Home

Gerechtshof Den Haag, 07-11-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2264, BK-22/01353

Gerechtshof Den Haag, 07-11-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2264, BK-22/01353

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
7 november 2023
Datum publicatie
4 januari 2024
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2023:2264
Formele relaties
Zaaknummer
BK-22/01353
Relevante informatie
Art. 6:6 Awb, Art. 8:24 Awb, Art. 8:111 Awb, Art. 26a AWR

Inhoudsindicatie

Artikel 6:6 en 8:24, lid 2 Awb; ontbreken van een machtiging op naam van en ondertekend door belanghebbende. De echtgenoot van belanghebbende is geen medebelanghebbende. Toepassing van artikel 8:111, lid 1, letter c, Awb; zowel het principaal hoger beroep als het incidenteel hoger beroep zijn niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-22/01353

in het geding tussen:

en

de directeur van het Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie, Heffing en Waardebepaling, de Heffingsambtenaar,

( […] )

op het hoger beroep van [X] en het incidenteel hoger beroep van de Heffingsambtenaar tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 6 december 2022, nummer ROT 21/3538.

Procesverloop

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken de waarde op 1 januari 2020 van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op € 268.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2021 opgelegde aanslag in de onroerende-zaakbelastingen (de aanslag).

1.2.

[A] heeft tegen de beschikking en de aanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.

[A] heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Er is geen griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

1.4.

[A] heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Er is een griffierecht geheven van € 136. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.5.

[A] heeft op 7 september 2023 en 18 september 2023 nadere stukken ingediend.

1.6.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van 27 september 2023. Op de zitting zijn de zaken met de nummers BK-22/01350 tot en met BK-22/01361 en BK-23/00031 behandeld. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende is enig eigenaar van de woning.

2.2.

[A] heeft bij brief van 26 maart 2021 namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de beschikking en de aanslag.

2.3.

Bij e-mail van 30 maart 2021 heeft de Heffingsambtenaar aan [A] een ontvangstbevestiging gezonden. In deze ontvangstbevestiging is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“Uw bezwaarschrift namens [belanghebbende] met betrekking tot de aanslag met nummer [aanslagnummer] hebben wij in goede orde ontvangen, deze kunnen wij echter nog niet in behandeling nemen. De machtiging ontbreekt waaruit blijkt dat u bevoegd bent om namens uw cliënt een bezwaarschrift in te dienen.

Graag ontvangen wij deze machtiging binnen twee weken. Wanneer u dit niet doet zal uw bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard.”

2.4.

Bij e-mail van 21 april 2021 heeft de Heffingsambtenaar aan [A] een herinnering gezonden. In die herinnering is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“ [aanslagnummer] [de woning] [belanghebbende]

(…)

Goedemorgen,

(…)

Ook graag voor bovenstaande bezwaren controleren of u de machtiging al heeft verstuurd en zo niet dit dan graag als nog doen.”

2.5.1.

Bij e-mail van 17 mei 2021 heeft de Heffingsambtenaar het onder 2.4 vermelde verzoek herhaald:

“Goedemiddag,

Volgens mij missen er nog wat machtigingen. Kijk je administratie er nog eens op na. (…)”

2.5.2.

Bij e-mail van 20 mei 2021 heeft de Heffingsambtenaar het onder 2.4 vermelde verzoek nogmaals herhaald:

“Goedemorgen,

Graag voor 28 mei a.s. de administratie in orde maken. Van de volgende adressen missen de machtigingen nog en denk ook aan de huurcontracten.

(…)

[aanslagnummer] [de woning] [belanghebbende] (…)”

2.6.

De Heffingsambtenaar heeft met dagtekening 3 juni 2021 bij één geschrift uitspraak op bezwaar gedaan op zowel het bezwaar van belanghebbende als de bezwaren van zeventien andere belastingplichtigen. De bezwaren zijn niet-ontvankelijk verklaard. In de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“U stuurde ons bezwaarschriften tegen de aanslagen lokale belastingen 2021 met aanslagnummers:

 [aanslagnummer] t.n.v. (…)

 [aanslagnummer] t.n.v. (…)

 [aanslagnummer] t.n.v. (…)

 [aanslagnummer] t.n.v. (…)

 [aanslagnummer] t.n.v. (…)

 [aanslagnummer] t.n.v. (…)

 [aanslagnummer] t.n.v. [belanghebbende]

 [aanslagnummer] t.n.v. (…)

 [aanslagnummer] t.n.v. (…)

 [aanslagnummer] t.n.v. (…)

 [aanslagnummer] t.n.v. (…)

 [aanslagnummer] t.n.v. (…)

 [aanslagnummer] t.n.v. (…)

 [aanslagnummer] t.n.v. (…)

 [aanslagnummer] t.n.v. (…)

 [aanslagnummer] t.n.v. (…)

 [aanslagnummer] t.n.v. (…)

 [aanslagnummer] t.n.v. (…)

 [aanslagnummer] t.n.v. (…)

Deze zijn binnen de wettelijke termijn van zes weken verzonden. Hoewel u diverse malen de gelegenheid heeft gekregen om uw bezwaarschriften te voorzien van een machtiging, heeft u hier geen gebruik van gemaakt. Daarom voldoen uw bezwaarschriften niet aan de eisen van de wet en zijn deze niet-ontvankelijk. Toch hebben wij uw bezwaarschriften ambtshalve in behandeling genomen. U kunt niet in beroep gaan tegen deze ambtshalve besluiten.

Van uw verzoek om gehoord te worden is afgezien, omdat uw bezwaar niet-ontvankelijk is (art. 7:3 Awb).

Beslissing

Ik verklaar uw bezwaren niet-ontvankelijk en handhaaf de voor onderhanden objecten vastgestelde waarden, die staan vermeld op de aanslagen. Ook handhaaf ik de aanslagregels, vermeld op bovengenoemde aanslagbiljetten gemeentelijke heffingen 2021. Deze aanslagen dienen binnen de aangegeven perioden betaald te worden.

U verzoekt in uw bezwaarschriften om een kostenvergoeding. Nu de aanslagen gehandhaafd blijven, wordt niet voldaan aan de voorwaarden die in artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht zijn geformuleerd. Ik wijs uw verzoek om een kostenvergoeding in de bezwaarprocedure dan ook af.”

2.7.

[A] heeft bij brief van 8 september 2021, ingekomen bij de Rechtbank op 22 september 2021, een machtiging overgelegd die is ondertekend door belanghebbendes echtgenoot, [X] . De machtiging is ondertekend in “februari/maart/april 2021”.

2.8.

Naar aanleiding van het hoger beroep heeft de griffier bij brief van 9 januari 2023 [A] in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 6 februari 2023, onder meer, een op zijn naam gestelde volmacht over te leggen. In dezelfde brief is erop gewezen dat indien niet wordt voldaan aan dit verzoek het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

2.9.

Bij brief van 11 januari 2023 heeft [A] de griffier het volgende bericht:

“(…)

De volmacht van onze klant -én voor zover van toepassing de relevante informatie van de KvK- bevindt zich reeds in uw dossier én wel in het deel dat afkomstig is van de Rechtbank. Vide de op één-na-laatste alinea op de achterzijde van uw voormeld epistel. We gaan toch niet nodeloos “dubbel werk” doen? Bent u nu zó volledig en geheel én al akkoord?”

Oordeel van de Rechtbank

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing