Gerechtshof Den Haag, 04-05-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1000, Bk-22/00629
Gerechtshof Den Haag, 04-05-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1000, Bk-22/00629
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 4 mei 2023
- Datum publicatie
- 26 juni 2023
- Zaaknummer
- Bk-22/00629
- Relevante informatie
- Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ
Inhoudsindicatie
Art. 17 Wet WOZ.
Eigen verkoopcijfer van ruim twee jaar voor de waardepeildatum geïndexeerd met algemene indexeringscijfers. Waarde woning niet aannemelijk gemaakt. Waardebepaling in goede justitie.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-22/00629
in het geding tussen:
(gemachtigde: R.H. Meijer)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 9 juni 2022, nummer ROT 21/3788.
Procesverloop
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2020 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op € 590.000. Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2021 opgelegde aanslag in de onroerende-zaakbelastingen (de aanslag).
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het tegen de beschikking en de aanslag gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 49. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht van € 136 geheven. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Er is op 11 maart 2023 een nader stuk van belanghebbende, aangeduid als pleitnota, ontvangen.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 22 maart 2023. De gemachtigde van belanghebbende heeft aan de zitting deelgenomen via MS Teams, waarbij sprake is van een rechtstreekse beeld- en geluidsverbinding met het Hof. De Heffingsambtenaar is verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het betreft een vier-onder-één-kap woonboerderij met een inhoud van 633 m3, uit het bouwjaar 1850. De oppervlakte van het perceel bedraagt ongeveer 355 m2. De woning is verder voorzien van een dakkapel, een inpandige berging (120 m3) en een aanbouw (200 m3). Er is een vrijstelling voor waterverdedigingswerken toegepast voor 15 m2. De woning is als gemeentelijk monument aangemerkt. Belanghebbende heeft de woning op 24 november 2017 gekocht voor € 530.000 en de woning is op 24 december 2017 aan hem geleverd.
De Heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de door hem beschikte waarde verwezen naar de geïndexeerde koopsom van de woning, zoals opgenomen in het door de Heffingsambtenaar overgelegde Rapport prijsontwikkeling woningen van Vastgoedpro.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“3. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de onroerende zaak bepaald op de waarde die eraan moet worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom ervan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet WOZ blijkt dat de WOZ-waarde gelijk dient te zijn aan de prijs die de meest biedende koper betaalt na de meest geschikte voorbereiding.
4. Verweerder moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld. Hiertoe verwijst hij naar het eigen aankoopcijfer van de onroerende zaak. Eiser heeft de woning op of rond 24 november 2017, leveringsdatum 14 december 2017, gekocht voor € 530.000,-.
5. Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad, zie de uitspraak van 29 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8610, dient, in een geval waarin een belastingplichtige een woning kort voor of na de peildatum heeft gekocht, in de regel ervan worden uitgegaan dat de waarde overeenkomt met de door de belastingplichtige betaalde prijs. Dat kan anders zijn indien de partij die zich daarop beroept feiten of omstandigheden stelt en aannemelijk maakt waaruit volgt dat de verkoopprijs niet de juiste waarde weergeeft.
Hoewel de aankoop van de woning niet plaatsvond binnen één jaar voor of na de waardepeildatum, maar ongeveer twee jaar voor de waardepeildatum, betekent dit niet zonder meer dat in deze zaak geen sprake is van een bruikbaar eigen transactiecijfer. Verweerder rechtvaardigt het gebruik van een prijs die twee jaar voor de waardepeildatum tot stand is gekomen door erop te wijzen dat de onroerende zaak een schaars en daardoor minder goed vergelijkbaar object is. Dat rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank het aanhaken bij de eigen aankoopprijs (zie de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 19 januari 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:34). Het eigen transactiecijfer van de onroerende zaak is namelijk in beginsel een veel nauwkeurigere indicatie van de marktwaarde dan de verkoopcijfers van vergelijkingsobjecten. Het eigen transactiecijfer behoeft immers, anders dan de verkoopcijfers van vergelijkingsobjecten - bijzondere omstandigheden daargelaten - niet te worden gecorrigeerd voor verschillen in bouwjaar, inhoud en/of oppervlakte, aanbouwen, ligging, onderhoud, kwaliteit, uitstraling en andere voor de waarde relevante verschillen tussen de te waarderen woning en de vergelijkingsobjecten, en tussen de vergelijkingsobjecten onderling. Vanwege deze veel grotere nauwkeurigheid leidt de herleiding van de marktwaarde van een woning op de waardepeildatum uit een eigen transactiecijfer, dat is gerealiseerd op een tijdstip dat op een wat grotere afstand in de tijd van de waardepeildatum verwijderd is dan met betrekking tot de verkoopcijfers van vergelijkingsobjecten aanvaardbaar is, tot een betrouwbaarder resultaat dan een herleiding van de marktwaarde uit betrekkelijk kort voor of na de waardepeildatum gerealiseerde verkoopcijfers van vergelijkingsobjecten. Dit brengt mee dat de waarde van de woning op de waardepeildatum in beginsel kan worden afgeleid uit de voor de onroerende zaak betaalde prijs, mits rekening is gehouden met de algemene waardeontwikkeling van de woning en daarmee vergelijkbare woningen in de periode tussen de aankoop en de waardepeildatum (hierna: de generieke waardeverandering) en met specifiek voor de woning geldende waardeveranderingen in die periode, bijvoorbeeld ten gevolge van aan of in de woning verrichte werkzaamheden (hierna: de specifieke waardeverandering).
De rechtbank constateert dat verweerder het eigen verkoopcijfer voor de generieke waardeverandering heeft geïndexeerd. Op basis van de gerealiseerde koopsom is de koopsom geïndexeerd naar de waardepeildatum. Dat heeft geresulteerd in een geïndexeerde koopsom van € 636.000,-. Hiermee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de generieke waardeverandering aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft toegelicht dat € 46.000,- van de geïndexeerde koopsom is afgetrokken, vanwege scheurvorming en overige waardedrukkende eigenschappen, omstandigheden en factoren welke zich na de aankoop hebben voorgedaan. Hiermee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de specifieke waardeverandering aannemelijk gemaakt.
Dit betekent dat in beginsel kan worden uitgegaan van het eigen transactiecijfer, rekening houdend met de bovengenoemde generieke en specifieke waardeverandering.
Dat is alleen anders, indien eiser feiten of omstandigheden zou stellen en aannemelijk zou maken waaruit volgt dat het eigen transactiecijfer niet de WOZ-waarde weergeeft. Eiser stelt dat er na 2017 sprake is van toenemende verkeersdrukte op de [naam straat] . Er is sprake van schade aan de onroerende zaak, vanwege de bouw van een nieuwbouwproject en het wegdek van de [naam straat] is in slechte toestand, waardoor er sprake is van toenemende trillingsschade aan de onroerende zaak. Ook is het uitzicht verslechterd door de verandering van vrij uitzicht op weilanden, naar uitzicht op huizen.
Verweerder bestrijdt, dat sprake is van significante schade als gevolg van de bouwwerkzaamheden, dat sprake is van een significante toename van het wegverkeer langs de [naam straat] , dat het wegdek van de [naam straat] zo slecht zou zijn, dat het - samen met de toenemende gebruik van de [naam straat] - trillingschade zou hebben veroorzaakt en dat er sprake zou zijn van verslechtering van het uitzicht die tot waardevermindering zou leiden.
De rechtbank is van oordeel dat eiser het onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat niet van het eigen transactiecijfer kan worden uitgegaan. Eiser heeft ter zitting aangegeven dat de schade door de bouw aan de onroerende zaak rond de € 75.000,- bedraagt. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat op de verbeteringen de vuistregel van toepassing is, dat van een investering in een bestaande woning zestig procent in de waarde is terug te zien zou zijn. Dat betekent dat verweerder door € 46.000,- af te trekken van de geïndexeerde koopsom voldoende rekening heeft gehouden met de schade. Los daarvan heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er voor € 75.000,- aan schade zou zijn, anders dan door het overleggen van enkele foto’s waarop scheuren te zien zijn. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van toenemende verkeersdrukte en/of trillingsschade door de slechte toestand van het wegdek van de [naam straat] . De toename van het aantal verkeersbewegingen door de toevoeging van vier woningen aan de [naam straat] kan niet anders dan een zeer beperkt effect hebben. Eiser heeft - tegen de ontkenning van verweerder in - niet gewezen op tellingen of concrete oorzaken voor een significante toename van het verkeer. Verweerder heeft voor de toestand van het wegdek van de [naam straat] gewezen op door hem overgelegde foto’s, waaruit geen gebreken te zien zijn. Ook is niet aannemelijk geworden dat het veranderende uitzicht maakt dat niet van het eigen transactiecijfer kan worden uitgegaan. Eiser heeft ter zitting aangegeven dat hij er ten tijde van de aankoop van de [adres] van op de hoogte was dat er op de tegenoverliggende groenstrook gebouwd zou worden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat deze nieuwbouw is verdisconteerd in het eigen transactiecijfer. Bovendien staan de nieuwbouwwoningen schuin tegenover de onroerende zaak en heeft de verandering van een smalle groenstrook (van weiland is geen sprake) naar vier woningen in één gebouw geen grote en niet per definitie een negatieve invloed gehad op het uitzicht vanuit de onroerende zaak.
6. Dit betekent dat in dit geval maatgevend is het eigen transactiecijfer. Verweerder heeft de waarde van de onroerende zaak op € 590.000,- daarom niet te hoog vastgesteld. Omdat de rechtbank het eigen transactiecijfer maatgevend acht, komt de rechtbank niet meer toe aan bespreking van de overige standpunten van eiser, die de vergelijking met andere onroerende zaken betreffen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
In geschil is of de waarde van de woning op een te hoog bedrag is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Heffingsambtenaar ontkennend.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en wijziging van de beschikking aldus dat de waarde van de woning nader wordt vastgesteld op € 500.000 met dienovereenkomstige vermindering van de aanslag.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.