Home

Gerechtshof Den Haag, 19-07-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1436, BK-22/01226

Gerechtshof Den Haag, 19-07-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1436, BK-22/01226

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19 juli 2023
Datum publicatie
10 augustus 2023
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2023:1436
Zaaknummer
BK-22/01226
Relevante informatie
Art. 225 Gemw, Art. 6:119 BW

Inhoudsindicatie

Wettelijke rente over proceskosten en griffierecht. Procesbelang ontbreekt. De Heffingsambtenaar heeft de vergoedingen binnen vier weken na de uitspraak van de Rechtbank betaald. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Team Belastingrecht

enkelvoudige kamer

nummer BK-22/01226

in het geding tussen:

(gemachtigde: N.G.A. Voorbach)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 14 oktober 2022, nummer ROT 21/1129.

Procesverloop

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 67,00, bestaande uit € 2,50 aan parkeerbelasting en € 64,50 aan kosten van de naheffingsaanslag (de naheffingsaanslag).

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard en bij gelijktijdig opgelegde beschikking het verzoek om een dwangsom afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Er is een griffierecht geheven van € 49. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 200,-;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 300,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 379,50;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 379,50;

- gelast dat verweerder de helft van het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoedt, zijnde € 24,50;

- gelast dat de Staat der Nederlanden de helft van het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoedt, zijnde € 24,50.”

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Er is een griffierecht geheven van € 136.

1.5.1.

De Heffingsambtenaar heeft op 18 april 2023 een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend.

1.5.2.

De Heffingsambtenaar heeft op 19 juni 2023 een nader stuk ingediend.

1.6.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 21 juni 2023. Partijen hebben deelgenomen aan de zitting via MS Teams, waarbij sprake was van een directe beeld- en geluidsverbinding met het Hof. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Op 3 mei 2020 stond de auto met het kenteken [kenteken] (de auto) geparkeerd aan de [adres] te [woonplaats] . Deze locatie is aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting kan worden geparkeerd. Voor de auto was geen parkeerbelasting voldaan. Naar aanleiding hiervan is de naheffingsaanslag opgelegd.

2.2.1.

Nadat de Heffingsambtenaar het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ongegrond heeft verklaard, heeft belanghebbende op 26 februari 2021 beroep ingesteld bij de Rechtbank. In het beroepschrift is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

III. Petitum

Alles overwegende verzoekt belanghebbende uw rechtbank:

- (…)

- te bepalen dat de heffingsambtenaar over het griffierecht en de proceskosten wettelijke rente is verschuldigd, zulks nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van uw uitspraak, tot aan de dag van algehele voldoening.”

2.2.2.

Belanghebbende heeft bij brief van 25 juli 2022 de Rechtbank verzocht om een vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn toe te kennen. In deze brief is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“In dit dossier is de redelijke termijn inmiddels overschreden. Dit maakt dat de Staat der Nederlanden hiervoor in deze procedure aansprakelijk is.[3] Derhalve verzoekt belanghebbende uw rechtbank bijkomend om;

a. vast te stellen dat de redelijke termijn van art. 6 EVRM is geschonden;

b. de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen tot het aan [belanghebbende] voldoen van een immateriële schadevergoeding;

c. een tegemoetkoming in de kosten voor dit verzoekschrift (verzoek tot schadevergoeding 8:88/89 Awb).

[3] HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rov. 3.14.2 alsmede het dictum.”

2.2.3.

In het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“Rechter: [de gemachtigde van belanghebbende], er is geparkeerd in strijd met een wettelijk voorschrift, stelt u?

[Belanghebbende]: Ook in deze zaak trekken wij de beroepsgrond inhoudelijk in. Alleen het verzoek ten aanzien van de redelijke termijn wordt gehandhaafd.”

2.2.4.

De Rechtbank heeft de Heffingsambtenaar en de Staat der Nederlanden veroordeeld tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade. Ook heeft de Rechtbank de Heffingsambtenaar en de Staat der Nederlanden, ieder voor de helft, veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het betaalde griffierecht (zie 1.3).

2.3.1.

In het hogerberoepschrift van 15 november 2022 is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

III. Petitum

Alles overwegende verzoekt belanghebbende uw Hof:

- (…)

- te bepalen dat de heffingsambtenaar over het griffierecht en de proceskosten wettelijke rente is verschuldigd, zulks nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van uw uitspraak, tot aan de dag van algehele voldoening.”

2.3.2.

In het nader stuk van 18 april 2023 van de Heffingsambtenaar is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“In dit kader vermelden wij dat de uitspraak door de rechtbank is gedaan op 14 oktober 2022. De betaling van €604,- (bestaande uit €200,- aan immateriële schadevergoeding, €379,50 aan proceskosten en het griffierecht ad €24,50) is op 3 november 2022 uitbetaald aan de gemachtigde. Gemachtigde heeft dit tevens bevestigd via de e-mail (zie bijlage).”

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

Belang

1. Eiser heeft ter zitting zijn beroepsgrond tegen het bestreden besluit niet langer gehandhaafd. Voorts heeft eiser de rechtbank gevraagd om verweerder te veroordelen tot betaling van een immateriële schadevergoeding omdat de procedure onredelijk lang heeft geduurd.

2. Verweerder heeft gesteld dat eiser inhoudelijk geen belang meer heeft bij de voortzetting van het beroep nu hij zijn beroepsgrond ook eerder had kunnen intrekken. De rechtbank gaat voorbij aan deze stelling, omdat voor eiser een belang is gelegen in het verkrijgen van een oordeel over zijn verzoek tot schadevergoeding. Bovendien heeft eiser toegelicht dat pas na het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1127) over het bevestigen van een elektrische auto aan een laadpaal terwijl deze niet aan het opladen is, duidelijk is geworden dat de beroepsgrond van eiser niet langer haalbaar is.

Redelijke termijn

3. De rechtbank zal het beroep van eiser behandelen als een verzoek om schadevergoeding.

3.1.

Op grond van vaste rechtspraak, bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 19 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, geldt dat de berechting van een zaak door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien zij niet binnen twee jaar nadat door verweerder het bezwaarschrift is ontvangen uitspraak doet. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar hoogstens een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Bijzondere omstandigheden om daarvan af te wijken zijn hier niet aan de orde.

3.2.

Het bezwaarschrift is op 20 mei 2020 ontvangen, terwijl de onderhavige uitspraak wordt gedaan op 14 oktober 2022. Dit betekend dat de redelijke termijn is overschreden met ongeveer vijf maanden. Uitgaande van een vergoeding van € 500,- per half jaar, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, komt dat neer op een schadevergoeding van € 500,-. Het bestreden besluit dateert van 29 januari 2021. Dat is ongeveer acht maanden na ontvangst van het bezwaarschrift en daarmee een overschrijding van ongeveer twee maanden. Dit maakt dat de overschrijding voor 2/5 deel (€ 200,-) aan verweerder is toe te rekenen en voor 3/5 (€ 300,-) aan de staat.

3.3.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat in het nadeel van eiser rekening dient te worden gehouden met zijn verzoek om uitstel voor de behandeling van de zaak op de zitting van 6 juli 2022. Ook indien geen uitstel zou zijn gevraagd en de zaak op deze zittingsdatum zou zijn behandeld, zou sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn van twee maanden hetgeen neer zou komen op een schadevergoeding van € 500,-. Het verzoek om uitstel is dus niet van invloed geweest op de hoogte van de schadevergoeding en ook niet op de verdeling van deze vergoeding tussen verweerder en de Staat.

Proceskostenvergoeding en griffierecht

4. De rechtbank vindt in de omstandigheid dat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, aanleiding verweerder en de Staat te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 759,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 0,5). Omdat de vergoeding enkel plaatsvindt in verband met de toekenning van een vergoeding van immateriële schade, is de wegingsfactor voor het gewicht van de zaak gesteld op 0,5 (Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660). Daarnaast heeft eiser recht op vergoeding van het door hem betaalde griffierecht.

4.1.

De vergoeding van de proceskosten en het griffierecht moet deels plaatsvinden door verweerder en deels door de Staat. Om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid wordt uitgegaan van een verdeling waarbij ieder van hen de helft betaalt (Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252).

4.2.

Eiser heeft verder verzocht om een tegemoetkoming in de kosten voor het verzoekschrift waarin word verzocht om een immateriële schadevergoeding. Dit verzoek wordt door de rechtbank afgewezen. Hiertoe overweegt de rechtbank dat voor een verzoek om immateriële schadevergoeding geen (afzonderlijk) verzoekschrift is vereist. Het enkel benoemen van het verzoek is voldoende. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in een geval als dit, waarin een verzoek om immateriële schade wordt gevraagd in een beroep tegen het materiële geschil, er geen afzonderlijke proceshandelingen vereist zijn om het beoogde doel (de toekenning van de schadevergoeding) te bereiken.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing