Home

Gerechtshof Den Haag, 24-11-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2317, BK-22/00931 tot en met BK-22/00938

Gerechtshof Den Haag, 24-11-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2317, BK-22/00931 tot en met BK-22/00938

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24 november 2023
Datum publicatie
11 januari 2024
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2023:2317
Formele relaties
Zaaknummer
BK-22/00931 tot en met BK-22/00938
Relevante informatie
Art. 17 WOZ, Art. 22 WOZ

Inhoudsindicatie

Artikel 17, lid 2, Wet WOZ. De Heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat de waarden van de woningen niet te hoog zijn vastgesteld. Geen vergoeding van immateriële schade. Uit de machtiging volgt dat het belang van belanghebbende niet rechtstreeks is betrokken bij het verzoek om vergoeding van immateriële schade. Belanghebbende kan de in de machtiging vervatte cessie van de vordering van het recht op vergoeding van proceskosten en immateriële schade niet eenzijdig ongedaan maken. Art. 3:94, lid 1, BW.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-22/00931 tot en met BK-22/00938

in het geding tussen:

(gemachtigde: D.A.N. Bartels)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 17 mei 2022, nummers SGR 21/2107, SGR 21/2111, SGR 21/2113, SGR 21/2116, SGR 21/2118, SGR 21/2120, SGR 21/2123 en SGR 21/2125.

Procesverloop

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarden van de woningen gelegen aan [adressen 1 t/m 8] in [woonplaats] voor het kalenderjaar 2020 naar de waardepeildatum 1 januari 2019 (de waardepeildatum) vastgesteld. Met de beschikkingen zijn in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2020 opgelegde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen (de aanslagen). De waarden zijn als volgt vastgesteld:

-

[adres 1] : € 50.000;

-

[adres 2] : € 50.000;

-

[adres 3] : € 50.000;

-

[adres 4] : € 50.000;

-

[adres 5] : € 54.000;

-

[adres 6] : € 48.000;

-

[adres 7] : € 56.000;

-

[adres 8] : € 41.000.

1.2.

De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraken op bezwaar het bezwaar tegen de beschikkingen en de aanslagen ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 0. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 136. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. De Heffingsambtenaar heeft op 13 september 2023 een nader stuk ingediend. Belanghebbende heeft op 14 september 2023 een nader stuk ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van 17 oktober 2023. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de onder 1.1 vermelde woningen. Voor de woningen gelden de volgende kenmerken:

Object

Type object

Bouwjaar

Inhoud/opp.

[adres 1]

Appartement

1932

65 m³

[adres 2]

Appartement

1932

65 m³

[adres 3]

Appartement

1932

65 m³

[adres 4]

Appartement

1932

65 m³

[adres 5]

Appartement

1932

72 m³

[adres 6]

Appartement

1932

62 m³

[adres 7]

Appartement

1932

74 m³

[adres 8]

Appartement

1932

52 m³

2.2.

Belanghebbende heeft een tot de stukken van het geding behorende volmacht aan de gemachtigde verstrekt:

“Deze volmacht wordt door mij verstrekt en ondertekend om [naam kantoor gemachtigde] in de persoon van Mr. [naam gemachtigde] (…) de mogelijkheid én toestemming te geven om voor de belangen op te komen van alle door mij gecontroleerde rechtspersonen (…) en van mijzelf (…).

Onder deze machtiging wordt ook uitdrukkelijk geschaard de bevoegdheid om de van de gemeente c.q. het fiscale samenwerkingsverband (waarbij de gemeente is aangesloten) bij (gedeeltelijke) gegrondverklaring te ontvangen bijdrage c.q. tegemoetkoming in de door mij noodzakelijkerwijs te maken proceskosten te laten storten op IBAN (…) t.n.v. [naam kantoor gemachtigde] (…). Ondergetekende draagt al zijn/haar bestaande en toekomstige vorderingen uit hoofde van proceskostenvergoedingen als bedoeld in de artikelen 7:15 en 8:75 Awb waarbij [naam kantoor gemachtigde] is opgetreden als gemachtigde over aan [naam kantoor gemachtigde] en gelast hierbij de gemeente c.q. het fiscale samenwerkingsverband c.q. de Ministerie van Justitie en Veiligheid om de proceskostenvergoeding rechtstreeks over te maken aan [naam kantoor gemachtigde] op voormeld IBAN. Mutatis mutandis geldt dat ook voor alle andere daarmee gelijk te stellen (proces)kostenvergoedingen, waaronder de immateriële vanwege onredelijke termijnoverschrijdingen. (…)

(…).”

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

“5. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de onroerende zaken bepaald op de waarde die aan de onroerende zaken dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding" (Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44).

6. Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij de waardes van de onroerende zaken niet op te hoge bedragen heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op de door hem overgelegde matrices en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, hierin geslaagd. Naar volgt uit de matrices zijn de waardes van de onroerende zaken bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. Verweerder heeft de WOZ-waardes van de onroerende zaken aan de [adressen 1 t/m 8] onderbouwd met de verkoopgegevens van een bovenwoning aan de [adres 9] te [woonplaats] . Naast dit vergelijkingsobject bevat de taxatiematrix ter zake van de [adressen 1 t/m 8] gegevens van drie extra onderbouwingen, te weten bovenwoningen aan de [adres 10] , [adres 11] en [adres 12] te [woonplaats] . Eiser heeft ter zitting gesteld dat de in de matrix vermelde vergelijkingsobjecten niet vergelijkbaar zijn met de onroerende zaken aan de [adressen 1 t/m 8] . Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat er geen andere objecten in aanmerking kwamen ter onderbouwing van de waardes van de [adressen 1 t/m 8] en dat de best vergelijkbare panden zijn gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat de gehanteerde vergelijkingsobjecten kunnen worden gebruikt ter onderbouwing van de waardes van de [adressen 1 t/m 8] . De uit de verkoopprijs herleide m³-prijs voor het vergelijkingsobject aan de [adres 9] , gecorrigeerd naar dezelfde staat als de onroerende zaken aan de [adressen 1 t/m 8] , bedraagt € 499,50. Voor de onroerende zaken aan de [adressen 1 t/m 8] hanteert verweerder eveneens een m³-prijs van € 499,50. (…) Met de matrices en hetgeen overigens door verweerder is aangevoerd, maakt verweerder aannemelijk dat bij de herleiding van de aan de onroerende zaken toegekende waardes uit de bij de verkoop van de vergelijkingsobjecten behaalde verkoopprijzen, in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de onroerende zaken. Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat de vastgestelde waardes in een onjuiste verhouding staan tot de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten.

7. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat de vastgestelde waardes niet te hoog zijn vastgesteld.

8. Hetgeen eiser heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft ter zitting gesteld dat de onderhavige onroerende zaken een slechtere ligging hebben dan waar verweerder van uit is gegaan. Verweerder is voor de onroerende zaken aan de [adressen 1 t/m 8] uitgegaan van een gemiddelde ligging (…). Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de ligging van de onroerende zaken aan de [adressen 1 t/m 8] slecht is (…). Daar komt bij dat verweerder ter zitting heeft toegelicht dat de onroerende zaken aan de [adressen 1 t/m 8] een vrij en mooi uitzicht hebben en hij daarom is uitgegaan van een gemiddelde ligging. (…). Eiser heeft verder ter zitting nog gesteld dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de staat van de onroerende zaken aan de [adressen 1 t/m 8] . Verweerder is in de matrix uitgegaan van een gemiddelde staat. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de toegepaste vlokcodering onvoldoende is om de staat van die onroerende zaken tot uitdrukking te brengen. (…).

9. Naast het verhandelde ter zitting heeft eiser in zijn beroepschrift bijna uitsluitend algemene en niet concreet op de onroerende zaken zelf betrekking hebbende aspecten genoemd, zoals bodemdaling, palenpest en windmolens. Eiser heeft niet aangegeven – als een en ander al aan de orde zou zijn – welke invloed deze aspecten hebben op de waardebepaling van de onroerende zaken. De rechtbank zal daarom aan deze stellingen voorbijgaan. De gestelde gebrekkige onderhoudssituatie, lokale verpaupering/verloedering en andere omgevingsfactoren heeft eiser eveneens op geen enkele wijze toegelicht of gespecificeerd, zodat hieraan ook wordt voorbijgegaan. Met betrekking tot eiser zijn stelling dat bij de waardebepaling ten onrechte geen rekening is gehouden met de gevolgen van de coronacrisis, overweegt de rechtbank dat de waardepeildatum in deze zaken 1 januari 2019 is. Op dat moment was in Nederland nog geen sprake van een uitbraak van het coronavirus en dus ook niet van de gevolgen daarvan.

(…)

13. Eiser heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat, behoudens bijzondere omstandigheden, een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De rechtbank ziet echter aanleiding om de termijn in dit geval wegens bijzondere omstandigheden te verlengen met vier maanden. Naar het oordeel van de rechtbank is de coronacrisis een uitzonderlijke en onvoorzienbare situatie die voldoende reden geeft om een langere redelijke termijn dan een termijn van twee jaar te hanteren. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. De rechtbank gaat uit van de door verweerder gestelde ontvangstdatum, te weten 26 maart 2020. De rechtbank doet uitspraak op 17 mei 2022, zodat de redelijke termijn, rekening houdend met de verlenging als gevolg van de coronacrisis, niet wordt overschreden. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding dan ook af.

14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de waardes van de onroerende zaken en de aanslagen niet te hoog vastgesteld. De beroepen zijn daarom ongegrond verklaard.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing