Gerechtshof Den Haag, 07-11-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2265, BK-22/01354
Gerechtshof Den Haag, 07-11-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2265, BK-22/01354
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 7 november 2023
- Datum publicatie
- 4 januari 2024
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2022:10587, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- BK-22/01354
- Relevante informatie
- Art. 2:1 Awb, Art. 6:6 Awb, Art. 6:24 Awb, Art. 8:24 Awb, Art. 8:14 Awb, Art. 24a AWR, Art. 25 AWR
Inhoudsindicatie
Artikelen 2:1, 6:6 en 6:24 Awb; bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een machtiging. Artikelen 24a en 25 AWR; de Heffingsambtenaar heeft ten onrechte op bezwaarschriften, die namens verschillende belastingplichtigen zijn ingediend, bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar beslist. De Heffingsambtenaar had niet tot een andere beslissing kunnen komen en daarom volgt geen terugwijzing.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-22/01354
in het geding tussen:
(gemachtigde: D.A.N. Bartels)
en
de directeur van het Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie, Heffing en Waardebepaling, de Heffingsambtenaar,
( […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 6 december 2022, nummer ROT 21/3539.
Procesverloop
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2020 van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op € 1.203.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2021 opgelegde aanslag in de onroerende-zaakbelastingen (de aanslag).
Belanghebbende heeft tegen de beschikking en de aanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Er is geen griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Er is een griffierecht geheven van € 136. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft op 7 september 2023 en 18 september 2023 nadere stukken ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van 27 september 2023. Op de zitting zijn de zaken met de nummers BK-22/01350 tot en met BK-22/01361 en BK-23/00031 behandeld. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Belanghebbende is eigenaar van de woning.
De gemachtigde heeft bij brief van 26 maart 2021 bezwaar gemaakt tegen de beschikking en de aanslag. Bij het bezwaarschrift is als bijlage een e-mail van 26 maart 2021 gevoegd van [naam] :
“(…)
Zoals net telefonisch besproken stuur ik u bij deze het aanslagbiljet lokale belastingen toe.
Graag zou ik van u diensten gebruik willen maken met betrekking tot een verlaging van de WOZ waarde van ons woonhuis.
Tot nu toe heb ik deze betaling nog niet uitgevoerd, en indien dit niet verplicht is, ben ik van plan te betalen als de juiste WOZ waarde is vastgesteld.
Als u zo vriendelijk wilt zijn om mij op de hoogte te houden van de gang van zaken?
(…)”
Bij e-mail van 30 maart 2021 heeft de Heffingsambtenaar aan de gemachtigde een ontvangstbevestiging gezonden. In deze ontvangstbevestiging is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“Uw bezwaarschrift namens [belanghebbende] met betrekking tot de aanslag met nummer [aanslagnummer] hebben wij in goede orde ontvangen, deze kunnen wij echter nog niet in behandeling nemen. De machtiging ontbreekt waaruit blijkt dat u bevoegd bent om namens uw cliënt een bezwaarschrift in te dienen.
Graag ontvangen wij deze machtiging binnen twee weken. Wanneer u dit niet doet zal uw bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard.”
Bij e-mail van 21 april 2021 heeft de Heffingsambtenaar aan de gemachtigde een herinnering gezonden. In die herinnering is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“ [aanslagnummer] [de woning] [belanghebbende]
(…)
Goedemorgen,
(…)
Ook graag voor bovenstaande bezwaren controleren of u de machtiging al heeft verstuurd en zo niet dit dan graag als nog doen.”
Bij e-mail van 17 mei 2021 heeft de Heffingsambtenaar het onder 2.4 vermelde verzoek herhaald:
“Goedemiddag,
Volgens mij missen er nog wat machtigingen. Kijk je administratie er nog eens op na. (…)”
Bij e-mail van 20 mei 2021 heeft de Heffingsambtenaar het onder 2.4 vermelde verzoek nogmaals herhaald:
“Goedemorgen,
Graag voor 28 mei a.s. de administratie in orde maken. Van de volgende adressen missen de machtigingen nog en denk ook aan de huurcontracten.
(…)
[aanslagnummer] [de woning] [belanghebbende] (…)”
De Heffingsambtenaar heeft met dagtekening 3 juni 2021 bij één geschrift uitspraak op bezwaar gedaan op zowel het bezwaar van belanghebbende als de bezwaren van zeventien andere belastingplichtigen. De bezwaren zijn niet-ontvankelijk verklaard. In de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“U stuurde ons bezwaarschriften tegen de aanslagen lokale belastingen 2021 met aanslagnummers:
[aanslagnummer] t.n.v. (…)
[aanslagnummer] t.n.v. (…)
[aanslagnummer] t.n.v. (…)
[aanslagnummer] t.n.v. (…)
[aanslagnummer] t.n.v. (…)
[aanslagnummer] t.n.v. (…)
[aanslagnummer] t.n.v. (…)
[aanslagnummer] t.n.v. [belanghebbende]
[aanslagnummer] t.n.v. (…)
[aanslagnummer] t.n.v. (…)
[aanslagnummer] t.n.v. (…)
[aanslagnummer] t.n.v. (…)
[aanslagnummer] t.n.v. (…)
[aanslagnummer] t.n.v. (…)
[aanslagnummer] t.n.v. (…)
[aanslagnummer] t.n.v. (…)
[aanslagnummer] t.n.v. (…)
[aanslagnummer] t.n.v. (…)
[aanslagnummer] t.n.v. (…)
Deze zijn binnen de wettelijke termijn van zes weken verzonden. Hoewel u diverse malen de gelegenheid heeft gekregen om uw bezwaarschriften te voorzien van een machtiging, heeft u hier geen gebruik van gemaakt. Daarom voldoen uw bezwaarschriften niet aan de eisen van de wet en zijn deze niet-ontvankelijk. Toch hebben wij uw bezwaarschriften ambtshalve in behandeling genomen. U kunt niet in beroep gaan tegen deze ambtshalve besluiten.
Van uw verzoek om gehoord te worden is afgezien, omdat uw bezwaar niet-ontvankelijk is (art. 7:3 Awb).
Beslissing
Ik verklaar uw bezwaren niet-ontvankelijk en handhaaf de voor onderhanden objecten vastgestelde waarden, die staan vermeld op de aanslagen. Ook handhaaf ik de aanslagregels, vermeld op bovengenoemde aanslagbiljetten gemeentelijke heffingen 2021. Deze aanslagen dienen binnen de aangegeven perioden betaald te worden.
U verzoekt in uw bezwaarschriften om een kostenvergoeding. Nu de aanslagen gehandhaafd blijven, wordt niet voldaan aan de voorwaarden die in artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht zijn geformuleerd. Ik wijs uw verzoek om een kostenvergoeding in de bezwaarprocedure dan ook af.”
De gemachtigde heeft bij brief van 8 september 2021, ingekomen bij de Rechtbank op 22 september 2021, een aan hem verstrekte machtiging overgelegd, ondertekend door belanghebbende op 8 april 2021.