Gerechtshof Den Haag, 04-04-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1111, BK-22/00836 en 22/00929
Gerechtshof Den Haag, 04-04-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1111, BK-22/00836 en 22/00929
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 4 april 2023
- Datum publicatie
- 20 juli 2023
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2022:7801, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- BK-22/00836 en 22/00929
- Relevante informatie
- Art. 225 Gemw
Inhoudsindicatie
Naheffingsaanslagen parkeerbelasting. In verband met een storing bij het aanmelden parkeerbelasting betaald voor een andere zone dan de parkeerzone waarin de auto stond geparkeerd. Gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-22/00836 en 22/00929
in het geding tussen:
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van de Heffingsambtenaar tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 26 juli 2022, nummers SGR 21/4585, 21/4586 en 21/4587.
Procesverloop
Aan belanghebbende zijn drie naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting opgelegd ter zake van parkeren op 6 mei 2021, 7 mei 2021 en 31 mei 2021 in de gemeente Delft.
De Heffingsambtenaar heeft de tegen de naheffingsaanslagen gemaakte bezwaren bij drie afzonderlijke uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft beroep bij de Rechtbank ingesteld. De griffier heeft ter zake een griffierecht geheven van eenmaal € 49. De Rechtbank heeft de beroepen ter zake van het parkeren op 6 en 7 mei 2021 (nummers SGR 21/4585 en 21/4586) gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd en de naheffingsaanslagen verminderd tot nihil. Het beroep ter zake van het parkeren op 31 mei 2021 (nummer SGR 21/4587) is ongegrond verklaard. Voorts heeft de Rechtbank de Heffingsambtenaar opgedragen het betaalde griffierecht van € 49 te vergoeden.
De Heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank voor wat betreft de naheffingsaanslagen die betrekking hebben op het parkeren op 6 en 7 mei 2021 hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Voorafgaand aan de zitting heeft belanghebbende een pleitnota ingediend, ingekomen op 20 februari 2023.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 21 februari 2023. Partijen hebben aan de zitting deelgenomen via MS Teams, waarbij sprake was van een rechtstreekse beeld- en geluidsverbinding met het Hof. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Na de zitting heeft belanghebbende een nader stuk ingediend, ingekomen op 22 februari 2023. Dit stuk geeft geen aanleiding tot heropening van het onderzoek in deze zaken. Partijen is bericht dat het nader stuk niet tot de gedingstukken wordt gerekend en dat geen acht wordt geslagen op de inhoud daarvan.
Feiten
Op 6 mei 2021 om 10.28 uur stond de auto van belanghebbende met kenteken
[kenteken] (de auto) geparkeerd aan [adres 1] , te [plaats] . Op 7 mei 2021 om 10.53 uur stond de auto geparkeerd aan [adres 2] , te [plaats] . Deze locaties zijn door burgemeester en wethouders van de gemeente Delft aangewezen als plaats waar op die data en tijdstippen uitsluitend tegen betaling van parkeerbelasting of met een geldige parkeervergunning kan worden geparkeerd.
Tijdens controles is geconstateerd dat op de genoemde data en tijdstippen voor de auto geen parkeerbelasting was voldaan en dat ook niet met een geldige parkeervergunning was geparkeerd. De Heffingsambtenaar heeft naheffingsaanslagen opgelegd ten bedrage van ieder € 91, bestaande uit € 30 parkeerbelasting en € 61 kosten naheffing. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslagen bezwaar gemaakt.
De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraken op bezwaar van 4 juni 2021 en 19 juli 2021 ter zake van het parkeren op respectievelijk 6 en 7 mei 2021, de naheffingsaanslagen gehandhaafd.
Belanghebbende heeft met dagtekening 11 juli 2021 een (pro-forma) beroepschrift ingediend, gericht tegen de naheffingsaanslagen.
