Gerechtshof Den Haag, 13-12-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2759, BK-21/01044
Gerechtshof Den Haag, 13-12-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2759, BK-21/01044
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 13 december 2022
- Datum publicatie
- 1 februari 2023
- Zaaknummer
- BK-21/01044
- Relevante informatie
- Art. 17 lid 2 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 24 Wet WOZ, Art. 28 Wet WOZ
Inhoudsindicatie
Art. 22, art. 24 en art. 28 Wet WOZ; art. 4:879, art. 4:880, art. 4:884, art. 4:899, art. 4:921, art. 4:1103 en art. 4:1104 OBW.
Aannemelijk is geworden dat belanghebbende onder het tot 1 januari 2003 geldende erfrecht als wettelijk erfgenaam kan worden aangemerkt. Gelet daarop is hij gerechtigd tot een ‘reguliere’ beschikking ex artikel 22, lid 1, Wet WOZ en heeft de Heffingsambtenaar zijn verzoek om een ‘medebelanghebbendebeschikking’ ex artikel 28, lid 1, Wet WOZ terecht afgewezen.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-21/01044
in het geding tussen:
(gemachtigde: A. Bakker)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 7 september 2021, nummer SGR 20/7864.
Procesverloop
Belanghebbende heeft bij brief van 8 mei 2020 de Heffingsambtenaar verzocht hem ter zake van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de woning) een beschikking als bedoeld in artikel 28, lid 1, van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) te geven voor het belastingjaar 2019 (medebelanghebbendebeschikking 2019).
Belanghebbende heeft bij e-mailbericht van 8 mei 2020 de Heffingsambtenaar verzocht hem ter zake van de woning een beschikking als bedoeld in artikel 28, lid 1, Wet WOZ te geven voor het belastingjaar 2020 (medebelanghebbendebeschikking 2020).
Bij beschikking van 30 juni 2020 (de beschikking) heeft de Heffingsambtenaar de onder 1.1 en 1.2 bedoelde verzoeken afgewezen.
De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikking gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht van € 48 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 134. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 november 2022. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
De heer [A] (erflater) is in 1998 overleden. Tot de nalatenschap behoort de woning.
Belanghebbende is bij het testament van erflater van 10 januari 1991 aangewezen als executeur testamentair. Bij verklaring van executele van 26 oktober 1998 is belanghebbende tot executeur testamentair benoemd.
Voor de woning zijn voor kalenderjaren 2019 en 2020 beschikkingen op grond van artikel 22 Wet WOZ gegeven (de reguliere beschikkingen). Deze zijn geadresseerd aan “ [A] Erfgenamen T.a.v. [belanghebbende] ” en verzonden naar het adres van belanghebbende aan de [adres 2] te [woonplaats] (het postadres).
Bij brief en e-mailbericht van 8 mei 2020 heeft belanghebbende de Heffingsambtenaar verzocht hem voor de woning voor de jaren 2019 en 2020 een medebelanghebbendebeschikking te verstrekken.
De Heffingsambtenaar heeft de gemachtigde van belanghebbende bij e-mailberichten van 12 mei 2020 en 14 mei 2020 verzocht uiterlijk op 9 juni 2020 een verklaring van erfrecht te overleggen.
De gemachtigde van belanghebbende heeft als motivering voor het verzoek gesteld dat belanghebbende erfgenaam is en als zodanig belang heeft bij een dergelijke beschikking. Ter onderbouwing van die stelling heeft hij bij e-mailbericht van 12 mei 2020 een kopie van het trouwboekje van erflater, een verklaring van executele en een kopie van het testament overgelegd. Uit het trouwboekje blijkt dat belanghebbende een van de vier kinderen van erflater is.
Bij e-mailbericht van 28 mei 2020 heeft de Heffingsambtenaar de gemachtigde van belanghebbende het volgende bericht:
“Uw client kan eventueel ook een ander bewijsstuk aanleveren, bijvoorbeeld gegevens waaruit blijkt dat er door hem in de hoedanigheid van erfgenaam (en dus niet in hoedanigheid als executeur testamentair) erfbelasting is betaald.”
Bij e-mailbericht van 5 juni 2020 heeft de Heffingsambtenaar de gemachtigde van belanghebbende verzocht uiterlijk op 9 juni 2020 de verklaring van erfrecht dan wel een bewijsstuk waaruit blijkt dat belanghebbende erfgenaam is, toe te zenden.
In het e-mailbericht van 11 juni 2020 is de hiervoor genoemde termijn verlengd tot uiterlijk 19 juni 2020 en is belanghebbende verzocht om de verklaring van erfrecht of een ander bewijsstuk over te leggen waaruit blijkt dat belanghebbende erfgenaam is.
Bij beschikking van 30 juni 2020 heeft de Heffingsambtenaar het verzoek voor beide jaren afgewezen. De afwijzing is als volgt gemotiveerd:
“Een medebelanghebbende-beschikking wordt alleen aan een belanghebbende verstrekt. Uw client is volgens het Kadaster geen (mede)eigenaar). (…).”
