Gerechtshof Den Haag, 24-10-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2141, BK-22/01020
Gerechtshof Den Haag, 24-10-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2141, BK-22/01020
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 24 oktober 2023
- Datum publicatie
- 11 december 2023
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2022:14885, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- BK-22/01020
- Relevante informatie
- Art. 17 WOZ, Art. 22 WOZ
Inhoudsindicatie
Artikel 17 Wet WOZ. De Heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat de door hem vastgestelde WOZ-waarde van de recreatiewoning niet te hoog is.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-22/01020
in het geding tussen:
(gemachtigde: A. Bakker)
en
de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 5 september 2022, nummer SGR 21/2213.
Procesverloop
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2019 (de waardepeildatum) van de woning gelegen aan [adres 1] in [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 300.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2020 opgelegde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen en de watersysteemheffing (de aanslagen).
Belanghebbende heeft tegen de beschikking en de aanslagen bezwaar gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 49. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 136. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 12 september 2023. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2. Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning betreft een vrijstaande recreatiewoning met een inhoud van ongeveer 77 m³. De oppervlakte van het perceel is ongeveer 1.100 m².
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“5. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding" (Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44).
6. Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Met het door hem overgelegde taxatieverslag, de matrix en wat hij overigens heeft aangevoerd, is verweerder hierin geslaagd. Naar volgt uit de matrix, is de waarde van de woning bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn, te weten [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] . De rechtbank acht die vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar met de woning. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat tussen partijen niet in geschil is dat er rond de waardepeildatum geen verkopen hebben plaatsgevonden van objecten die beter met de woning vergelijkbaar zijn. Het ter zitting door eiser aangedragen object [adres 5] is pas verkocht op 29 november 2021 en is daarom niet geschikt om als vergelijking te dienen. Met het feit dat de woning alleen per (roei)boot is te bereiken, heeft verweerder voldoende rekening gehouden, door aan de woning voor de ligging een vlokcodering van 5 toe te kennen en aan de vergelijkingsobjecten een vlokcodering van 7. Met het verschil in inhoud en perceeloppervlakte is in de matrix eveneens voldoende rekening gehouden. Uit de matrix volgt verder dat verweerder de transactieprijzen van de vergelijkingsobjecten heeft geïndexeerd naar de waardepeildatum. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de toegepaste indexatiepercentages zijn berekend aan de hand van de verkoopcijfers en marktgegevens van recreatiewoningen, wat een andere markt is dan de reguliere woningmarkt. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de indexering te twijfelen. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat noch in bezwaar, noch in het beroepschrift de indexering aan de orde is gesteld.
7. Wat eiser overigens heeft aangevoerd, doet aan het hier boven gegeven oordeel niet af.
8. Eiser is voor de onderbouwing van de door hem voorgestane waarde van € 146.213 uitgegaan van de aankoopprijs van de woning in 2009 en de prijsontwikkeling van de markt. Doel en strekking van de Wet WOZ brengen mee dat de waarde van een onroerende zaak voor elk tijdvak opnieuw wordt bepaald aan de hand van gerealiseerde verkoopcijfers van met de woning vergelijkbare panden op of rond de waardepeildatum. De prijs die eiser zelf in 2009 voor de woning heeft betaald en de waardebepaling per 1 januari 2018, zijn voor de bepaling van de WOZ-waarde per 1 januari 2019 dan ook niet van belang.
9. Eisers stelling dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel volgt de rechtbank niet. In de uitspraak op bezwaar zijn na de zinsnede “U heeft hierbij de volgende punten genoemd” de diverse bezwaargronden (genummerd) opgenomen en onder de zinsnede “Mijn reactie op de door u genoemde punten” is op deze gronden ingegaan. Onder punt 3 van dit onderdeel van de uitspraak op bezwaar is verder opgenomen wat tijdens de hoorzitting is besproken, aangevuld met een reactie van verweerder. Dit betreft ook specifieke kenmerken van de woning. Het is de rechtbank niet gebleken dat dit een onjuiste weergave van het hoorgesprek is.
10. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de waarde van de woning niet te hoog vastgesteld en is het beroep ongegrond verklaard.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”