Home

Gerechtshof Den Haag, 20-04-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2850, BK-22/00773

Gerechtshof Den Haag, 20-04-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2850, BK-22/00773

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20 april 2023
Datum publicatie
24 mei 2024
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2023:2850
Formele relaties
Zaaknummer
BK-22/00773
Relevante informatie
Art. 1:3 Awb, Art. 6:20 Awb, Art. 7:15 Awb

Inhoudsindicatie

Artikel 1:3 Awb; recht op dwangsom wegens niet tijdig beslissen op het verzoek om kostenvergoeding in bezwaarfase?

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-22/00773

in het geding tussen:

(gemachtigde: B. Kortenbach)

en

(vertegenwoordiger: [A] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 28 juni 2022 (de Rechtbank), nummer SGR 21/2451.

Procesverloop

1.1.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 november 2020 de aan belanghebbende opgelegde verzuimboete van € 68 vernietigd.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Er is een griffierecht geheven van € 181. De beslissing van de Rechtbank luidt:

”De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar;

- verklaart het beroep ongegrond voor zover het is gericht tegen de uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181 aan eiser te vergoeden.”

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband met het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 274. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 30 maart 2023. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een verzuimboete wegens het niet doen van aangifte behorend bij een reeds vernietigde naheffingsaanslag in de omzetbelasting. Daarbij heeft hij verzocht om een kostenvergoeding.

2.2.

Bij uitspraak op bezwaar van 20 november 2020 heeft de Inspecteur de verzuimboete vernietigd, maar niet beslist op het verzoek om een kostenvergoeding.

2.3.

Belanghebbende heeft de Inspecteur op 26 november 2020 in gebreke gesteld, verzocht alsnog te beslissen over de kostenvergoeding en erop gewezen dat de Inspecteur een dwangsom is verschuldigd als hij dat niet binnen twee weken doet.

2.4.

Middels een (aanvullende) beslissing op bezwaar van 18 februari 2021 heeft de Inspecteur alsnog beslist op het verzoek om een kostenvergoeding, waarbij een kostenvergoeding aan belanghebbende is toegekend.

2.5.

Nadat belanghebbende op 26 februari 2021 heeft verzocht om verbeurdverklaring van een dwangsom, geeft de Inspecteur bij kennisgeving van 2 maart 2021 aan dat belanghebbende geen recht heeft op een dwangsom omdat het verzoek is binnengekomen nadat al uitspraak op bezwaar was gedaan.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft het volgende geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

Beroep niet-tijdig beslissen op bezwaar

9. Vaststaat dat verweerder voor indiening van het beroep al uitspraak op het bezwaar heeft gedaan. Dit brengt mee dat er geen processueel belang is bij het beroep wegens het niet-tijdig beslissen op bezwaar. Het beroep dient dan ook in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Beroep uitspraak op bezwaar

10. Het beroep wordt op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede geacht te zijn gericht tegen de uitspraak op bezwaar. De rechtbank merkt daarover op dat, alhoewel de uitspraak op bezwaar van 18 februari 2021 over de kostenvergoeding appellabel is, dat niet wil zeggen dat het een volledig op zichzelf staand besluit is. De uitspraak op bezwaar van 18 februari 2021 maakt (een appellabel) onderdeel uit van de al gedane uitspraak op bezwaar van 20 november 2020.

11. Verweerder heeft eerst op 20 november 2020 uitspraak op bezwaar gedaan, waarbij opmerking verdient dat dit besluit eveneens appellabel is. De noodzaak om verweerder in gebreke te stellen en gebruik te maken van de dwangsomregeling om een besluit bij verweerder uit te lokken, is hiermee komen te vervallen. Eiser had immers tegen de uitspraak op bezwaar van 20 november 2020 beroep kunnen instellen vanwege het uitblijven van een (deel)beslissing op zijn verzoek om kostenvergoeding. Een beslissing over de kostenvergoeding had dus ook via die weg kunnen worden afgedwongen. Er is in deze situatie geen reden om te oordelen dat er een afzonderlijk recht op een dwangsom bestaat.

12. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Vanwege de gang van zaken in deze procedure heeft verweerder aangeboden om het griffierecht aan eiser te vergoeden. De rechtbank sluit zich hierbij aan.

Proceskosten

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten en griffierecht

Beslissing