Op 13 augustus 2021 heeft belanghebbende bij het Centraal Testamentregister verzocht om een inlichting. In de door het Centraal Testamentregister afgegeven verklaring is opgenomen dat erflater op 10 januari 1991 een openbaar testament heeft laten opmaken dat alle voorgaande uiterste wilsbeschikkingen herroept.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“8. In geschil is of verweerder terecht geweigerd heeft een beschikking op grond van artikel 28 van de Wet WOZ te verstrekken.
9. Op grond van artikel 24, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet WOZ geschiedt de bekendmaking van de WOZ-beschikking door toezending aan degene die aan het begin van het kalenderjaar het genot heeft van de onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. Uit het door verweerder overgelegde uittreksel van het Kadaster blijkt dat de erflater nog steeds als eigenaar van de woning staat geregistreerd. Voorts is hierin het adres [adres 2] te [woonplaats] als postadres opgenomen. Nu erflater is overleden, maar de woning nog wel op zijn naam staat, heeft verweerder de WOZ-beschikking terecht op naam van de erven van de erflater gezet en op juiste wijze bekend gemaakt door deze te versturen naar het postadres van de erfgenamen.
10. Tegen een op naam van de erfgenamen gestelde WOZ-beschikking kunnen allereerst de erven gezamenlijk opkomen. Voorts kan de individuele erfgenaam die rechthebbende is tot een nog onverdeelde nalatenschap tegen deze beschikking opkomen. Niet in geschil is dat geen bezwaar is gemaakt tegen de WOZ-beschikking.
11. Op grond van artikel 28, eerste en tweede lid, van de Wet WOZ kan - samengevat en zakelijk weergegeven - ook aan een medebelanghebbende de vastgestelde waarde van een onroerende zaak op zijn verzoek een waardebeschikking op zijn naam worden toegezonden. Voor afgifte van een medebelanghebbendebeschikking is onder meer vereist dat de aanvrager ervan aannemelijk maakt met betrekking tot de heffing van belasting te zijnen aanzien belang te hebben bij de vastgestelde waarde van een onroerende zaak. De bewijslast in deze rust op eiser.
12. De rechtbank is van oordeel dat eiser met hetgeen door hem is overgelegd niet is geslaagd in het bewijs dat hij belang heeft bij de vastgestelde waarde van de woning. Eiser heeft gesteld dat hij erfgenaam is en daarom als belanghebbende kan verzoeken om een medebelanghebbendebeschikking. Bij testament van 10 januari 1991 heeft erflater eiser tot executeur testamentair benoemd, de erflater heeft bij dit testament geen erfgenamen aangewezen. Uit de verklaring van executele volgt dat tegen deze benoeming geen bezwaren zijn geuit en dat eiser deze benoeming heeft aanvaard. Nu het niet ongebruikelijk is dat een executeur testamentair geen erfgenaam is kan uit de genoemde stukken niet worden afgeleid dat eiser erfgenaam is.
12. Ook uit de door eiser overgelegde kopie van het trouwboekje kan zulks niet worden afgeleid. Daaruit volgt immers alleen dat uit het huwelijk vier kinderen zijn geboren. Eisers stelling dat hij als kind recht heeft op een legitieme portie kan hem evenmin baten. Een kind dat geen erfgenaam is neemt onder het geldende erfrecht bij het opeisen van zijn legitieme portie niet de positie in van erfgenaam, maar van schuldeiser. Voorts dient degene die recht heeft op een legitieme portie deze op te eisen binnen vijf jaar en kan deze ook verworpen worden.
13. De rechtbank overweegt dat op basis van de door eiser overgelegde stukken niet kan worden uitgesloten dat de erflater, bij een ander testament, naast de kinderen ook anderen heeft aangewezen als (mede)erfgenaam en/of legaten heeft gemaakt. Degene die dat kan vaststellen is een notaris. Nu eiser geen verklaring van erfrecht heeft ingediend kon verweerder op basis van de door eiser overgelegde stukken niet vaststellen of eiser belang heeft bij de vastgestelde waarde van een onroerende zaak. De rechtbank merkt hierbij op dat verweerder eiser in de gelegenheid heeft gesteld om op een andere wijze aan te tonen dat hij erfgenaam is. Nu eiser daarvan geen gebruik heeft gemaakt, heeft verweerder het verzoek van eiser om een medebelanghebbendenbeschikking terecht afgewezen.
14. Hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd kan niet leiden tot een ander oordeel. In de door eiser aangevoerde jurisprudentie was telkens sprake van een situatie waarin de belanghebbende aangemerkt kon worden als erfgenaam, hetgeen in de onderhavige zaak juist niet is komen vast te staan. De omstandigheid dat eiser in de beroepsfase, op aanwijzing van verweerder, alsnog een verklaring van het Centraal Testamentregister heeft overgelegd kan hem evenmin baten. Dit neemt immers niet weg dat verweerder in zijn uitspraak op bezwaar terecht heeft geoordeeld dat eiser er niet in geslaagd was het door hem aan te leveren bewijs te verstrekken. Dat verweerder eiser niet eerder heeft gewezen op de mogelijkheid het Centraal Testamentregister te raadplegen doet hier niet aan af, nu voor verweerder daartoe geen verplichting bestaat. Voorts is de rechtbank niet gebleken van strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur.
15. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”