Gerechtshof Den Haag, 11-04-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:783, BK-22/01208
Gerechtshof Den Haag, 11-04-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:783, BK-22/01208
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 11 april 2023
- Datum publicatie
- 12 maart 2024
- Formele relaties
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2024:401
- Zaaknummer
- BK-22/01208
- Relevante informatie
- Art. 17 WOZ, Art. 22 WOZ, Art. 220 Gemw, Art. 220a Gemw, Art. 220c Gemw
Inhoudsindicatie
Artikel 17, lid 4, Wet WOZ.
De grond waarop een woning in aanbouw staat dient te worden betrokken in de waardebepaling, ook wanneer er een erfpachtrecht op rust.
Uitspraak
Team Belastingrecht
enkelvoudige kamer
nummer BK-22/01208
in het geding tussen:
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 7 september 2022, nummer SGR 21/7012.
Procesverloop
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2020 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op € 152.000. Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2021 opgelegde aanslag in de onroerende-zaakbelastingen van de gemeente Den Haag (de aanslag).
Belanghebbende heeft tegen de beschikking en de aanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake is een griffierecht van € 49 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband met het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 136. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 28 februari 2023. De Heffingsambtenaar is verschenen. Van de zijde van belanghebbende is niemand verschenen. De griffier heeft belanghebbende bij aangetekende brief, verzonden op 27 januari 2023 naar het adres [postadres] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd op de zitting te verschijnen. Blijkens door de griffier bij PostNL ingewonnen inlichtingen (Track & Trace) is de brief op 28 januari 2023 op het adres uitgereikt. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2. Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning is op de waardepeildatum een woning in aanbouw. De woning is gelegen op een perceel van ongeveer 172 m2 dat aan belanghebbende in erfpacht is gegeven.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangemerkt als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“Beoordeling van het geschil
6. Ingevolge artikel 220 van de Gemeentewet en artikel 1 van de Verordening onroerende-zaakbelastingen Den Haag 2021 wordt onder de naam onroerende-zaakbelastingen een belasting geheven van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt dan wel het genot daarvan hebben krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.
7. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding" (Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44). Het waarderingsvoorschrift bevat een overdrachts- en verkrijgingsfictie. De overdrachtsfictie veronderstelt overdracht van de volle en onbezwaarde eigendom en de verkrijgingsfictie vrije opleverbaarheid van de onroerende zaak. Met omstandigheden die daarop inbreuk maken, zoals een op de onroerende zaak rustend recht van erfpacht, wordt door deze ficties geen rekening gehouden. Met de ficties heeft de wetgever beoogd de vast te stellen waarde in sterke mate te objectiveren.
8. Op grond van het voorgaande is het voor de bepaling van de WOZ-waarde noch de betaling van onroerendezaakbelasting van belang of eiser eigenaar is van de grond. Voor de bepaling van de WOZ-waarde gelden op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ en de daarbij behorende wetsgeschiedenis de overdrachts- en verkrijgingsfictie, waardoor de werkelijke situatie ten aanzien van het bezit van de grond niet van belang is. Dit betekent dat verweerder terecht de waarde van de grond heeft meegenomen bij de bepaling van de WOZ-waarde.[1] Ten aanzien van de onroerendezaakbelasting die door de gemeente wordt geheven geldt dat de onroerendezaakbelasting niet alleen wordt geheven van degene die het genot van de zaak heeft krachtens eigendom, maar ook van degene die het genot heeft krachtens bezit of beperkt recht. Dit betekent dat verweerder terecht ook de waarde van de grond – waarvan eiser immers (beperkt) zakelijk gerechtigde is – in de heffing van de onroerendezaakbelasting heeft betrokken.[2]
9. Eiser heeft geen andere gronden aangevoerd ten aanzien van de hoogte van de beschikte WOZ-waarde of de aanslag. Het is de rechtbank ook overigens niet gebleken dat verweerder de WOZ-waarde – en daarmee de aanslag – onjuist of te hoog heeft vastgesteld.
10. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat de heffing van onroerendezaakbelasting over de (waarde van de) grond in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Gezien het voorgaande had verweerder immers de bevoegdheid om over de (waarde van de) grond onroerendezaakbelasting te heffen; de heffing is geheel overeenkomstig de geldende regelgeving. Alsdan kan niet worden geoordeeld dat verweerder handelt in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur.
11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de waarde van de woning alsmede de aanslag niet te hoog zijn vastgesteld en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
[1] Vgl. Hoge Raad 20 november 1985, ECLI:NL:HR:1985:AW8157, BNB 1986/36.
[2] Vgl. Gerechtshof Amsterdam, 22 mei 2014, ECLI:GHAMS:2014:2112.”