Home

Gerechtshof Den Haag, 01-06-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1099, BK-22/00485

Gerechtshof Den Haag, 01-06-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1099, BK-22/00485

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
1 juni 2023
Datum publicatie
17 juli 2023
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2023:1099
Zaaknummer
BK-22/00485
Relevante informatie
Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ

Inhoudsindicatie

Art. 17, lid 2, Wet WOZ. Waarde woning. Woning met uitzicht op een zijmuur. De Heffingsambtenaar heeft in voldoende mate rekening gehouden met verschillen in objectkenmerken tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. Dienen de door belanghebbende aangedragen objecten in de vergelijking te worden betrokken?

Uitspraak

Team Belastingrecht

enkelvoudige kamer

nummer BK-22/00485

in het geding tussen:

(gemachtigde: A. Bakker)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 30 maart 2022, nummer SGR 21/329.

Procesverloop

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2019 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 432.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2020 opgelegde aanslag in de onroerende-zaakbelastingen (de aanslag).

1.2.

De Heffingsambtenaar heeft het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de beschikking en de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht van € 49 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 136. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 21 april 2023. De gemachtigde van belanghebbende en de Heffingsambtenaar hebben deelgenomen aan de zitting via MS Teams, waarbij sprake was van een directe beeld- en geluidsverbinding met het Hof. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning is gebouwd in 2017 en betreft een rijwoning met een aanbouw, dakkapel en berging. De inhoud van de woning is ongeveer 477 m3 en de oppervlakte van het perceel is 139 m2.

2.2.

De Heffingsambtenaar heeft een taxatierapport met een matrix overgelegd, opgemaakt op 18 mei 2021 door [naam taxateur] RT, WOZ-taxateur, waarin de waarde van de woning is bepaald op € 432.000. De matrix bevat onder meer de volgende informatie:

Adres

De woning

[adres 2]

[adres 3]

Soort

rijwoning

rijwoning

rijwoning

Bouwjaar

2017

2017

2017

WOZ-waarde

€ 432.000

Transactie

€ 410.000

25-06-2019

Voorl. Koopc.

29-03-2019

€ 485.000

24-10-2019

Voorl. Koopc.

20-08-2019

Geïndexeerde transactie koopdatum

€ 405.941

€ 464.190

Waarde

- grond

- woning

- berging

- dakkapel

- aanbouw

€ 121.129

€ 295.542

€ 2.400

€ 2.000

€ 11.589

€ 117.309

€ 273.406

€ 2.400

€ 2.000

€ 10.726

€ 117.309

€ 317.573

€ 2.400

€ 2.000

€ 24.908

Inhoud

- woning

- berging

- aanbouw

459 m3

12 m3

18 m3

459 m3

12 m3

18 m3

459 m3

12 m3

36 m3

Oppervlakte grond

139 m2

133 m2

133 m2

KOUDV

L

3-3-3-3-3

3

3-3-3-3-3

3

3-3-3-3-3

3

PPE (€) gemiddeld

€ 643,88

€ 595,87

€ 691,88

2.3.

Tot de gedingstukken behoort een taxatierapport ten aanzien van [adres 2] , opgemaakt op 3 april 2019 naar waardepeildatum 29 maart 2019. In dat taxatierapport is de waarde van dat object bepaald op € 450.000.

2.4.

Belanghebbende heeft in de stukken verwezen naar de verkooptransactie van [adres 4] , welk object op 6 mei 2020 is verkocht voor een bedrag van € 420.000.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

“7. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever “de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding” (Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44).

8. Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op het door hem overgelegde taxatierapport en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, hierin geslaagd. Naar volgt uit het taxatierapport en de daarbij gevoegde matrix, is de waarde van de woning bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn, te weten [adres 2] (verkocht op 25 juni 2019 met transactieprijs € 410.000) en [adres 3] (verkocht op 24 oktober 2019 met transactieprijs € 485.000). De rechtbank acht die vergelijkingsobjecten gelet op de ligging in dezelfde straat, het type object (rijwoning), de nagenoeg identieke perceeloppervlakte en inhoud en identiek bouwjaar (2017) zeer goed vergelijkbaar met de woning. In de matrix zijn nog twee extra onderbouwingen opgenomen die niet zijn gebruikt voor de berekening van de waarde, te weten [adres 5] (verkocht op 24 oktober 2019 met transactieprijs € 481.000) en [adres 6] (verkocht op 24 oktober 2019 met transactieprijs € 477.601). Uit de matrix volgt dat verweerder de woning en de vergelijkingsobjecten voor alle objectkenmerken als gemiddeld heeft beoordeeld en daaraan een vlok-codering van 3 (op een schaal van 5) heeft toegekend. Uit de matrix blijkt voorts dat uit de kubieke meterprijzen van de vergelijkingsobjecten [adres 2] (€ 595,87) en [adres 3] (€ 691,88) een gemiddelde prijs per kubieke meter volgt van € 643,88. Deze kubieke meterprijs heeft verweerder gebruikt voor de waarde van de woning. Met het taxatierapport en de daarbij behorende matrix heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat bij de herleiding van de aan de woning toegekende waarde uit de bij de verkoop van de vergelijkingsobjecten behaalde verkoopprijzen, in voldoende mate rekening is gehouden met de geringe verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning. Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat de voorgestelde waarde in een onjuiste verhouding staat tot de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten.

9. Wat eiser heeft aangevoerd, doet aan het hier boven gegeven oordeel niet af. Eisers stellingen dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat [adres 5] een hoekwoning betreft en [adres 6] in een bovengemiddelde staat verkeerd, treffen geen doel. Zoals hierboven aangegeven volgt uit de matrix dat verweerder deze vergelijkingsobjecten niet heeft gebruikt voor de berekening van de waarde van de woning. Eisers stelling dat de keuken en badkamer van de woning in eenvoudige staat verkeren in vergelijking met de vergelijkingsobjecten [adres 3] en [adres 2] , acht de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. Uit de door eiser overgelegde foto’s leidt de rechtbank niet af dat deze vergelijkingsobjecten veel beter zijn afgewerkt dan de woning en zo er al sprake zou zijn van een verschil in kwaliteit heeft eiser onvoldoende inzichtelijk gemaakt in welke mate dit invloed heeft op de waarde van de woning. Eisers betoog dat de aanwezigheid van een blinde muur de waarde van de woning negatief beïnvloedt, slaagt evenmin. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat en in welke mate de aanwezigheid van een blinde muur invloed heeft op de waarde van de woning. Daarbij komt dat ook het vergelijkingsobject [adres 2] net als de woning uitkijkt op de blinde muur. Anders dan eiser betoogt, blijkt uit de uitspraak van gerechtshof ’s-Gravenhage van 29 oktober 2003[1] niet dat een blinde muur per definitie een waardedrukkend effect heeft. Uit die uitspraak valt immers niet op te maken of die feitelijke situatie vergelijkbaar is met die van eiser en daarbij komt dat in die procedure tussen partijen niet in geschil was dat het uitzicht op een blinde muur een waardedrukkende invloed heeft, terwijl de waardedrukkende invloed nu juist wel door verweerder wordt betwist.

10. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de waarde van de woning alsmede de daarop gebaseerde aanslag niet te hoog zijn vastgesteld en is het beroep ongegrond verklaard.

[1] Gerechtshof ’s-Gravenhage van 29 oktober 2003, ECLI:NL:GHSGR:2003:AO0550.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing