Home

Gerechtshof Den Haag, 06-07-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1648, BK-21/00624

Gerechtshof Den Haag, 06-07-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1648, BK-21/00624

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
6 juli 2022
Datum publicatie
15 september 2022
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2022:1648
Zaaknummer
BK-21/00624
Relevante informatie
Art. 17 lid 2 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ

Inhoudsindicatie

Art. 17 Wet WOZ.

De Heffingsambtenaar heeft de waarde van een uniek object, waarvoor niet gemakkelijk vergelijkingsobjecten zijn te vinden, met het door hem overgelegde taxatierapport en de daarbij behorende matrix, aannemelijk gemaakt.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-21/00624

in het geding tussen:

(gemachtigde: G. Gieben)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 14 juni 2021, nummer ROT 20/1870.

Procesverloop

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de woning) op waardepeildatum 1 januari 2018 (de waardepeildatum) voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op € 3.541.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Rotterdam (de aanslag).

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar de waarde van de woning verminderd tot op € 3.160.000 en de aanslag dienovereenkomstig verminderd. Voorts is een proceskostenvergoeding van € 522 (2 punten) toegekend.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 48. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 134. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 25 mei 2022, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

De woning is een vrijstaande woning (bouwjaar 2008), met een woonoppervlakte van 489 m2, gelegen op een in erfpacht uitgegeven perceel van 2.491 m2 en heeft een opvallende, unieke architectuur van [naam] .

2.2.

De Heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning vastgesteld op € 3.541.000 en deze bij uitspraak op bezwaar nader vastgesteld op € 3.160.000. Tot de stukken van het geding behoort een taxatierapport van taxateur [naam taxateur] van 29 september 2020, waarin de waarde van de woning is berekend op € 3.160.000.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft voor zover van belang het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

“4. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de

onroerende zaak bepaald op de waarde die eraan moet worden toegekend indien de volle en

onbezwaarde eigendom ervan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in

de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen

nemen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet WOZ blijkt dat de WOZ-waarde

gelijk dient te zijn aan de prijs die de meest biedende koper betaalt na de meest

geschikte voorbereiding.

5. Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de onroerende zaak

niet te hoog heeft vastgesteld. Met het door hem overgelegde taxatierapport van [naam taxateur]

van 29 september 2020 en de daarop gegeven toelichting slaagt verweerder daarin.

6. De in het taxatierapport vermelde vergelijkingsobjecten zijn bruikbaar bij de

waardering, omdat deze op de belangrijkste waardebepalende kenmerken, zoals ligging,

type, bouwjaar, inhoud, oppervlakte en onderhoudstoestand enigszins redelijk en - mede

gelet op het unieke karakter van de onroerende zaak - voldoende vergelijkbaar zijn met de

onroerende zaak.

De uitkomst hiervan is dat de m2-prijs van de onroerende zaak € 5.384,- bedraagt tegen een

gemiddelde m2-prijs van € 7.964,- voor de vergelijkingsobjecten. Daarbij merkt de rechtbank

op dat zij in hetgeen eiser daarover zonder verdere onderbouwing naar voren brengt, geen

aanleiding ziet te twijfelen aan de juistheid van de door verweerder gehanteerde

grondstaffels. Hieruit volgt dat verweerder de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld.

Voor zover de ligging van de onroerende zaak minder zou zijn dan die van de

vergelijkingsobjecten is dat voldoende verdisconteerd in de lagere m2-prijs van de

onroerende zaak. Daarnaast staat de onroerende zaak te koop voor een bedrag van € 3.950.000,-. Hoewel dit niet direct relevant is voor de WOZ-waarde van de onroerende zaak

geeft dit wel een indicatie van de waarde die de eigenaar eraan toekent.

De rechtbank wijst er tenslotte op dat een taxatieopbouw een hulp- en controlemiddel is bij

de waardevaststelling, maar dat uiteindelijk enkel de eindwaarde ter toetsing staat (zie

bijvoorbeeld Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 september 2015,

ECLI:NL:GHARL:2015:7059).

Overschrijding redelijke termijn

7. Eiser verzoekt om een schadevergoeding omdat de procedure onredelijk lang heeft

geduurd.

7.1

Op basis van de richtlijnen van de Hoge Raad, zoals omschreven in zijn arrest van 19

februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, oordeelt de rechtbank als volgt.

7.2

Voor een uitspraak in eerste aanleg geldt dat deze niet binnen een redelijke termijn is

gedaan, als de rechtbank niet binnen tweejaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak

doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

De termijn vangt in beginsel aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt.

Als uitgangspunt geldt daarbij een tarief van € 500,- per halfjaar dat de redelijke termijn is

overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

7.3

Het beroep is in dit geval ontvangen op 7 april 2020. Voor beroepen die tussen

1 december 2019 en 1 juni 2021 bij de rechtbank zijn ingediend ziet de rechtbank aanleiding

de termijn met een half jaar te verlengen. In deze periode werd de behandeling daarvan

ernstig belemmerd door de uitbraak van het coronavirus en de ter bestrijding van dat virus

getroffen maatregelen. Als onderdeel van die maatregelen hebben bij de Rechtbank

Rotterdam van circa maart tot september 2020 geen belastingzittingen plaatsgevonden. Deze

uitzonderlijke en onvoorzienbare situatie maakt dat sprake is van een bijzondere

omstandigheid Dit betekent dat de redelijke termijn in dit geval tweeëneenhalf jaar bedraagt.

7.4

In deze zaak is het bezwaarschrift op 3 maart 2019 door verweerder ontvangen,

terwijl deze uitspraak wordt gedaan op 14 juni 2021. Daarmee is de redelijke termijn van, in

dit geval, tweeëneenhalf jaar, niet overschreden.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing