Gerechtshof Den Haag, 15-06-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1282, BK-22/00667
Gerechtshof Den Haag, 15-06-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1282, BK-22/00667
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 15 juni 2023
- Datum publicatie
- 1 augustus 2023
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2022:6334, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- BK-22/00667
- Relevante informatie
- Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 4 Uitv.reg. WOZ, Art. 8:56 Awb
Inhoudsindicatie
Artikel 8:56 Awb; de Rechtbank heeft ten onrechte niet beslist op het verzoek om uitstel van belanghebbende. Artikel 17, lid 2, Wet WOZ; waarde woning wordt bepaald op basis van recente verkoopprijzen. De Heffingsambtenaar heeft de waarde, op basis van de vergelijkingsmethode, aannemelijk gemaakt. Het door belanghebbende aangedragen object acht het Hof niet geschikt.
Uitspraak
Team Belastingrecht
enkelvoudige kamer
nummer BK-22/00667
in het geding tussen:
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 23 juni 2022, nummer SGR 21/2485.
Procesverloop
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2019 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 1.500.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2020 opgelegde aanslag in de onroerende-zaakbelastingen (de aanslag).
De Heffingsambtenaar heeft het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft een griffierecht geheven van € 49. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Er is een griffierecht geheven van € 136. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting op 11 april 2023 een pleitnota ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 4 mei 2023. De Heffingsambtenaar is verschenen. Belanghebbende heeft deelgenomen aan de zitting via MS Teams, waarbij sprake was van een directe beeld- en geluidsverbinding met het Hof. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Het Hof heeft na afloop van de zitting op 4 mei 2023 een e-mail van belanghebbende ontvangen met een kopie van hetgeen hij ter zitting heeft voorgedragen (de tweede pleitnota).
Feiten
Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning is een herenhuis in een rij met een carport en fietsenschuur.
De Heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de waarde in beroep een taxatieverslag en een matrix overgelegd. Daarin is de waarde van de woning op de waardepeildatum bepaald op € 1.500.000. De matrix bevat, onder meer, de volgende gegevens:
|
[adres] |
[adres 2] |
[adres 3] |
[adres 4] |
|
|
Objectsoort |
Tussen-Herenhuis |
Tussen-Herenhuis |
Tussen-Herenhuis |
Tussen-Herenhuis |
|
Bouwjaar |
1910 |
1882 |
1900 |
1897 |
|
Oppervlakte perceel |
217 m2 |
332 m2 |
149 m2 |
279 m2 |
|
GO m2 |
287 m2 |
355 m2 |
295 m2 |
266 m2 |
|
WOZ 2020 |
€ 1.500.000 |
|||
|
Koopsom |
€ 2.050.000 |
€ 1.550.000 |
€ 1.385.000 |
|
|
Transportdatum |
1-3-2019 |
11-3-2019 |
7-9-2018 |
|
|
Prijs per m2 GO |
- |
€ 5.775 |
€ 5.254 |
€ 5.207 |
|
Prijs per m2 GO waardepeildatum |
€ 5.226 |
- |
- |
- |
De Heffingsambtenaar heeft in hoger beroep een tweede matrix overgelegd. Daarin is de waarde van de woning bepaald op € 1.500.000. De tweede matrix bevat, onder meer, de volgende gegevens:
|
[adres] |
[adres 5] |
[adres 3] |
[adres 6] |
|
|
Objectsoort |
Tussen-Herenhuis |
Tussen-Herenhuis |
Tussen-Herenhuis |
Eind-Herenhuis |
|
Bouwjaar |
1910 |
1886 |
1900 |
1820 |
|
Oppervlakte perceel |
217 m2 |
166 m2 |
149 m2 |
198 m2 |
|
GO m2 |
287 m2 |
336 m2 |
295 m2 |
273 m2 |
|
WOZ 2020 |
€ 1.500.000 |
|||
|
Koopsom |
€ 2.800.000 |
€ 1.550.000 |
€ 1.790.000 |
|
|
Transportdatum |
30-12-2019 |
11-3-2019 |
28-6-2018 |
|
|
Koopsom op waardepeildatum |
€ 2.641.000 |
€ 1.512.000 |
€ 1.906.000 |
|
|
Prijs per m2 GO |
- |
€ 8.333 |
€ 5.254 |
€ 6.557 |
|
Prijs per m2 GO waardepeildatum |
€ 5.226 |
€ 7.860 |
€ 5.125 |
€ 6.982 |
Belanghebbende heeft in de stukken verwezen naar de verkooptransactie van [adres 7] , welk object op 28 juni 2018 is verkocht voor een bedrag van € 1.295.000.
De Rechtbank heeft bij brief van 2 maart 2023 een vooraankondiging voor een mondelinge behandeling op 13 mei 2022 verstuurd.
Belanghebbende heeft bij brief van 7 maart 2022 te kennen gegeven dat hij niet aanwezig kan zijn bij de mondelinge behandeling op 13 mei 2022. In die brief is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“In reactie op uw brief deel ik u mede dat ik niet aanwezig kan zijn op de voorgestelde zittingsdatum, 13 mei 2022. De reden is dat die datum valt in mijn reeds lang vastgestelde en betaalde langdurige vakantie in het buitenland.
In de periode van twee weken voor de genoemde datum tot zes weken erna ben ik, waarschijnlijk, alleen beschikbaar op 23 en 24 juni 2022. De redenen daarvoor zijn de bovengenoemde langdurige vakantie in het buitenland, waarvan ik pas in de loop van juni zal terugkeren, en het feit dat ik in het buitenland woon en, mede gezien de Covid-reisbeperkingen, niet zeker weet of ik eerder naar Nederland zou kunnen reizen. Ik heb de twee genoemde data voorgesteld omdat ik ervan uit ga dat de kans op reisbeperkingen het kleinst is aan het einde van de periode van zes weken.
Ik hoop dat de desbetreffende afdeling van de Gemeente Den Haag op die dagen aanwezig zal kunnen zijn. Zij hebben immers een grote afdeling met verschillende deskundige medewerkers, en op de twee voorgestelde data zijn de zomervakanties nog niet begonnen.”
De Rechtbank heeft bij brief van 15 april 2023 een vooraankondiging voor een mondelinge behandeling op 9 juni 2022 verstuurd.
Vervolgens heeft de Rechtbank bij brief van 11 mei 2022 partijen uitgenodigd voor de mondelinge behandeling op 9 juni 2022.
Belanghebbende is niet verschenen op de mondelinge behandeling. In de uitspraak van de Rechtbank is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“Zitting
(…)
[Belanghebbende] is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 11 mei 2022 aan eiser op het adres [postadres] te [woonplaats 2] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. [Belanghebbende] is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 12 mei 2022 op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.”
2.4.6. Belanghebbende heeft in hoger beroep een brief aan de Rechtbank van 20 april 2022 overgelegd. In die brief is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“In reactie op uw brief deel ik u mede dat ik helaas niet aanwezig kan zijn op de voorgestelde
zittingsdatum, 9 juni 2022. De reden is mijn reeds lang vastgestelde en betaalde langdurige vakantie in het buitenland.
In de periode van twee weken voor de genoemde datum tot zes weken erna ben ik alleen beschikbaar van maandagmiddag 27 juni tot en met donderdag 30 juni 2022. De redenen daarvoor zijn de bovengenoemde langdurige vakantie in het buitenland, waarvan ik pas in de loop van juni zal terugkeren, en mijn vertrek naar een volgende langdurige vakantie in het buitenland op 1 juli 2022. De langdurige vakanties zijn geboekt nu de Covid-reisbeperkingen, die het reizen door gepensioneerden moeilijk maakten, recentelijk zijn beperkt of afgeschaft.
Ik hoop dat de desbetreffende afdeling van de Gemeente Den Haag op die dagen aanwezig zal kunnen zijn. Zij hebben immers een grote afdeling met verschillende deskundige medewerkers, en op de vier voorgestelde data zijn de zomervakanties nog niet begonnen.”