet worden afgehaald.

2.22.

Op 18 mei 2015 heeft [D] aan [X] gemaild:

“(...) In de bijlage vind u de overeenkomst plus anex 1 die wij willen ondertekenen.

(...)”

2.23.

In de bijgevoegde overeenkomst zijn onder meer de onder 2.18 vermelde punten opgenomen alsmede de tekst als vermeld onder 2.20.

2.24.

Op 19 mei 2015 heeft [X] aan [D] gemaild:

“(...) De overeenkomst tekenen wij morgenochtend.

[de notaris 1] heeft tijd morgen voor jouw en [C] gereserveerd om 1030 op kantoor [... 2] . (...)”

2.25.

Op 20 mei 2015 zijn [D] en [C] verschenen op het kantoor van de notaris. Ook [Y] was aanwezig. [D] heeft toen geconstateerd dat in het door de notaris voorgelegde exemplaar van de overeenkomst de woorden “de certificaten” als vermeld in de uitsluiting van de garantie als hiervoor weergegeven onder 2.18 sub v ontbraken. Die overeenkomst is door hen vervolgens niet voor akkoord ondertekend.

2.26.

Op 22 mei 2015 heeft [D] aan [X] gemaild:

“(...) Hierbij stuur ik u het concept van de overdrachtsakte. Wij willen de voortgang niet vertragen. (...)”

2.27.

Op 29 mei 2015 heeft [D] aan [X] gemaild:

“(...) Bij deze melden wij u, nogmaals, dat we de overdracht van de certificaten zo spoedig mogelijk willen afronden. (...)”

2.28.

In de maanden hierna hebben partijen met elkaar gecorrespondeerd maar dit heeft niet geleid tot de ondertekening van een overeenkomst.

2.29.

Bij e-mail van 25 augustus 2015 van [D] aan [X] heeft [D] een nieuw voorstel gedaan:

“(...) Wij wijzen u erop dat u, als koper en tevens CEO van een van de grootste visserijbedrijven ter wereld, dient na te komen wat u bevestigd en overeengekomen bent! (...)

Het gemiddelde Ebitda bedrag per jaar laat al zien dat de € 122.500.000 een schijntje is. Wij roepen u met deze email nogmaals op om deze transactie af te handelen!

Eenmalig bod,

Wij geven jullie tot maandag 31 augustus 2015 12.00 uur de tijd om de transactie zonder beding en zonder pandrecht af te maken voor €160 miljoen.

Groeten

[D] ”

2.30.

Bij e-mail van 1 september 2015 heeft [D] dit voorstel herhaald en toegelicht:

“(...) Wij willen onze goede wil nogmaals tonen en geven jullie tot vrijdag 4 september 2015 18:00 uur de tijd om onze email van 25 augustus 2015 te beantwoorden. Het eenmalige bod in de email van € 160.000.000 is dus inclusief wettelijke rente over € 122.500.000 en 8 maanden 25% Ebitda 2015 van de PP Groep, voorwaarden zijn geen beding en bij levering is het pandrecht eraf.

Groeten,

[D] ”

2.31.

Op 11 november 2015 hebben [BV I c.s.] een verzoek bij deze rechtbank ingediend voor het houden van een voorlopig getuigenverhoor. MNB en [BV VI] hebben hier verweer tegen gevoerd en zij hebben zelfstandig verzocht een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. Bij beschikking van 31 maart 2016 zijn [BV I c.s.] niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek ten aanzien van [BV VI] en is onder meer een voorlopig getuigenverhoor bevolen ter beantwoording van de vraag of het bij het sluiten van de koopovereenkomst met betrekking tot de N-certificaten de bedoeling van partijen is geweest dat die certificaten door MNB zonder pandrecht verkocht zijn en geleverd moeten worden. Het hoger beroep van MNB tegen deze beschikking is afgewezen.

2.32.

Op 3 juni 2016 en 16 augustus 2016 zijn de voorlopige getuigenverhoren gehouden.

2.33.

Op 19 oktober 2016 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank vonnis gewezen in een door [BV I c.s.] gestarte procedure tegen MNB die tot doel had de overdracht van de (onbezwaarde) N-certificaten te bewerkstelligen. De voorzieningenrechter heeft op de vorderingen van [BV I c.s.] onder meer als volgt beslist:

“5.1. veroordeelt gedaagde om binnen een maand na betekening van dit vonnis mee te werken aan de overdracht van de N-certificaten aan eiseressen – aan eiseres sub 1 de certificaten N1 tot en met N320.000, aan eiseres sub 2 de certificaten N321.000 tot en met N640.000, aan eiseres sub 3 de certificaten N641.000 tot en met N960.000, aan eiseres sub 4 de certificaten N961.000 tot en met N1.280.000 en eiseres sub 5 de certificaten N1.281.000 tot en met N1.600.000 – welke certificaten alsdan vrij dienen te zijn van bijzondere lasten en beperkingen, waaronder van beslag, pandrechten en vruchtgebruik, onder meer door alle daartoe benodigde (rechts)handelingen te verrichten, zulks tegen betaling van een bedrag van € 122.500.000,- door eiseressen aan gedaagde, een en ander onder de voorwaarde dat eiseressen de N-certificaten daarna niet zullen vervreemden of bezwaren totdat dit vonnis onherroepelijk is geworden of in hoger beroep onherroepelijk is beslist;

5.2.

bepaalt dat, indien en voor zover gedaagde in gebreke blijft aan voormelde veroordeling te voldoen, dit vonnis in de plaats treedt van de wilsverklaring(en) van gedaagde die benodigd is/zijn voor vorenbedoelde eigendomsoverdracht;

(...)

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

(...)”

2.34.

[BV I c.s.] hebben het vonnis van 19 oktober 2016 op 20 oktober 2016 laten betekenen aan MNB, maar MNB heeft aan de veroordeling als vermeld onder 5.1 van dat vonnis geen gehoor gegeven.

2.35.

[BV I c.s.] zijn op 23 november 2016 opnieuw een kort geding gestart tegen MNB, stellende dat zij met de bepaling als in het vonnis onder 5.2 vermeld niet de overeengekomen overdracht van alle N-certificaten kunnen bewerkstelligen, omdat in het vonnis wordt gerefereerd aan onjuiste nummers en hierin een aantal N-certificaten ontbreken. In de opsomming bij de toewijzing van de N-certificaten aan de verschillende vennootschappen is volgens [BV I c.s.] op enig moment een fout gemaakt, die daarna in verschillende documenten is overgenomen. Dat was volgens [BV I c.s.] onmiskenbaar een verschrijving, nu partijen de verkoop van álle N-certificaten zijn overeengekomen, te weten 1.600.000 stuks.

2.36.

Bij vonnis van 6 december 2016 heeft de voorzieningenrechter onder meer beslist:

“5.1 bepaalt dat dit vonnis in de plaats zal treden van de partijverklaring(en) van gedaagde die benodigd zijn voor eigendomsoverdracht aan de respectieve kopers van de bij de koopovereenkomst gekochte certificaten die geen onderdeel uitmaken van het dictum van het vonnis van deze rechtbank van 19 oktober 2016, te weten:

1.de certificaten N320.001 tot en met N320.999 aan eiseres sub 2;

2.de certificaten N640.001 tot en met N640.999 aan eiseres sub 3;

3.de certificaten N960.001 tot en met N960.999 aan eiseres sub 4;

4.de certificaten N1.280.001 tot en met N1.280.999 aan eiseres sub 5;

welke certificaten alsdan vrij dienen te zijn van bijzondere lasten en beperkingen, waaronder van beslag, pandrechten en vruchtgebruik, een en ander onder de voorwaarde dat eiseressen ook deze N-certificaten daarna niet zullen vervreemden of bezwaren totdat het vonnis van 19 oktober 2016 onherroepelijk is geworden of in hoger beroep tegen dat vonnis onherroepelijk is beslist;

(...)

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

(...)”

2.37.

Op 28 november 2016 hebben de certificaathouders van de J-certificaten, A-certificaten en D-certificaten (hierna: de overige certificaathouders) opnieuw verklaard in te stemmen met de door MNB en [BV I c.s.] voorgenomen aanbieding/afname van de N-certificaten.

2.38.

[BV I c.s.] hebben het vonnis van 6 december 2016 op 7 december 2016 aan MNB laten betekenen. Zij hebben daarna de – daartoe ingeschakelde - notaris gevraagd om de akte van levering van de N-certificaten voor te bereiden en te passeren. De notaris heeft aan MNB gevraagd of zij wil meewerken aan het passeren van de akte van levering, daarbij kenbaar gemaakt dat zij als partijnotaris optreedt, MNB gevraagd of zij daar bezwaar tegen heeft en zo ja, om dan een andere notaris aan te wijzen en MNB gevraagd om duidelijkheid te verschaffen over het pandrecht. MNB heeft die vragen deels door haar advocaat laten beantwoorden, aldus dat zij niet zal meewerken aan de levering van de N-certificaten en dat zij bezwaar heeft tegen het optreden van de notaris als passerend notaris. Daarbij heeft MNB de notaris voor alsdan aansprakelijk gesteld voor alle gevolgen van het passeren van de leveringsakte en bezwaar gemaakt tegen het feit dat de verzekering van de notaris (slechts) een dekking biedt tot een maximum van € 25.000.000,-. De overige vragen zijn door MNB niet beantwoord en MNB heeft, desgevraagd door de notaris, ook geen schriftelijke verklaring van [BV VI] aangeleverd op basis waarvan het pandrecht, voor zover nog bestaand, kon worden doorgehaald.

2.39.

Een door de notaris aan [BV VI] verzonden brief met daarin het verzoek om duidelijkheid te geven over het pandrecht heeft [BV VI] niet in ontvangst genomen. De notaris heeft daarna [BV I c.s.] geïnformeerd dat zij niet aan haar ministerieplicht kon voldoen.

2.40.

Dit heeft ertoe geleid dat [BV I c.s.] een derde kort geding zijn gestart tegen MNB om (onder meer) antwoord te krijgen op de vraag of de in de pandakte bedoelde vordering nog bestaat en of de N-certificaten nog steeds verpand zijn. Tevens hebben [BV I c.s.] gevorderd het vonnis in de plaatst te laten treden van een leveringsakte dan wel de notaris te gelasten ministerie te verlenen tot het passeren van de akte van levering.

2.41.

Bij vonnis van 1 maart 2017 heeft de voorzieningenrechter in r.o. 4.15 als volgt overwogen:

“4.15. De voorzieningenrechter zal bepalen dat [BV VI] [noot rechtbank: [BV VI] ] binnen een week (zijnde een redelijker termijn dan de gevorderde termijn) na betekening van dit vonnis aan de notaris en [BV I c.s.] duidelijkheid dient te verschaffen in de vorm van het afleggen richting hen van een van de onder 4.5 genoemde verklaringen (...) [noot rechtbank: verklaringen over het al dan niet bestaan van een pandrecht]. Dit leidt ertoe dat de voorzieningenrechter niet dit vonnis in de plaats kan laten treden van een leveringsakte, zoals [BV I c.s.] primair hebben gevorderd, maar de notaris dient te gelasten haar ministerie te verlenen aan het verlijden van een leveringsakte, overeenkomstig de tweede concept-akte, zoals subsidiair gevorderd (binnen na te melden redelijker termijn dan gevorderd). Daarbij dient dan echter in plaats van de in die akte opgenomen regeling voor de betaling van de koopsom de hiervoor vermelde voorziening te worden gehanteerd. Nu MNB en [BV VI] in deze procedure niet te kennen hebben gegeven bezwaren te hebben tegen de persoon van de notaris en de notaris zich bereid heeft verklaard haar medewerking te verlenen en heeft verklaard zich te refereren aan het oordeel van de voorzieningenrechter, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een andere notaris aan te wijzen.

2.42.

In r.o. 5.1 en verder (het dictum) heeft de voorzieningenrechter op deze wijze beslist. Na betekening van dit vonnis bleef de verklaring van [BV VI] uit. De overdracht van de N-certificaten is, op grond van het vonnis, voortgezet zonder de betreffende verklaring. Op 13 maart 2017 heeft notaris [de notaris 2] de akte tot levering van de N-certificaten gepasseerd.

2.43.

MNB heeft hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen in kort geding van 19 oktober 2016 en 1 maart 2017. Op 12 mei 2017 heeft een comparitie na aanbrengen plaatsgevonden bij het gerechtshof Den Haag. Ter zitting zijn partijen overeengekomen de procedures in hoger beroep te royeren en hun geschil in de bodemprocedure te laten beslechten.

3 Het geschil

3.1.

[BV I c.s.] vorderen, na vermeerdering van eis – samengevat – bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen en voor partijen afdwingbare rechten en verplichtingen in het leven heeft geroepen en dat [BV I c.s.] rechtsgeldig de eigendom van de N-certificaten hebben verkregen door middel van de notariële overdracht;

  2. te bepalen dat het vonnis een executoriale titel oplevert indien en voor zover een opeisbare vordering van [BV I c.s.] tot terugbetaling van de koopsom ontstaat indien de rechtbank de gevorderde verklaring voor recht niet afgeeft;

  3. veroordeling van MNB tot betaling van € 2.500.000,-;

  4. veroordeling van MNB tot betaling van de kosten van de procedure, inclusief buitengerechtelijke kosten en nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[BV I c.s.] voeren hiertoe – kort samengevat – het volgende aan. Op 28 december 2014 is een koopovereenkomst tot stand gekomen op grond waarvan MNB alle N-certificaten aan [BV I c.s.] dient over te dragen tegen betaling van € 122.500.000,-. De koopprijs is ondubbelzinnig vastgelegd en door MNB nadien meermaals bevestigd. Voorts stond van begin af aan vast dat het ging om alle N-certificaten. [BV I c.s.] hebben op 28 december 2014 niet geaccepteerd en zouden ook nooit hebben willen accepteren dat zij op grond van de overeenkomst gehouden zijn om de certificaten te aanvaarden indien deze bezwaard zijn met een pandrecht. Ook voor betaling van een hogere koopprijs dan hiervoor vermeld, waar MNB nadien om heeft verzocht, is geen enkele aanleiding.

Het eerst bij conclusie van antwoord in conventie door MNB ingenomen standpunt dat geen overeenkomst is gesloten tussen MNB en [BV I c.s.] , maar hoogstens tussen [D] en [X] , is volgens [BV I c.s.] onbegrijpelijk. MNB heeft meerdere malen in en buiten rechte bevestigd dat de koopovereenkomst tussen haar en [BV I c.s.] is gesloten en zij heeft [BV I c.s.] bovendien bij herhaling gemaand tot nakoming hiervan (waarbij echter telkens nieuwe en verschillende eisen werden gesteld). Aangenomen moet worden dat [D] is opgetreden in de hoedanigheid van gevolmachtigde van MNB. Mocht dat niet zo zijn, dan kan MNB op het ontbreken hiervan geen beroep doen jegens [BV I c.s.] Zij hebben namelijk gerechtvaardigd erop mogen vertrouwen dat MNB een toereikende volmacht had verleend en dat [D] MNB mocht vertegenwoordigen. Voor zover ook dit niet wordt aangenomen, geldt dat [Y] , dan wel [D] en [C] na hun benoeming als bestuurders van MNB, het aangaan van de koopovereenkomst in ieder geval hebben bekrachtigd.

Omdat MNB niet heeft willen meewerken aan de levering van de N-certificaten, hebben [BV I c.s.] via drie kort geding procedures levering van de certificaten moeten afdwingen. Op 13 maart 2017 heeft notaris [de notaris 2] de akte tot levering van de N-certificaten gepasseerd. [BV I c.s.] betwisten dat daarbij de blokkeringsregeling niet volledig is nagekomen.

3.3.

MNB heeft de vorderingen van [BV I c.s.] betwist en de rechtbank verzocht [BV I c.s.] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans deze vorderingen als ongegrond en/of onbewezen af te wijzen, althans (subsidiair) te bepalen dat artikel 8.1 van de akte van 13 maart 2017 als niet-geschreven dient te worden beschouwd alsmede te bepalen dat de passage in artikel 8.2 van die akte “aangaande de juridische en financiële situatie van de Stichting (...)” gelezen dient te worden als “aangaande de Certificaten N en de juridische en financiële situatie van de Stichting (...)” en voorts ieder van eiseressen in conventie te veroordelen in de kosten van de procedure, zo nodig te vermeerderen met de wettelijke rente daarover te rekenen vanaf de vijftiende dag na het in dezen te wijzen vonnis.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

Na wijziging eis vordert MNB bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

indien en voor zover volgens de rechtbank een overeenkomst tot stand is gekomen, geheel

voorwaardelijk:

  1. primair: in plaats van vernietiging van de overeenkomst, de gevolgen van de overeenkomst ter opheffing van het nadeel te wijzigen in dier voege dat voor het bedrag van € 122.5000.000 slechts 220.690 N-certificaten aan [BV I c.s.] toekomen, althans te bepalen dat de overdracht van de resterende 1.397.310 N-certificaten geen effect heeft gesorteerd, althans [BV I c.s.] te veroordelen deze N-certificaten terug over te dragen aan MNB, althans [BV I c.s.] te veroordelen om hieraan op eerste verzoek van MNB volledige medewerking te verlenen, een en ander op straffe van verbeurte aan MNB van een dwangsom van € 1.000.000 voor iedere dag dat [BV I c.s.] nalatig blijven volledig aan het in dezen te wijzen vonnis te voldoen;

  2. subsidiair: in plaats van vernietiging van de overeenkomst, de gevolgen van de overeenkomst ter opheffing van het nadeel te wijzigen in dier voege dat de door [BV I c.s.] te betalen koopsom wordt verhoogd met € 800.000.000,-, met veroordeling van [BV I c.s.] tot betaling aan MNB van een totale koopsom van € 928.000.000,-, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente, zulks met bepaling dat het te betalen bedrag onmiddellijk en volledig ter vrije beschikking van MNB dient te komen;

  3. primair en subsidiair: met bepaling voorts dat artikel 8.1 van de akte van 13 maart 2017 als niet-geschreven dient te worden beschouwd alsmede te bepalen dat de passage in artikel 8.2 van die akte “aangaande de juridische en financiële situatie van de Stichting (...)” gelezen dient te worden als “aangaande de Certificaten N en de juridische en financiële situatie van de Stichting (...)”;

  4. meer subsidiair: op grond van artikel 7:4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een aanvullende redelijke koopprijs te bepalen voor de N-certificaten, welke redelijke koopprijs is te bepalen door de te benoemen deskundigen en [BV I c.s.] te veroordelen tot betaling aan MNB van de hiervoor bedoelde aanvullende koopsom, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente, zulks met bepaling dat het te betalen bedrag onmiddellijk en volledig ter vrije beschikking van MNB dient te komen;

en voorts:

5. [BV I c.s.] bij tussenvonnis te bevelen op grond van artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volledig inzichtelijk te maken:

a. op hoeveel visquota PP Groep (in)direct recht heeft en/of hoeveel visquota PP Groep (in)direct exploiteert;

b. een opgave in kilogram per vissoort en land van toedeling;

c. een opgave in procenten van het totale quotum van dat land per vissoort;

d. op welke wijze de visquota zijn onderverdeeld naar eigendom, gebruiksrechten, leaseovereenkomsten en anderszins;

e. welk deel van de visquota niet in de geconsolideerde jaarrekening is verwerkt;

en verder bij tussenvonnis drie deskundigen te benoemen met de opdracht om bij makelaars bindende offertes op te vragen voor de visvangstrechten zoals die bekend zullen worden op grond van het hiervoor gevorderde;

6. ieder van gedaagden in reconventie te veroordelen tot schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

7. opheffing van het beslag bij tussenvonnis en ter waarborging van de belangen van MNB te bepalen dat i) [BV I c.s.] , in afwachting van de (onherroepelijke) einduitspraak in deze zaak, nog geen koopsom verschuldigd zijn, ii) partijen de notaris dienen te instrueren om het door [BV I c.s.] aan de notaris betaalde bedrag terug over te maken naar [BV I c.s.] en voorts iii) te bepalen dat MNB, zolang er geen (onherroepelijke) einduitspraak in deze zaak is, het recht heeft om, als ware zij houder van N-certificaten procedures te voeren bij de Ondernemingskamer;

8. een en ander met veroordeling van gedaagden in reconventie in de kosten van deze

procedure, zo nodig te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na het in dezen te wijzen vonnis.

3.6.

MNB beroept zich – kort samengevat – op misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 lid 4 BW) dan wel op dwaling (artikel 6:228 BW). Zij stelt hiertoe dat de koopprijs van € 122.500.000,- niet in verhouding staat tot de werkelijke waarde van de N-certificaten. Voor [BV I c.s.] was kenbaar dat [D] de jaarrekeningen van de Holding als uitgangspunt heeft genomen om tot een koopprijs te komen. Zij heeft immers in haar e-mail van 23 december 2014 geschreven: “128 miljoen wat voortkomt uit de jaarrekening van PP Groep”. De visquota, die volgens MNB mogelijk een waarde van 1 tot 1,25 miljard euro vertegenwoordigen, zijn echter niet in de jaarstukken opgenomen. [X] was (als CEO van de PP Groep en voorzitter van de STAK) bekend met de waarde van de visquota en dus met de daadwerkelijke waarde van de PP Groep. Tegen deze achtergrond en gelet op de onwetendheid en onervarenheid van [D] in combinatie met het vertrouwen dat zij in [X] (haar oom) had, had [X] [D] , die op dat moment bovendien hoogzwanger was, moeten weerhouden van de transactie of haar moeten waarschuwen. In plaats daarvan heeft [X] het tot stand komen van de overeenkomst bevorderd, terwijl hij wist of moest begrijpen dat hij dit niet had moeten doen. [BV I c.s.] hebben aldus misbruik gemaakt van de omstandigheden.

Voorts geldt volgens MNB dat sprake is van dwaling, nu [D] ten onrechte ervan uitging dat zij voor het bepalen van de koopprijs kon afgaan op de jaarrekeningen en [BV I c.s.] haar hadden behoren in te lichten over de daadwerkelijke waarde van de PP Groep. [BV I c.s.] hebben hun mededelingsplicht geschonden en niet voorkomen dat bij [D] een onjuiste voorstelling van zaken is ontstaan. Te meer nu [BV I c.s.] (althans [X] ) in dit opzicht moeten worden aangemerkt als deskundige partij(en) en hen (althans [X] ) zodoende een grotere verantwoordelijkheid moet worden toegedicht. Volgens MNB dienen [BV I c.s.] inzicht te geven in de waarden van de visquota zodat de daadwerkelijke waarde van de PP Groep, en in het verlengde daarvan een reële koopprijs voor de certificaten van aandelen kan worden vastgesteld. MNB vordert hiertoe dat [BV I c.s.] de benodigde informatie verstrekken. Vervolgens dient de rechtbank in een tussenvonnis drie deskundigen te benoemen met de opdracht om bij makelaars bindende offertes op te vragen voor de visvangstrechten zoals die bekend zullen worden op grond van de verkregen informatie, aldus MNB.

3.7.

[BV I c.s.] betwisten de vorderingen van MNB en concluderen tot afwijzing van deze vorderingen.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing