Gerechtshof Den Haag, 18-04-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1003, BK-22/00745
Gerechtshof Den Haag, 18-04-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1003, BK-22/00745
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 18 april 2023
- Datum publicatie
- 26 juni 2023
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2022:6201, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- BK-22/00745
- Relevante informatie
- Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 2 Uitv reg uitg obj
Inhoudsindicatie
Wet WOZ. Waarde woning. Eigen verkoopcijfer. Uniek object. Verkoop 36 maanden na waardepeildatum kan, na correctie voor specifieke of generieke waardeveranderingen, gebruikt worden voor de vaststelling van de WOZ-waarde.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-22/00745
in het geding tussen:
(gemachtigde: N. Dreierink)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van de Heffingsambtenaar tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 7 juni 2022, nummer SGR 21/1669.
Procesverloop
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2019 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 1.237.000. Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2020 opgelegde aanslag in de onroerende-zaakbelastingen (de aanslag).
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het tegen de beschikking en de aanslag gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht van € 49 geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt:
- -
-
“verklaart het beroep gegrond;
- -
-
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- -
-
wijzigt de beschikking aldus dat de vastgestelde waarde wordt verminderd tot € 1.200.000;
- -
-
vermindert de aanslag onroerende-zaakbelasting tot een berekend naar een waarde van € 1.200.000;
- -
-
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- -
-
wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af;
- -
-
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.620;
- -
-
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49 aan eiseres te vergoeden.”
De Heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 7 maart 2023. De Heffingsambtenaar is verschenen. De gemachtigde van belanghebbende noch belanghebbende is – met kennisgeving – verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Belanghebbende was in het onderhavige belastingjaar eigenaar van de woning, een rijksmonument. Het betreft een vrijstaande molen (type grondzeiler) en een recreatiewoning, gebouwd in respectievelijk 1707 en 2007. De woning heeft een inhoud van ongeveer 396 m3, de recreatiewoning heeft een inhoud van ongeveer 225 m3 en beide zijn gelegen op een perceel van ongeveer 3.970 m2, waarvan ongeveer 469 m2 is aangemerkt als waterverdedigingswerk in de zin van artikel 2, lid 1, letter f, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ. De woning is verder voorzien van een berging.
De Heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de beschikte waarde de akte van levering met dagtekening 7 juni 2022, ter zake van de verkoop van de woning op 21 januari 2022 door belanghebbende en [A] aan [B] , de koper, overgelegd. Voorts heeft de Heffingsambtenaar verwezen naar de stijgingspercentages van de gemeente Kaag en Braassem als vermeld op de site van de Waarderingskamer, die als volgt kunnen worden weergegeven:
|
Periode |
Stijgingspercentage |
|
|
1-1-2019 |
1-1-2020 |
9,3% |
|
1-1-2020 |
1-1-2021 |
7,4% |
|
1-1-2021 |
1-1-2022 |
11,4% |
Belanghebbende heeft in beroep ter onderbouwing van de door haar bepleite waarde van € 920.000 verwezen naar het vergelijkingsobject [adres 2] te [woonplaats 2] , dat op 19 november 2020 is verkocht. Voorts heeft belanghebbende de akte van levering van dit vergelijkingsobject, gedagtekend 1 december 2020, overgelegd. In hoger beroep heeft belanghebbende geen verweer gevoerd.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“5. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum.
6. Eiseres bepleit een waarde van € 920.000. Hiertoe voert eiseres aan dat verweerder de vastgestelde WOZ-waarde niet aannemelijk maakt. De gebruikte referentieobjecten zijn volgens eiseres niet vergelijkbaar. Zij zijn aanzienlijk groter, liggen aan open water en hebben veel minder onderhoudskosten dan een molen. Ook de vergelijking die verweerder maakt met de aankoopprijs van de woning in 2009 gaat niet op. Eiseres wijst verder op de verkoop van een andere molen aan de [adres 2] te [woonplaats 2] die op 2 december 2020 voor € 950.000 is verkocht. Dit is naar de mening van eiseres een zeer goed vergelijkbaar object. Ter zitting heeft gemachtigde van eiseres verzocht om immateriële schadevergoeding.
7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft verweerder een taxatierapport overgelegd, opgemaakt op 5 juni 2020 door [C] , WOZ-taxateur te [woonplaats 2] . In dit taxatierapport is de waarde van de woning bepaald op € 1.237.000. Naast gegevens van de woning, bevat het gegevens van een aantal vergelijkingsobjecten.
8. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding" (Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44).
9. Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op het door hem overgelegde taxatierapport en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, hierin niet geslaagd. Naar volgt uit het taxatierapport en de daarbij gevoegde matrix, is de waarde van de woning bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. De door verweerder gehanteerde referentiepanden acht de rechtbank onvoldoende vergelijkbaar met de woning. Dit geldt zowel met betrekking tot de inhoud van de referentiepanden, die veel groter zijn, als het bouwjaar van de referentiepanden en de ligging van de referentiepanden ten opzichte van het open water.
Bovendien hebben de door verweerder gehanteerde referentiepanden niet de status van rijksmonument. Ook heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de jaarlijkse onderhoudskosten van de referentiepanden op een vergelijkbaar niveau liggen als die van de woning.
10. Nu verweerder niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of eiseres de door haar verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord. De door eiseres aangedragen referentie, de molen aan de [adres 2] te [woonplaats 2] , betreft ook een molen die qua woon- en kaveloppervlakte nagenoeg overeenkomt met de woning. Deze referentie is evenwel bijna 2 jaar na de peildatum verkocht en heeft bovendien een minder fraaie liggen dan de woning. Voorts onderbouwt eiseres met deze referentie niet haar stelling dat de markt voor monumentale molens van 2008/2009 tot 2019 sterk is gedaald. Deze referentie is immers in 1998 aangekocht voor € 440.167 en verkocht in december 2020 voor € 950.000. Voorgaande verkoopcijfers wijzen er niet op dat geen sprake is van een stijgende markt voor molens.
11. Nu geen van beide partijen naar het oordeel van de rechtbank er in is geslaagd het van haar gevergde bewijs te leveren, bepaalt de rechtbank de waarde van de woning op de waardepeildatum in goede justitie op € 1.200.000.
12. Gemachtigde van eiseres heeft voorts ter zitting verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in de arresten van de Hoge Raad van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006 en 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Er is echter aanleiding om de termijn in dit geval wegens bijzondere omstandigheden te verlengen met vier maanden omdat de Coronacrisis een uitzonderlijke en onvoorzienbare situatie is die voldoende reden geeft om een langere redelijke termijn dan een termijn van twee jaar te hanteren. Verweerder heeft het bezwaarschrift ontvangen op 8 april 2020 en de rechtbank doet uitspraak op 7 juni 2022, zodat de redelijke termijn, rekening houdend met de verlenging als gevolg van de Coronacrisis, niet wordt overschreden. Het verzoek om schadevergoeding wordt dan ook afgewezen.
13. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de waarde van de woning alsmede de daarop gebaseerde aanslag te hoog is vastgesteld en is het beroep gegrond verklaard.
14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.620 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 269, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 541 en een wegingsfactor 1).”