De Rechtbank heeft het beroep tegen de uitspraken op bezwaar van 4 juni 2021 en 19 juli 2021 tegen de naheffingsaanslagen ter zake van het parkeren op 6 en 7 mei 2021, gegrond verklaard. Op deze naheffingsaanslagen ziet het hoger beroep.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“4. Eiser stelt dat hij op 6 mei 2021 heeft geprobeerd de auto aan te melden in zijn parkeerapp voor parkeerzone [zone 1] zonder dat dit lukte. Eiser heeft daarop direct telefonisch contact opgenomen met [naam] waar een medewerker volgens eiser heeft gemeld dat de zonecode inderdaad niet werkt en heeft verklaard dat eiser zonecode [zone 2] kon gebruiken om zich alsnog aan te melden. Op 7 mei 2021 heeft eiser na een poging tot aanmelding voor zonecode [zone 1] , zelf besloten zich aan te melden voor zonecode [zone 2] . Na zijn vakantie heeft eiser op 31 mei 2021, toen aanmelding voor zonecode [zone 1] wederom niet mogelijk bleek, tevergeefs geprobeerd telefonisch contact met [naam] op te nemen en daarna zich aangemeld voor zonecode [zone 2] . Tevens stelt eiser pas kennis te hebben genomen van de uitspraak op bezwaar met dagtekening 21 oktober 2021 toen de rechtbank daarvan een kopie aan hem heeft toegezonden. Verweerder heeft reeds op 26 oktober 2021 een e-mail toegezonden, maar het bijgevoegde document was niet leesbaar. Volgens eiser heeft verweerder daarmee niet voldaan aan de termijneisen en dient deze uitspraak op bezwaar en de onderliggende naheffingsaanslag te worden vernietigd.
5. Verweerder stelt dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Volgens verweerder is van een telefonisch gesprek op 6 mei 2021 geen registratie te vinden in het systeem. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens verweerder ook niet slagen omdat eiser geen naam heeft van de medewerker waarmee hij heeft gesproken. Tevens stelt verweerder dat de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar van 19 juli 2021 en 21 oktober 2021 prematuur zijn ingediend en de beroepen daarom niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.
Ontvankelijkheid
6. Eiser heeft op 11 juli 2021 zijn beroepschrift ingediend tegen de uitspraak op bezwaar van 4 juni 2021. In zijn beroepschrift heeft eiser tevens pro forma beroep aangetekend tegen de naheffingsaanslagen van 7 mei 2021 en 31 mei 2021, waarvan de uitspraken op bezwaar pas volgden op 19 juli 2021 en 21 oktober 2021. Volgens eiser was ten aanzien van de drie naheffingsaanslagen sprake van vrijwel identieke gevallen. De rechtbank heeft de gronden en de uitspraken op bezwaar ten aanzien van deze twee naheffingsaanslagen opgevraagd en onderkend dat sprake is van samenhangende zaken. Daarmee gaat de rechtbank ervan uit dat het beroepschrift van 11 juli 2021 ook was gericht tegen de uitspraken op bezwaar van 19 juli 2021 en 21 oktober 2021. De rechtbank acht de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar van 19 juli 2021 en 21 oktober 2021 dan ook ontvankelijk.
Parkeren in de verkeerde zone
7. De rechtbank stelt voorop dat van een parkeerder mag worden verwacht dat hij zich ter plaatse op de hoogte stelt van het op de parkeerlocatie van toepassing zijnde parkeerregime. Niet alleen via informatie in de parkeerapp, maar ook fysiek bij de aanwezige parkeerapparatuur of overige aanwezige bebording. Uit de overgelegde stukken volgt dat eiser wist dat de auto in parkeerzone [zone 1] geparkeerd stond. Dat eiser zich heeft aangemeld voor een andere parkeerzone, namelijk parkeerzone [zone 2] , en voor deze zone parkeerbelasting heeft voldaan, is niet in geschil.
8. Voor parkeerzone [zone 2] geldt een tarief van € 1,00 voor het eerste uur en € 4,50 voor de opvolgende uren. Door het invoeren van de verkeerde parkeerzone heeft eiser te weinig parkeerbelasting voldaan. De naheffingsaanslag is – in beginsel – dan ook terecht en naar de juiste hoogte opgelegd.
9. Voor zover eiser een beroep heeft gedaan op het vertrouwensbeginsel, overweegt de rechtbank het volgende. Volgens eiser heeft hij contact opgenomen met [naam] over het niet functioneren van zijn parkeerapp ten aanzien van parkeerzone [zone 1] , waarop een medewerker hem heeft gemeld dat hij de auto kon aanmelden in zijn parkeerapp door gebruik te maken van parkeerzone [zone 2] . Verweerder heeft daarop verklaard altijd een registratie te maken van een dergelijk telefoongesprek onder vermelding van het betreffende kenteken. Uit het systeem van verweerder volgt geen registratie van een dergelijk telefoongesprek. Eiser heeft wel een uitdraai van zijn telefoonnota aan de rechtbank overgelegd. Tevens heeft eiser ter zitting verklaard voor 6 mei 2021 al meerdere keren in parkeerzone [zone 1] geparkeerd te hebben, omdat hij in het centrum van [plaats] in de directe omgeving van de plaatsen waar hij heeft geparkeerd een klus had. Voor 6 mei 2021 heeft hij eerder nooit problemen ervaren bij het aanmelden van de auto in zijn parkeerapp voor parkeerzone [zone 1] . Eiser wist dan ook dat parkeren in parkeerzone [zone 1] alleen mogelijk was met een dagkaart in en heeft dat tot 6 mei 2021 ook altijd gedaan. Ook heeft eiser ter zitting gesteld geen enkel belang te hebben bij het aanmelden in een andere parkeerzone waarvoor een lager tarief heeft te gelden en geen dagkaart aangeschaft dient te worden, omdat de parkeerkosten door zijn opdrachtgever werden vergoed. De door eiser overgelegde overzichten van de met zijn telefoon gebelde nummers ondersteunen eisers stelling dat hij op 6 mei en 31 mei 2021 telefonisch contact heeft gezocht met [naam] . Ter zitting heeft eiser gezegd dat hij zich niet kan herinneren of bij het telefoongesprek op 6 mei 2021 is gevraagd naar zijn kenteken. De rechtbank acht aannemelijk dat de instructies van verweerder aan de medewerkers van [naam] luiden dat bij telefonisch contact het kentekennummer moet worden geregistreerd, maar verweerder heeft niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat deze instructie ook steeds wordt opgevolgd. Nu wel aannemelijk is dat er op 6 mei 2021 telefonisch contact is geweest tussen eiser en [naam] en geen registratie van het gesprek op kentekennummer heeft plaatsgevonden, moet het ervoor gehouden worden dat de instructies niet altijd worden opgevolgd. De rechtbank acht voorts aannemelijk dat eiser met zijn opdrachtgever (die ongetwijfeld op de hoogte is van het parkeerregime ter plekke) heeft afgesproken dat de parkeerkosten door de laatste worden vergoed. Dit betekent dat eiser zelf geen direct financieel belang heeft bij het betalen van een lagere belasting voor het parkeren dan verschuldigd is. In het licht hiervan is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat eiser inderdaad onjuiste informatie van een medewerker van [naam] heeft gekregen, waarnaar eiser heeft gehandeld. Het beroep op het vertrouwensbeginsel ten aanzien van de naheffingsaanslagen van 6 mei 2021 en 7 mei 2021 slaagt.
10. Ten aanzien van de naheffingsaanslag van 31 mei 2021 kan het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slagen. De naheffingsaanslagen van 6 mei 2021 en 7 mei 2021 hebben een dagtekening van respectievelijk 10 mei 2021 en 13 mei 2021. Deze naheffingsaanslagen heeft eiser dan ook ruim voor het opleggen van de naheffingsaanslag van 31 mei 2021 ontvangen. Eiser heeft ter zitting verklaard ook op 31 mei 2021 gebeld te hebben naar [naam] , maar door de lange wachttijden na een aantal minuten te hebben opgehangen. Gezien het voorgaande kan een beroep op het vertrouwensbeginsel ten aanzien van deze naheffingsaanslag dan ook niet slagen. Ten tijde van het parkeren van de auto op 31 mei 2021 had eiser immers redelijkerwijs op de hoogte kunnen en behoren te zijn dat het aanmelden voor een andere zone dan de zone waarin hij geparkeerd stond tot problemen heeft geleid. Dat eiser, zoals hij ter zitting heeft verklaard, met vakantie was en de bij thuiskomst aangetroffen naheffingsaanslagen pas later heeft geopend en gezien doet aan het voorgaande niet af. Ook het pas later openen van de eerder opgelegde naheffingsaanslagen dient voor rekening en risico van eiser te komen.
11. Ook de omstandigheid dat eiser pas kennis heeft kunnen nemen van de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de naheffingsaanslag van 31 mei 2021 nadat de rechtbank deze aan eiser heeft doorgestuurd, doet aan het voorgaande niet af. Voor het doen van uitspraak op bezwaar geldt op grond van artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet – in afwijking van artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht – niet de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak op bezwaar. Verweerder heeft voor het doen van uitspraak op bezwaar tot het einde van het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen de tijd. Dat de uitspraak pas op 26 oktober 2021 per e-mail door eiser is ontvangen, zoals blijkt uit de door eiser overgelegde stukken, doet aan het voorgaande dan ook niet af. De uitspraak op bezwaar is dan ook tijdig door verweerder gedaan.
12. Gezien het voorgaande is het beroep tegen de uitspraken op bezwaar van 4 juni 2021 en 19 juli 2021 gegrond en het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 21 oktober 2021 ongegrond.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”