Home

Gerechtshof Den Haag, 02-07-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1150, Bk-23/242

Gerechtshof Den Haag, 02-07-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1150, Bk-23/242

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
2 juli 2024
Datum publicatie
6 augustus 2024
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2024:1150
Zaaknummer
Bk-23/242
Relevante informatie
Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 40 Wet WOZ, Art. 6:17 Awb, Art. 7:4 Awb, Art. 7:12 Awb

Inhoudsindicatie

Art. 17 lid 2 Wet WOZ, art. 40 lid 2 Wet WOZ Onderbouwing indexpercentages pas in beroep verstrekt. Schending art 40 lid 2 Wet WOZ. Uitspraak op bezwaar niet onzorgvuldig voorbereid. Geen schending motiveringsbeginsel. Nieuwe matrix in beroep geen schending art 40, lid 2, Wet WOZ op. Heffingsambtenaar mag waarde in beroep opnieuw onderzoeken en die verkopen aanvoeren die hem op dat moment van het geding het beste voorkomen. Toetsing goede procesorde. Heffingsambtenaar heeft waarde woning niet te hoog vastgesteld

Uitspraak

Team Belastingrecht

enkelvoudige kamer

nummer BK-23/242

in het geding tussen:

(gemachtigde: G. Gieben)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 24 januari 2023, nummer SGR 21/7168.

Procesverloop

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2020 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats 1] (de woning), voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op € 548.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2021 opgelegde aanslag in de onroerende-zaakbelastingen (de aanslag).

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het tegen de beschikking en de aanslag gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht van € 49 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht van € 136 geheven. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 21 mei 2024. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende is gebruiker en genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning. De woning is een vrijstaande woning, gebouwd in 1976. De inhoud van de woning is ongeveer 450 m3 en de oppervlakte van het perceel is ongeveer 655 m2.

2.2.1.

De Heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de waarde in beroep een taxatieverslag en een nieuwe matrix overgelegd. Daarin is de waarde van de woning op de waardepeildatum bepaald op € 549.000. In de matrix zijn gegevens van de woning en van verkooptransacties van vier naar de opvatting van de Heffingsambtenaar met de woning vergelijkbare woningen opgenomen, te weten [adres 2] te [woonplaats 1] , [adres 3] te [woonplaats 2] , [adres 4] te [woonplaats 3] en [adres 5] te [woonplaats 3] (de vergelijkingsobjecten). De matrix bevat onder meer de volgende gegevens:

Adres

[adres 1]

[adres 2]

[adres 3]

[adres 4]

[adres 5]

Soort object

Vrijstaand

Vrijstaand

semi-bungalow

Vrijstaand

Vrijstaand semi bungalow

Vrijstaand

Bouwjaar

1976

1972

1973

1978

1977

Bruto inhoud hoofdgebouw

450 m³

540 m³

480 m³

500 m³

480 m³

Grond

655 m2

760m2

555 m2

728 m2

732 m2

Bijgebouwen

Tuinhuis1 /blokhut

Garage aangebouwden berging/

schuur

Garage aangebouwd en berging/ schuur/

carport balkon/terras

Garage vrijst./berging/

Schuur/dak-kapel 2x overkapping/ Tuinhuis groot

Serre/

berging/

schuur/car-port/dak-kapel/zonnepanelen/tuinhuis

Transactiedatum

20-02-2020

19-07-2019

19-12-2019

19-10-2018

Transactieprijs

€ 560.000

€ 525.000

€ 575.000

€ 555.000

Corr. naar wpd

€ 554.566

€ 542..920

€ 576.465

€ 609.837

Ligging

6 gemiddeld

6 gemiddeld

6 gemiddeld

6 gemiddeld

6 gemiddeld

Onderhoudstoestand

3 gemiddeld

2 onder-gemiddeld

3 gemiddeld

2 onder-gemiddeld

2 onder-gemiddeld

Kwaliteit/luxe

3 gemiddeld

2 onderge-middeld

3 gemiddeld

2 onder-gemiddeld

3 gemiddeld

Voorzieningen

3 gemiddeld

2 onder gemiddeld

3 gemiddeld

3 gemiddeld

3 gemiddeld

Waarde woning

€ 235.954 (€ 524 p/m³)

€ 242.899

(€ 450 p/m³3

€ 262.904

(€ 548 p/m³)

€ 257.151

(€ 514 p/m³)

€ 309.635

(€ 645 p/m³

Waarde bijgebouwen

€ 49.920

€ 22.667

€ 29.391

€ 33.833

€ 27.452

Totale waarde

1-1-2020

€ 549.000

€ 554.566

€ 542.920

€ 576.465

€ 609.837

2.2.2.

