Home

Gerechtshof Den Haag, 21-07-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1771, BK-21/00897

Gerechtshof Den Haag, 21-07-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1771, BK-21/00897

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21 juli 2022
Datum publicatie
12 oktober 2022
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2022:1771
Formele relaties
Zaaknummer
BK-21/00897
Relevante informatie
Art. 6:17 Awb, Art. 3:41 Awb, Art. 7:2 Awb, Art. 7:12 Awb, Art. 17 WOZ

Inhoudsindicatie

Art. 2:1, 3:41, 6:17 en 7:12 Awb. Uitspraak op bezwaar ten onrechte niet aan gemachtigde verzonden. Uitsluitend toezending van de uitspraak op bezwaar aan belanghebbende leidt tot schending van art. 6:17 Awb en niet tot aanvang van de beroepstermijn. Verschuiving van de termijn vanwege de latere toezending aan gemachtigde leidt tot herstel van deze schending. Geen schending van de hoorplicht als het hoorverzoek na beëindiging van de bezwaarfase is gedaan. WOZ.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-21/00897

in het geding tussen:

(gemachtigde: N.A. Gangadin)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 26 augustus 2021, nummer ROT 20/3811.

Procesverloop

1.1.

Bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) heeft de Heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak [adres] te [woonplaats] (de woning), op grond van artikel 22 van de Wet WOZ op waardepeildatum 1 januari 2018 (de waardepeildatum) voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op € 116.000 (de beschikking). Tegelijk met deze beschikking is de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Rotterdam voor het jaar 2019 (de aanslag) opgelegd.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht van € 48 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht van € 134 geheven. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 9 juni 2022. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de woning, gelegen in de wijk [naam wijk] .

2.2.

De woning is een bovenwoning met een oppervlakte van 100 m2. De woning is op 1 november 2017 aangekocht voor € 115.000.

2.3.

Blijkens het aan de Gemeente Rotterdam toegezonden inlichtingenformulier was de woning bij aankoop in een matige staat. Zo was onder meer sprake van een slecht dak. De woning is na aankoop binnen opgeknapt voor € 5.600.

2.4.

De woning wordt als woonruimte verhuurd aan meerdere personen.

2.5.

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 4 februari 2019 de waarde van de woning vastgesteld op € 116.000.

2.6.

Op 8 maart 2019 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de beschikking.

2.7.

Bij uitspraak op bezwaar van 21 juni 2019 heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard. De uitspraak op bezwaar is gericht en verzonden aan [belanghebbende] .

2.8.

De gemachtigde van belanghebbende heeft op 2 juni 2020 de Heffingsambtenaar per e-mail in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een uitspraak op bezwaar.

2.9.

De Heffingsambtenaar heeft hierop op 3 juni 2020 per e-mail gereageerd en aan de gemachtigde van belanghebbende medegedeeld dat al uitspraak op bezwaar is gedaan. Op 4 juni 2020 heeft de Heffingsambtenaar de uitspraak op bezwaar per e-mail naar de gemachtigde van belanghebbende verstuurd.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

“Ontvankelijkheid

2. Indien iemand (hier: een bezwaarmaker) zich door een gemachtigde laat vertegenwoordigen schrijft artikel 6:17 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voor dat het bevoegde orgaan op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval toezendt aan de gemachtigde. Eiser is van mening dat artikel 6:17 Awb is geschonden nu verweerder de uitspraak niet naar de gemachtigde van eiser heeft verzonden.

2.1

Verweerder heeft gesteld dat de uitspraak op bezwaar is verzonden naar het adres van belastingplichtige (cliënt [belanghebbende] ) en niet naar gemachtigde van belastingplichtige omdat belastingplichtige via zijn eigen DigiD bezwaar heeft gemaakt in het online loket van de gemeente Rotterdam.

2.2

Eiser heeft zijn bezwaarschrift — met een toelichting, opgesteld en ondertekend door zijn gemachtigde — ingediend in het online portal van gemeente Rotterdam. Eiser heeft ingelogd op dit portal met zijn eigen DigiD. DigiD is een persoonlijke inlogcode voorzien van een wachtwoord waarmee een persoon zich kan identificeren op websites van de overheid.

2.3

De rechtbank overweegt het volgende. Nu het bezwaarschrift is ingediend met een DigiD op naam van belastingplichtige moet er in beginsel van worden uitgegaan dat het bezwaar is ingediend door hemzelf. Bij zijn bezwaarschrift heeft eiser echter een brief op briefpapier van [naam kantoor] gevoegd, ondertekend door drs. Gangadin met (in de ondertekening) de vermelding "(gemachtigde)" waarin "namens [belanghebbende] " het bezwaar wordt toegelicht. Verder heeft eiser een mailadres vermeld op zijn bezwaar, dat verwees naar [naam kantoor] . Verweerder had bij de voorbereiding van de uitspraak op bezwaar uit dit een en ander redelijkerwijze moeten begrijpen dat eiser en drs. Gangadin ervan uit gingen, dat drs. Gangadin in deze als gemachtigde van [belanghebbende] optrad.

2.4

Nu bij het bezwaarschrift geen volmacht was gesloten had verweerder eiser gelegenheid moeten geven om alsnog een volmacht over te leggen en — na ontvangst van die volmacht — stukken verder (ook) naar de gemachtigde moeten sturen. Door zonder te vragen om een volmacht de uitspraak op bezwaar niet (ook) aan drs. Gangadin te sturen heeft verweerder artikel 6:17 Awb geschonden. De door eiser bewandelde route (indienen van een toelichting van een gemachtigde via zijn eigen inlogcode) is ongebruikelijk en verwarrend, hetgeen het versturen van de ontvangstbevestiging van het bezwaar alleen aan eiser kan rechtvaardigen. Het kan niet afdoen aan de werking van artikel 6:17 Awb nadat verweerder gelegenheid heeft gehad het bezwaar te bestuderen. Schending van artikel 6:17 Awb houdt in, dat er niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt en dat daardoor termijnen die aanvangen op de dag na (correcte) bekendmaking (artikel 6:8 Awb) nog niet gaan lopen (Zie: CRvB 23 mei 2001, JB 2001/197 en CRvB 18 nov. 2003, AB 2004/72).

2.5

De uitspraak op bezwaar is blijkens het — op dit punt niet weersproken — beroepschrift voor het eerst aan de gemachtigde van eiser toegezonden op 4 juni 2020. Dit betekent dat op 5 juni de beroepstermijn is gaan lopen en dat het beroepschrift —van 15 juli 2020 — tijdig is ingediend. Het beroep is ontvankelijk.

(…)

4. Eiser is van mening dat hij ten onrechte niet op zijn bezwaarschrift is gehoord. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Wet WOZ in samenhang met artikel 25, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, wordt een belanghebbende echter — in afwijking van de hoofdregel in artikel 7:2 van de Awb — alleen gehoord op zijn of haar verzoek. Uit de stukken blijkt niet dat eiser dat verzoek tijdig heeft gedaan. Zijn klacht op dit punt is ongegrond.

Waarde

5. De onroerende zaak is een appartement (bouwjaar 1947) met een woonoppervlakte van 99 m2.

5.1

Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de onroerende zaak bepaald op de waarde die eraan moet worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom ervan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet WOZ blijkt dat de WOZ-waarde gelijk dient te zijn aan de prijs die de meest biedende koper betaalt na de meest geschikte voorbereiding. Dit is het uitgangspunt dat de wetgever heeft gekozen bij de waardering volgens de Wet WOZ. In het algemeen mag verweerder bij zijn waardebepaling gebruik maken van (per waardepeildatum geïndexeerde) verkoopcijfers van vergelijkingsobjecten die zijn verkocht een jaar vóór de waardepeildatum, maar ook van verkoopcijfers van een jaar ná de waardepeildatum. Ook mag verweerder gebruik maken van een eigen verkoopcijfer indien deze dicht bij de waardepeildatum is gelegen.

5.2

Verweerder moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld. Hiertoe legt hij een taxatierapport over van 13 juli 2021 opgemaakt door [naam taxateur] en de daarin opgenomen waardematrix (hierna: de matrix). De woning is door de taxateur primair gewaardeerd aan de hand van het eigen aankoopcijfer en daarna mede aan de hand van de verkoopcijfers van vergelijkbare woningen met behulp van de vergelijkingsmethode. De woning is volgens verweerder op 1 november 2017 gekocht voor € 115.000. Uit het door eiser ingevulde inlichtingenformulier blijkt dat de woning bij aankoop in matige staat was en een slecht dak had. Na aankoop heeft eiser de woning binnen opgeknapt voor een bedrag van € 5.600.

5.3

Indien een belastingplichtige een onroerende zaak kort voor of na de peildatum heeft gekocht, moet er in de regel van worden uitgegaan dat de waarde op de peildatum overeenkomt met de door de belastingplichtige betaalde prijs. Dit is slechts anders indien de partij die zich daarop beroept feiten of omstandigheden stelt en aannemelijk maakt waaruit volgt dat de koopsom niet die waarde weergeeft (vgl. HR 29 november 2000, nr. 35.797, ECLI:NL:HR:2000:AA8610). Eiser heeft de onroerende zaak op 1 november 2017 gekocht voor € 115.000,-.

5.4

Eiser stelt dat de waarde die hij heeft betaald voor de woning niet marktconform is. Hij stelt meer te hebben betaald dan de waarde doordat de makelaar bij de verkoop een veiling-methode heeft gehanteerd waarbij bieders tegen elkaar worden uitgespeeld. De rechtbank stelt vast, dat onroerende zaak is aangeboden op de vrije markt. Iedere geïnteresseerde partij heeft kunnen bieden na de bezichtiging. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke wijze van verkoop de vrijheid van bieders om de hoogte van hun bod te bepalen op het bedrag dat zij voor de onroerende zaak over hebben niet aantast. Ook overigens heeft eiser geen bijzondere omstandigheden gesteld die er aan in de weg staan om deze transactie te beschouwen als een verkoop waarbij de onroerende zaak na de meest geschikte voorbereiding naar de meest biedende koper is gegaan. Het eigen verkoopcijfer van de onroerende zaak vertegenwoordigt dan ook de marktwaarde van de onroerende zaak. Rekening houdend met de stijgende markt is de WOZ-waarde niet te hoog vastgesteld.

5.5

De matrix ondersteunt de vastgestelde WOZ-waarde. De in het taxatierapport vermelde vergelijkingsobjecten zijn bruikbaar bij de waardering, omdat deze op de belangrijkste waardebepalende kenmerken, zoals ligging, type, bouwjaar, inhoud, oppervlakte en onderhoudstoestand goed vergelijkbaar zijn met de onroerende zaak. Uit de matrix bij het taxatierapport volgt dat de m2-prijs van de onroerende zaak € 1.l60; bedraagt tegen een gemiddelde m2-prijs van € 1.292,- voor de vergelijkingsobjecten.

6. Eiser voert aan, dat verweerder de waarde van de onroerende zaak te hoog heeft vastgesteld door onvoldoende rekening te houden met de ligging van de onroerende zaak in een buurt in Rotterdam met veel criminaliteit.

6.1

Uit het taxatierapport van verweerder blijkt dat de vergelijkingsobjecten in dezelfde wijk als de onroerende zaak liggen, Een mogelijk waardedrukkend effect door het karakter van de buurt is dan ook reeds verdisconteerd in de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten.

7. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten