Home

Gerechtshof Den Haag, 06-07-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1435, BK-22/00615

Gerechtshof Den Haag, 06-07-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1435, BK-22/00615

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
6 juli 2023
Datum publicatie
10 augustus 2023
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2023:1435
Formele relaties
Zaaknummer
BK-22/00615
Relevante informatie
Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ

Inhoudsindicatie

Overschrijding van de redelijke termijn met één dag. In overeenstemming met het eensluidende standpunt van partijen, kent het Hof een vergoeding van immateriële schade toe van € 500.

Uitspraak

Team Belastingrecht

enkelvoudige kamer

nummer BK-22/00615

in het geding tussen:

(gemachtigde: B. de Jong)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 27 mei 2022, nummer SGR 21/2490.

Procesverloop

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2019 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 120.000 (de beschikking).

1.2.

De Heffingsambtenaar heeft het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het verzoek om een dwangsom afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Er is een griffierecht geheven van € 49. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Er is een griffierecht geheven van € 136. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 21 juni 2023. De Heffingsambtenaar heeft deelgenomen aan de zitting via MS Teams, waarbij sprake was van een directe beeld- en geluidsverbinding met het Hof. Belanghebbende is, met bericht van verhindering en zonder verzoek om uitstel van de zitting, niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende is de gebruiker van de woning. De woning is een galerijflat met een gebruiksoppervlakte van ongeveer 50 m2 en gebouwd in 1975.

2.2.

De gemachtigde van belanghebbende heeft bij brief van 22 mei 2020, ontvangen door de Heffingsambtenaar op 27 mei 2020, bezwaar gemaakt tegen de beschikking.

2.3.

De Heffingsambtenaar heeft met dagtekening 23 februari 2021 uitspraak op bezwaar gedaan.

2.4.

De Rechtbank heeft op 27 mei 2022 uitspraak gedaan.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder:

“10. Ter zitting heeft eiseres tevens verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens het overschrijden van de redelijke termijn. De redelijke termijn is aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder, zijnde 27 mei 2020. Nu de rechtbank op 27 mei 2022 uitspraak doet, is de redelijke termijn met één dag overschreden. Gelet op de zeer geringe omvang van de overschrijding, volstaat de rechtbank met de constatering van het feit dat de redelijke termijn is overschreden.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten en griffierecht

Beslissing