De verkoopcijfers zijn gecorrigeerd met de gemiddelde waardestijging van woningen binnen de gemeente Westland tussen de waardepeildatum en de datum van levering. Uit de matrix volgt dat de Heffingsambtenaar correcties heeft toegepast voor kwaliteit, onderhoud en voorzieningen indien aan de objecten voor de desbetreffende eigenschap geen ‘3’ = gemiddeld is toegekend. Elk punt dat afwijkt van het cijfer 3 leidt tot een verlaging respectievelijk verhoging van de m3-prijs. De grond is gewaardeerd aan de hand van grondstaffels en liggingsstaffels die zijn opgenomen in de matrix. De liggingsstaffels zijn toegekend aan de hand van codes waar bij de codes lager dan 6 een verlaging van de waarde met een correctiepercentage wordt toegepast en boven 6 een verhoging van de waarde. Een en ander leidt tot een gemiddelde prijs per m³ van de vergelijkingsobjecten van € 539. Bij de waardebepaling is voor de woning € 524 per m3 gehanteerd. De Heffingsambtenaar heeft foto’s overgelegd van de ligging van de vergelijkingsobjecten. Deze zijn - met uitzondering van de woning [adres 3] - aan de achterzijde (en vaak nog aan de zijzijde) omringd door kassencomplexen. De woning [adres 3] grenst aan (de zijzijde aan) een tweedehandsautobedrijf met buiten geparkeerde auto’s.

2.2.3.

De Heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de waarde van de woning voorts (in beroep) de lijst met woningen die in de gemeente zijn gelegen overgelegd waarvan de verkoopcijfers zijn gebruikt om de indexcijfer te bepalen. De verkoopgegevens zijn in een bolletjesgrafiek neergezet.

2.3.

De gemachtigde van belanghebbende heeft bij brief van 20 maart 2021 bezwaar gemaakt tegen de beschikking en de aanslag. In het bezwaarschrift is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“Ik verzoek u bij niet volledig tegemoetkoming aan het bezwaar de opbouw en een controleerbare onderbouwing van de kavelwaarde, de zogenoemde grondstaffel, op basis van recente uitspraken van de rechtbank Oost Brabant (ECLI:NL:RBOBR:2018:357) en de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2017:1051) tijdig voor het plaatsvinden van de hoorzitting te overleggen. Indien de door u gebruikte grondstaffel geheel of ten dele het resultaat is van een geautomatiseerd proces verzoek ik u conform artikel 7:4 lid 2 Awb zorg te dragen voor de inzichtelijkheid en controleerbaarheid van die keuzes, aannames en gegevens.

Tevens verzoek ik u conorm artikel 40 wet WOZ en artikel 7:4 Awb om alle op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder in ieder geval de onderbouwing van de taxatie, inzichtelijk te verstrekken. Ik verzoek u, conform voorgaande zin, van het onderhavige object alsmede van de gehanteerde referentiepanden, de grondstaffels, liggingsfactor, onderbouwing van de indexering naar waardepeildatum en de KOUDV-factoren te overleggen. Bij een afwijking van de gemiddelde KOUDV-factoren ontvang ik graag inzicht in de gehanteerde correcties.. (…)”

2.4.

De Heffingsambtenaar heeft tijdens de bezwaarfase op 31 maart 2021 aan belanghebbende een taxatieverslag van de woning en een matrix met vergelijkingsverkopen verstrekt. De matrix vermeldt de gehanteerde grondstaffels en de liggingsstaffels alsmede de VLOK-coderingen. De Heffingsambtenaar heeft niet de onderbouwing van de indexeringscijfers verstrekt. Deze hebben wel ter inzage gelegen voor het hoorgesprek dat in augustus 2021 heeft plaatsgevonden. In de procedure bij de Rechtbank zijn deze door belanghebbende gevraagde stukken aan belanghebbende verstrekt (zie 2.2.3).

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

Waarde van de woning

5. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding" (Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44).

6. Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op de door hem overgelegde matrix en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, hierin geslaagd. Naar volgt uit de matrix, is de waarde van de woning bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. De door verweerder gebruikte vergelijkingsobjecten zijn [adres 2] te [woonplaats 1] (verkocht op 20 februari 2020 voor € 560.000), [adres 3] te [woonplaats 2] (verkocht op 19 juli 2019 voor € 525.000), [adres 4] te [woonplaats 3] (verkocht op 19 december 2019 voor € 575.000) en [adres 5] te [woonplaats 3] (verkocht op 19 oktober 2018 voor € 555.000). [adres 5] acht de rechtbank in het kader van de waardebepaling te ver van de waardepeildatum verkocht en om die reden niet bruikbaar. De overige drie vergelijkingsobjecten hebben vergelijkbare bouwkenmerken, uitstraling, bouwjaar en inhoud als de woning en zijn daarom vergelijkbaar met de woning. Uit de matrix volgt dat [adres 2] en [adres 4] wat betreft de secundaire objectkenmerken ‘kwaliteit’, ‘onderhoud’ en ‘voorzieningen’ lager gewaardeerd zijn dan de woning. Verder hebben [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] meer inhoud dan de woning. Uit de matrix volgt dat de voor de woning gehanteerde waarde per m³ van het hoofdgebouw (€ 524) wat hoger is dan het gemiddelde van de prijzen per m³ van de hoofdgebouwen van [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] (€ 504). Naar het oordeel van de rechtbank doet dat niet af aan de onderbouwing van de aan de woning toegekende waarde, gelet op de betere staat van de woning en het effect van afnemend grensnut. Met de matrix maakt verweerder aannemelijk dat bij de herleiding van de aan de woning toegekende waarde uit de bij de verkoop van de vergelijkingsobjecten behaalde verkoopprijzen, in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning wat betreft onder meer ligging, inhoud, perceeloppervlakte, bijgebouwen en kwaliteit van de opstallen.

7. Hetgeen eiser heeft aangevoerd, doet aan het hierboven gegeven oordeel niet af. In het door eiser overgelegde taxatierapport ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de waarde van de woning te hoog is vastgesteld, reeds omdat uit dat taxatierapport niet blijkt in hoeverre de daarin genoemde waarde is herleid uit gerealiseerde verkoopprijzen van vergelijkbare objecten. Verweerder heeft met de matrix en de daarop gegeven toelichting inzichtelijk gemaakt op welke manier in de herleiding van de waarde rekening is gehouden met de verschillen in VLOK-kwalificaties tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. Dat [adres 3] en [adres 4] in andere kernen van de gemeente Westland zijn gelegen dan de woning, staat niet aan de vergelijkbaarheid van die objecten met de woning in de weg. Verweerder heeft met de verschillen in ligging rekening gehouden door verschillende grondstaffels voor de verschillende kernen toe te passen. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze grondstaffels te twijfelen. De enkele, eerst ter zitting ingenomen stelling van eiser dat de gebruikte grondstaffels niet inzichtelijk en controleerbaar zijn, leidt niet tot een ander oordeel. De bewijslast dat de gedateerde voorzieningen, de slechte isolatie, het afwerkingsniveau van de keuken, de staat van de cv-installatie en het ontbreken van een zolder, zoals hij stelt, voor de woning waardedrukkende omstandigheden zijn, rust op eiser. Eiser heeft die stellingen echter niet aannemelijk gemaakt. Verweerder mocht dan ook uitgaan van een gemiddelde staat van de woning. Gelet op de voornoemde verdeling van de bewijslast, maken de omstandigheden dat verweerder naar aanleiding van eisers grieven met betrekking tot de staat van de woning geen inpandige opname heeft verricht en niet eerder dan in de beroepsfase om foto’s van de woning heeft verzocht, niet dat verweerder de uitspraak op bezwaar onzorgvuldig heeft genomen. Eiser heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de woning een minder gunstige ligging heeft dan de vergelijkingsobjecten. Verweerder heeft in zijn verweerschrift gemotiveerd waarop hij de waarderingen in de matrix voor de secundaire objectkenmerken van [adres 2] en [adres 4] heeft gebaseerd. De rechtbank ziet geen aanleiding aan die waarderingen te twijfelen. Dat eiser die waarderingen eerst ter zitting heeft betwist, maakt dat niet anders.

8. Ook in de bezwaarfase heeft verweerder de waarde van de woning aan de hand van onder andere een taxatieverslag, een waardematrix en de uitspraak op bezwaar voldoende onderbouwd en inzichtelijk gemaakt.

Indexeringspercentages

9. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder de indexering van de verkoopcijfers van de vergelijkingsobjecten naar de waardepeildatum niet inzichtelijk heeft gemaakt. Daartoe heeft eiser aangevoerd dat het door verweerder verstrekte overzicht van verkopen niet bruikbaar is omdat daarin alle type woningen in diverse woonplaatsen staan en dat de verkoopcijfers ten onrechte worden afgezet tegen de WOZ-waarden die incorrect kunnen zijn vastgesteld.

10. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Verweerder heeft toegelicht dat de indexeringspercentages worden vastgesteld op basis van een analyse van bruikbare verkoopcijfers van woningen binnen de gemeente, waarbij rekening wordt gehouden met eventuele veranderingen in de staat van een woning tussen de peildatum voor de WOZ-waarde en de verkoop. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de juistheid van de indexering van de verkoopcijfers te twijfelen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de overgelegde bolletjesgrafieken, de lijst met verkooptransacties en zijn toelichting op deze stukken, de gehanteerde indexeringspercentages voldoende inzichtelijk gemaakt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de matrix een hulp- en controlemiddel is bij de waardevaststelling. De afzonderlijke elementen van de taxatieopbouw worden niet apart op hun juistheid beoordeeld, want uiteindelijk ligt alleen de eindwaarde ter toetsing voor.[1]

Toezending stukken

11. De omstandigheid dat niet reeds gedurende de bezwaarfase alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan eiser zijn verstrekt, kan niet leiden tot een gegrond beroep. In de bezwaarfase geldt artikel 7:4, tweede lid, van Algemene wet bestuursrecht (Awb) op grond waarvan verweerder alle op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen ter inzage dient te leggen voor eiser gedurende ten minste een week. Artikel 7:4, tweede lid, van de Awb brengt geen verplichting mee voor verweerder om de op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan de hoorzitting aan eiser te verstrekken. Er heeft voorafgaande aan de uitspraak op bezwaar een telefonische hoorzitting plaatsgevonden. Verweerder heeft eiser per e-mail gewezen op de mogelijkheid tot inzage. Eiser heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Uit artikel 40 van de Wet WOZ volgt geen verplichting de stukken waar eiser tijdens de bezwaarfase om heeft verzocht voorafgaand aan het horen toe te zenden. De wetgever heeft met artikel 7:4, vierde lid, van de Awb reeds een voorziening getroffen voor deze situatie. Afschriften van op de zaak betrekking hebbende stukken kunnen immers tegen vergoeding worden verkregen door eiser. Ook artikel 7:4, vierde lid, van de Awb verplicht verweerder niet tot toezending van die stukken.[2] De door eiser bepleite toezendplicht kan evenmin worden afgeleid uit artikel 6:17 van de Awb.

Conclusie

12. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de waarde van de woning alsmede de daarop gebaseerde aanslagen niet te hoog zijn vastgesteld. Het beroep dient daarom ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)

[1] Vgl. bijvoorbeeld gerechtshof Amhem-Leeuwarden, 22 september 2015, ECL1:NL:GHARL:2015:7059 en gerechtshof’s-Hertogenbosch, 10 november 2011, ECLI:NL:GHSHE:20l 1:LJN BV2713.

[2] Vgl. gerechtshof Den Haag 4 mei 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:882.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten en griffierecht

Beslissing