Home

Gerechtshof Den Haag, 11-07-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1914, BK-22/00750 en BK-22/00752

Gerechtshof Den Haag, 11-07-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1914, BK-22/00750 en BK-22/00752

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11 juli 2023
Datum publicatie
17 oktober 2023
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2023:1914
Zaaknummer
BK-22/00750 en BK-22/00752
Relevante informatie
Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 4 Uitv.reg. WOZ

Inhoudsindicatie

Art. 17 Wet WOZ; Waarde winkel niet te hoog. Geen vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn; termijnverlenging in verband met coronavirus; analoge toepassing van HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-22/00750 en BK-22/00752

in het geding tussen:

(gemachtigde: D.A.N. Bartels)

en

de heffingsambtenaar van de Gemeentebelastingen en Basisinformatie Drechtsteden, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 27 mei 2022, nummers ROT 20/5643 en 20/5645.

Procesverloop

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 31 december 2019 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2017 (waardepeildatum I) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de onroerende zaak), voor het kalenderjaar 2018 vastgesteld op € 1.333.000 (de beschikking I). Met de beschikking is in één geschrift (onder meer) bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2018 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de [gemeente] (de aanslag I).

1.2.

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 31 december 2019 op grond van artikel 22 Wet WOZ de waarde op 1 januari 2018 (waardepeildatum II) van de onroerende zaak, voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op € 1.358.000 (de beschikking II). Met de beschikking is in één geschrift (onder meer) bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2019 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de [gemeente] (de aanslag II).

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de beschikkingen en aanslagen I en II bezwaar gemaakt. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar beide bezwaren ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft bij brief van 26 augustus 2022 een beroep op betalingsonmacht inzake griffierecht gedaan. Dit beroep is afgewezen bij brief van 16 september 2022, omdat geen gegevens over de financiële omstandigheden van belanghebbende zijn verstrekt. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.

1.6.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 9 mei 2023. Partijen zijn verschenen. Ter zitting zijn tevens behandeld het hoger beroep van belanghebbende, met zaaknummers BK-22/00531 en 22/00532, alsmede het hoger beroep van dezelfde gemachtigde, met zaaknummers BK-22/00533 tot en met 22/00536. Voor zover in die zaken door partijen stukken zijn overgelegd, worden die stukken geacht ook in de onderhavige procedure te zijn overgelegd. Tevens wordt hetgeen door partijen in die zaken voor het overige is aangevoerd, aangemerkt als te zijn aangevoerd in de onderhavige zaak. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Op waardepeildata I en II is belanghebbende eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak betreft een winkel met magazijnruimte uit het bouwjaar 1963.

2.2.

Belanghebbende heeft bij brieven, beide met dagtekening 23 januari 2020, bezwaar gemaakt tegen de beschikkingen en de aanslagen I en II.

2.3.

Op 31 augustus 2020 heeft de Heffingsambtenaar de onroerende zaak inpandig opgenomen, waarna de gemachtigde van belanghebbende op 1 september 2020 telefonisch is gehoord.

2.4.

Bij brief van 14 september 2020 heeft de Heffingsambtenaar vervolgens, in één geschrift vervatte, uitspraken op bezwaar gedaan.

2.5.

De Heffingsambtenaar heeft in beroep ter onderbouwing van de door hem beschikte waarde voor de belastingjaren 2018 en 2019 een waarderapport en een Rekenblad Bruto Kapitalisatiefactor van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten overgelegd. In het waarderapport zijn de volgende gegevens opgenomen:

Adres

Gebruiker

Bouwjaar

Tot. Bvo

Bvo prim

Bvo sec

Prim. Hp

[adres 1]

[B.V. 1]

1963

2.760

2.323

437

[adres 2]

[B.V. 2]

1971

1.663

1.663

€ 74

[adres 3]

[B.V. 3]

1980

1.025

684

341

€ 71

[adres 4]

[VOF 1]

1980

1.386

1.278

108

€ 55

[adres 5]

[A]

1980

990

684

306

€ 89

[adres 6]

[VOF 2]

1980

1.584

1.278

306

€ 51

[adres 7]

[B.V. 4]

1980

1.452

1.452

€ 79

[adres 8]

[B.V. 5]

1981

1.250

1.250

€ 54

[adres 9]

[B.V. 6]

1981

3.356

2.211

1.145

€ 51

[adres 10]

[B.V. 7]

1981

1.060

910

150

€ 71

[adres 11]

[B.V. 8]

1999

1.015

1.015

[adres 12]

[B.V. 9]

1999

4.279

3.887

392

€ 54

Gemiddeld gerealiseerde huurprijs prim.ruimte

€ 64

De Heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak als volgt berekend:

2018

2019

B.v.o

Hp

Hw

Kp

fct

Ond.wrd

B.v.o

Hp

Hw

Kp

fct

Ond.wrd

Winkel

2.323

54

125.442

9,0

1.128.978

2.323

57

146.349

9,0

1.317.141

Maga-zijn

437

40

17.480

9,0

157.320

437

37

16.169

9,0

148.667

Parkeer-terrein

46.900

2.500

€ 1.333.000

€ 1.358.000

2.6.

Belanghebbende verwijst in hoger beroep ter onderbouwing van haar standpunt naar een e-mailbericht van 28 april 2023, ontvangen van [B] , algemeen directeur van [naam] . Voorts verwijst belanghebbende naar een tweetal NEN 2580 meetrapporten met betrekking tot respectievelijk de [adres 1] en de [adres 1a] , die op 25 april 2023 zijn opgesteld door [B] . Deze meetrapporten bevatten, voor zover in hoger beroep van belang, de volgende gegevens:

BVO

Bruto Vloeroppervlakte (excl. Vides etc. > 4 m2)

Kantoor

1190,70 m2

Begane grond

313,70 m2

Eerste verdieping

438,50 m2

Tweede verdieping

438,50 m2

Magazijn

121, 40 m2

Begane Grond

121,40 m2

BVO

Bruto Vloeroppervlakte (excl. Vides etc. > 4 m2)

Winkel

2333,10 m2

Begane grond

2995,40 m2

Eerste verdieping

37,70 m2

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als één van de eiseressen en de Heffingsambtenaar als verweerder:

“3. Ter zitting hebben eiseressen hun gronden in de zogenoemde “pinpointbrief” van 14 januari 2022 laten vallen, behalve het verzoek tot schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Deze gronden hoeven dus geen bespreking meer. Het verzoek om schadevergoeding zal hieronder onder 11 worden besproken.

4. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de onroerende zaak bepaald op de waarde die eraan moet worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom ervan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet WOZ blijkt dat de WOZ-waarde gelijk dient te zijn aan de prijs die de meest biedende koper betaalt na de meest geschikte voorbereiding.

Deze waarde kan op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ bij niet-woningen worden bepaald door middel van een methode van kapitalisatie van de bruto huur, de huurwaarde-kapitalisatiemethode (de hwk-methode). Bij de waardebepaling door middel van deze methode wordt de waarde van een onroerende zaak verkregen door de huurwaarde van een object te vermenigvuldigen met een kapitalisatiefactor.

5. Verweerder moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld. Of verweerder daarin slaagt, hangt mede af van wat eiseressen aanvoeren.

6. De voor de verschillende waardepeildata aangehouden huurwaarden van de twee onroerende zaken heeft verweerder onderbouwd door middel van huurcijfers van goed vergelijkbare objecten, die in de buurt van de onroerende zaak liggen op hetzelfde industrieterrein.

Het enige concrete dat eiseressen hiertegen hebben aangevoerd is dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de crisis rond het coronavirus, omdat de door verweerder gehanteerde huurcijfers van daarvoor dateren.

Echter, op de waardepeildatum van 1 januari 2019, laat staan eerder, was nog geen sprake van een coronacrisis. Dat het coronavirus toen misschien wel al in Nederland aanwezig was maar alleen nog niet was vastgesteld, zoals eiseressen stellen, laat onverlet dat er op 1 januari 2019 – en eerder – nog geen sprake was van een crisis in verband met het coronavirus.

Verweerder had daarmee dan ook geen rekening hoeven houden.

Verweerder maakt dan ook aannemelijk dat hij de aangehouden huurwaarden niet te hoog heeft vastgesteld.

7. Verder heeft verweerder voor beide onroerende zaken voor alle waardepeildata een kapitalisatiefactor van 9 aangehouden. De onderbouwing hiervan door middel van de bottom-up-methode is reeds in bezwaar gegeven, waarnaar verweerder in beroep verwijst. Eiseressen hebben ter zitting aangevoerd dat in de berekening het leegstandsrisico te laag is ingeschat door verweerder. Het is daarbij ook vreemd dat overal een leegstandsrisico van 15 % is aangehouden, behalve voor de onroerende zaak I op de waardepeildatum 1 januari 2018; daar is 14,5 % aangehouden. Dit verschil is onverklaarbaar, aldus eiseressen.

Het door eiseressen aangevoerde baat hen niet vanwege het volgende.

In bezwaar hebben zij hetzelfde aangevoerd, waarna verweerder op de hoorzitting uiteen heeft gezet dat het leegstandsrisico is gebaseerd op de gegevens van de gebruikers-administratie van onroerende zaken die door de [gemeente] worden aangeleverd. Eiseressen hebben hier vervolgens niets tegen aangevoerd en hebben ook in beroep volstaan met niet specifiek op de zaak toegespitste beroepsgronden. Ter zitting hebben eiseressen vervolgens gesteld dat het leegstandsrisico 30 tot maximaal 50 % moet zijn zonder daarvan enige vorm van onderbouwing te geven. Dan kon verweerder volstaan met de verwijzing naar de gegevens uit de gebruikersadministratie van de [gemeente] .

Bovendien volgt uit de berekening van de kapitalisatiefactor voor de onroerende zaak I voor de waardepeildatum 1 januari 2018 een factor van 10,6 en dat is een stuk hoger dan de door verweerder feitelijk aangehouden kapitalisatiefactor van 9. Ook de berekeningen voor de overige waardepeildata voor beide onroerende zaken leiden allemaal tot een factor hoger dan 9. Een half procent leegstandsrisico meer of minder betekent dan niet dat de kapitalisatiefactor te hoog is vastgesteld. Verweerder slaagt dan ook wat betreft de kapitalisatiefactor in zijn bewijslast.

(…)

9. De slotsom is dus dat verweerder voor beide onroerende zaken voor alle in geding zijnde waardepeildata slaagt in zijn bewijslast.

10. De beroepen zijn daarom ongegrond.

11. Eiseressen verzoeken verder tot een schadevergoeding, omdat de procedures volgens hen onredelijk lang hebben geduurd.

11.1

Op basis van de richtlijnen van de Hoge Raad, zoals omschreven in zijn arrest van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, oordeelt de rechtbank als volgt.

11.2.

Voor een uitspraak in eerste aanleg geldt dat deze niet binnen een redelijke termijn is gedaan, als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt in beginsel aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt geldt daarbij een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

11.3.

Het beroep (dat later door de rechtbank in meerdere zaken is gesplitst) is ontvangen op 23 oktober 2020. Voor beroepen die tussen 1 december 2019 en 1 juni 2021 zijn ingediend ziet de rechtbank aanleiding de termijn met een half jaar te verlengen. Anders dan eiseressen hebben aangevoerd heeft corona niet gezorgd voor een snellere afdoening van zaken, maar is in deze periode de behandeling daarvan juist ernstig belemmerd door de ter bestrijding van het virus getroffen maatregelen. Als onderdeel van die maatregelen hebben bij de rechtbank Rotterdam van circa maart tot september 2020 geen belastingzittingen plaatsgevonden. Dit heeft grote gevolgen gehad voor de planning en afdoening van alle belastingzaken. Deze uitzonderlijke en onvoorzienbare situatie maakt dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. Dit betekent dat de redelijke termijn in dit geval tweeëneenhalf jaar bedraagt.

11.4

De bezwaarschriften zijn op 23 januari 2020, 27 januari 2020 en 11 maart 2020 door verweerder ontvangen, terwijl deze uitspraak wordt gedaan op 25 mei 2022. Daarom is de redelijke termijn van in dit geval tweeëneenhalf jaar, niet overschreden. Voor vergoeding van immateriële schade bestaat daarom geen grond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten en griffierecht

Beslissing