Gerechtshof Den Haag, 04-06-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1037, BK-23/116
Gerechtshof Den Haag, 04-06-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1037, BK-23/116
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 4 juni 2024
- Datum publicatie
- 15 juli 2024
- Zaaknummer
- BK-23/116
- Relevante informatie
- Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ
Inhoudsindicatie
Artikel 17 Wet WOZ. Waarde parkeergarage. De Heffingsambtenaar maakt niet aannemelijk dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Belanghebbende heeft de door haar bepleite waarde evenmin aannemelijk gemaakt. Het Hof bepaalt de waarde in goede justitie.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-23/116
in het geding tussen:
(gemachtigde: D.A.N. Bartels)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 20 december 2022, nummer SGR 21/7487.
Procesverloop
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2020 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de parkeergarage), voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op € 969.000 (de beschikking). Tegelijk met deze beschikking zijn aan belanghebbende aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen eigenaren en gebruikers van de [gemeente] voor het jaar 2021 (de aanslagen) opgelegd.
De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikking en de aanslagen gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht van € 360 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om toekenning van een vergoeding van immateriële schade afgewezen.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 548. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 24 januari 2024 een nader stuk met bijlagen ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 12 maart 2024. Partijen zijn verschenen. De gemachtigde van belanghebbende heeft deelgenomen aan de zitting via een digitale videoverbinding met het Hof. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Het Hof heeft op 12 maart 2024 een brief met bijlagen van belanghebbende ontvangen. Deze heeft eerst na sluiting van het onderzoek de kamer bereikt die de zaak behandelt. Een afschrift van deze brief met bijlagen is doorgestuurd naar de Heffingsambtenaar. De brief met bijlagen heeft het Hof geen aanleiding gegeven om het onderzoek te heropenen.
Feiten
Belanghebbende is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de parkeergarage. Het betreft een (niet openbare) parkeergarage van ongeveer 2.250 m2, gebouwd in 1992, met 190 parkeerplaatsen.
De Heffingsambtenaar heeft een Waarderapport overgelegd, opgemaakt op 17 november 2022 door [naam] , WOZ-taxateur (de taxateur), waarin de waarde van de parkeergarage na uitpandige opname op 1 september 2021 voor het onderhavige jaar is getaxeerd op € 969.000.
De Heffingsambtenaar heeft als bijlage bij het Waarderapport voorts een Waardeopbouw overgelegd, waarin één verkooptransactie is opgenomen van een naar de opvatting van de Heffingsambtenaar met de parkeergarage vergelijkbaar object, te weten [adres 2] te [woonplaats] . Dit betreft een parkeerplaats in een garage, die op 22 oktober 2018 is verkocht voor € 20.000. De Waardeopbouw bevat onder meer de volgende gegevens.
|
Object |
Soort |
Bouwjaar |
K-O-U-D-V-L |
Opp (m2) |
Waarde (€) |
Onderdelen |
|
De parkeergarage |
Parkeerplaats in garage |
1992 |
2-2-2-2-2-2 |
2.250 |
969.000 |
Parkeerplaats (190 stuks à € 5.100 pp) |
|
[adres 2] |
Garagebox |
2004 |
3-3-3-3-3-3 |
15 |
20.000 |
Parkeerplaats |
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“5. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding" (Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44).
6. Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de onroerende zaak niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hierin geslaagd. Zoals volgt uit het waarderapport, is de waarde van de onroerende zaak bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met een object waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. Verweerder heeft de WOZ-waarde van de onroerende zaak onderbouwd met de verkoopgegevens van de [adres 2] te [woonplaats] . De [adres 2] betreft een parkeerplaats in een garage en is op 22 oktober 2018 verkocht voor € 20.000. Verweerder heeft de KOUDV factoren van de onroerende zaak op een 2 gesteld en een waarde van € 5.100 per parkeerplaats in aanmerking genomen. Eiseres heeft geen gronden aangevoerd waaruit volgt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met verschillen tussen de onroerende zaak en het vergelijkingsobject. Daarnaast heeft verweerder ter zitting aangevoerd dat de onroerende zaak op 8 november 2022 is verkocht voor € 2.300.000.
7. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
(…)
11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de waarde van de onroerende zaak en de aanslagen niet te hoog vastgesteld. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.”