Gerechtshof Den Haag, 11-04-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:721, 200.324.515/01
Gerechtshof Den Haag, 11-04-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:721, 200.324.515/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 11 april 2023
- Datum publicatie
- 18 april 2023
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2023:721
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2023:3091
- Zaaknummer
- 200.324.515/01
Inhoudsindicatie
WHOA. Het hof verwerpt het hoger beroep tegen een beslissing waarin de rechtbank een verzoek tot homologatie van akkoorden heeft afgewezen. Artikel 369 lid 10 Fw geldt ook voor dit soort situaties.
Geen doorbrekingsgronden aanwezig. Artikel 16 lid 1 van de Herstructureringsrichtlijn. Unierechtconforme uitlegging en de buitengrenzen ervan.
Uitspraak
Civiel recht
Team handel
Zaaknummer hof : 200.324.515/01
Rekestnummers rechtbank : C/10/652582 HO RK 23/76, 652855 HO RK 23/92, 652872 HO RK 23/99, 652873 HO RK 23/100, 653147 HO RK 23/113 en 654031 HO RK 23/153 ea
Arrest van 11 april 2023
in de zaak van:
1 [schuldenaar 1],
gevestigd te Barendrecht,
2. [schuldenaar 2],
gevestigd te Barendrecht,
3. [schuldenaar 3],
gevestigd te Spijkenisse,
4. [schuldenaar 4],
gevestigd te Barendrecht,
5. [schuldenaar 5],
gevestigd te Rotterdam,
6. [schuldenaar 6],
gevestigd te Rotterdam,
7. [schuldenaar 7],
gevestigd te Spijkenisse,
verzoeksters,
hierna te noemen: [schuldenaar] (in vrouwelijk enkelvoud),
advocaat: mr. S.W. van den Berg te Amsterdam.
1 De zaak in het kort
[schuldenaar] heeft een WHOA-traject doorlopen. In dat kader heeft de aangewezen herstructureringsdeskundige zeven akkoorden aan belanghebbenden aangeboden en vervolgens de rechtbank Rotterdam verzocht deze akkoorden te homologeren. Bij vonnis van 13 maart 2023 heeft de rechtbank het verzoek tot homologatie afgewezen.
Volgens de Faillissementswet (hierna: Fw) staat tegen dit soort beslissingen geen rechtsmiddel open, tenzij anders is bepaald (artikel 369 lid 10 Fw). [schuldenaar] meent dat het rechtsmiddelenverbod niet geldt voor situatie waarin de rechtbank homologatie afwijst. Daarnaast zijn er in dit geval volgens haar gronden om dit appelverbod te doorbreken.
Het hof verwerpt het hoger beroep van [schuldenaar] tegen het vonnis van de rechtbank van 13 maart 2023. Er is in dit geval geen sprake van doorbrekingsgronden. De rechtbank is niet buiten de oevers van haar rechterlijke bevoegdheid getreden en van een schending van een fundamenteel beginsel, zoals hoor en wederhoor, is evenmin sprake. Aan de Herstructureringsrichtlijn kan [schuldenaar] ook geen beroepsrecht ontlenen.1 De richtlijn verplicht de lidstaten niet tot het openstellen van hoger beroep voor de situatie die zich in deze zaak voordoet. Voor zover uit deze richtlijnbepaling een beroepsrecht zou zijn af te leiden, stuit conforme interpretatie van artikel 369 lid 10 Fw in het licht van artikel 16 lid 1 van de Herstructureringsrichtlijn af op de buitengrenzen ervan.
2 Het procesverloop in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
- -
-
Het hoger beroepschrift met bijlagen van [schuldenaar] van 21 maart 2023, waarmee [schuldenaar] in hoger beroep is gekomen van het voormelde vonnis van de rechtbank van 13 maart 2023;
- -
-
Het e-mailbericht van 31 maart 2023, waarmee het hof een mondelinge behandeling heeft bepaald;
- -
-
De verweerschriften met bijlagen van Rabobank en [schuldeiser 3] van 6 april 2023.
Voorts heeft het hof (ambtshalve) kennisgenomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 april 2023, waarbij de rechtbank verzoeksters 1 tot en met 4 en 6 en 7 in staat van faillissement heeft verklaard, met aanstelling van mr. J.C. Princen, advocaat te Rotterdam, tot curator. Tegen dit vonnis hebben verzoeksters 1 tot en met 4 en 6 en 7 op 11 april 2023 hoger beroep ingesteld. Dit hoger beroep is op 12 april 2023 ingetrokken.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 april 2023. Verschenen zijn:
- mr. M. Windt als voormalig herstructureringsdeskundige;
- mr. M. Mouthaan, advocaat van de voormalig herstructureringsdeskundige;
- [betrokkene] , middellijk bestuurder van [schuldenaar];
- [betrokkene] , interim manager van [schuldenaar];
- mr. S.W, van den Berg, advocaat van [schuldenaar];
- mr. J.F. Fliek, advocaat van [schuldenaar];
- [betrokkene] , accountmanager van Rabobank;
- [betrokkene] , accountmanager van Rabobank;
- mr. A.M. Mennens, advocaat van Rabobank;
- mr. R.M. Vermaire, advocaat van Rabobank;
- mr. L. van den Reek, advocaat van Rabobank:
- mr. M. Hoogendoorn, advocaat van [schuldeiser 1] (hierna: [schuldeiser 1]);
- [betrokkene] , bestuurder van [schuldeiser 2];
- mr. P.C.M. Ouwens, advocaat van [schuldeiser 2];
- [betrokkene] , senior legal counsel van [schuldeiser 3];
- mr. R. Bask, advocaat van [schuldeiser 3];
- mr. M.D. Schuilwerve, advocaat van [schuldeiser 3];
- [betrokkene] , namens [schuldeiser 3];
- mr. J.G. Princen, curator in de faillissementen van verzoeksters 1 tot en met 4 en 6 en 7.
Mr. Van den Berg en mr. Fliek ([schuldenaar]) en mr. Vermaire en mr. Mennens (Rabobank) hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities.
Na het sluiten van de mondelinge behandeling heeft het hof op dezelfde dag uitspraak gedaan, waarin door middel van een verkort arrest de beslissing aan de aanwezigen is meegedeeld. De gronden van de beslissing zijn daarin summier toegelicht. Daarbij is aangekondigd dat het uitgewerkte arrest op 18 april 2023 zou volgen. Het onderstaande vormt de uitwerking van het arrest van 11 april 2023. Deze uitwerking is op 18 april 2023 vastgesteld.