Home

Gerechtshof Den Haag, 23-08-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1761, BK-23/00246

Gerechtshof Den Haag, 23-08-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1761, BK-23/00246

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23 augustus 2023
Datum publicatie
2 oktober 2023
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2023:1761
Formele relaties
Zaaknummer
BK-23/00246
Relevante informatie
Art. 225 Gemw

Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Het beroep op overmacht slaagt niet, omdat belanghebbende niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-23/00246

in het geding tussen:

(gemachtigde: N.G.A. Voorbach)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 8 februari 2023, nummer SGR 21/8359.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Den Haag opgelegd ten bedrage van € 65,40, bestaande uit € 0,10 aan parkeerbelasting en € 65,30 aan kosten van de naheffingsaanslag.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 49. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 136. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 13 juli 2023. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2. Op 17 april 2021 om 16:46 uur stond de auto van belanghebbende met kenteken [kenteken] (de auto) geparkeerd ter hoogte van het [adres] te [woonplaats] . Deze locatie is door burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag aangewezen als een plaats waar alleen tegen betaling van parkeerbelasting of met een geldige parkeervergunning mag worden geparkeerd. Tijdens een controle op het genoemde tijdstip is door de parkeercontroleur geconstateerd dat de auto zonder geldige parkeervergunning geparkeerd stond en dat ook geen parkeerbelasting was voldaan. Naar aanleiding daarvan heeft de Heffingsambtenaar belanghebbende de naheffingsaanslag opgelegd.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

“4. Eiser stelt dat sprake was van een overmachtssituatie, waardoor toepassing van de regelgeving leidt tot een kennelijk onredelijke uitkomst. Daartoe heeft eiser verklaard dat een vrouw onwel werd en flauw viel toen hij naar de parkeerautomaat liep. Eiser heeft geprobeerd de vrouw wakker te krijgen, maar zag al snel een wond op haar hoofd. Omstanders hebben een ambulance gebeld en eiser is bij de vrouw gebleven tot de ambulance ter plaatse was. Eiser heeft ter ondersteuning van zijn verklaring ook een getuigenverklaring van zijn echtgenote overgelegd.

5. Verweerder heeft de stellingen van eiser gemotiveerd weersproken.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat de auto stond geparkeerd, dat ter zake daarvan parkeerbelasting was verschuldigd en dat eiser geen parkeerbelasting heeft voldaan. De naheffingsaanslag is dan ook terecht opgelegd.

7. De rechtbank stelt voorop dat parkeerbelasting een objectieve belasting is, waarbij opzet en schuld geen rol spelen. Dit is slechts anders in het geval van een acute noodsituatie met een dermate uitzonderlijk en buitengewoon karakter dat er geen rechtsplicht tot betaling van parkeerbelasting bestaat (overmacht). Hoewel de rechtbank de verklaring van eiser aannemelijk acht, kan de situatie van eiser niet worden aangemerkt als overmacht waardoor de vernietiging van de naheffingsaanslag geboden zou zijn. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat eiser aan zijn echtgenote, die kennelijk ook ter plaatse was, had kunnen vragen de parkeerbelasting te voldoen. Nu eiser dit heeft nagelaten, ziet de rechtbank geen aanleiding de naheffingsaanslag te vernietigen.

8. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing