Home

Gerechtshof Den Haag, 11-06-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1304, BK-22/565

Gerechtshof Den Haag, 11-06-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1304, BK-22/565

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11 juni 2024
Datum publicatie
25 juli 2024
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2024:1304
Zaaknummer
BK-22/565
Relevante informatie
Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 40 Wet WOZ, Art. 4:17 Awb

Inhoudsindicatie

Artikel 17, lid 2, Wet WOZ. Uitstelverzoek terecht afgewezen door de Rechtbank. De Heffingsambtenaar is niet verplicht de woning te laten taxeren door een neutrale, onafhankelijke deskundige. De Heffingsambtenaar heeft de waarde, op basis van de vergelijkingsmethode, aannemelijk gemaakt. Geen recht op schadevergoeding/dwangsom.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-22/565

in het geding tussen:

(gemachtigde: R.V.R.R. de Graaf)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 27 mei 2022, nummer ROT 21/1611.

Procesverloop

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2020 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de woning), voor het jaar 2021 vastgesteld op € 208.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2021 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen (de aanslag).

1.2.

De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar het tegen de beschikking en de aanslag gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 49. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 136. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft bij brief van 27 september 2022 een nader stuk ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 1 november 2023. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een procesverbaal opgemaakt. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Het Hof heeft vervolgens de Heffingsambtenaar verzocht de woning inpandig op te nemen en het Hof uiterlijk op 1 december 2023 te berichten welke consequenties hij daaraan verbindt wat betreft de beschikking en partijen tevens in overweging gegeven om te onderzoeken of een compromis mogelijk is. De schorsingsbeslissing is vastgelegd in een proces-verbaal.

1.6.

Op verzoek van de Heffingsambtenaar heeft het Hof de onder 1.5 vermelde termijn tweemaal verlengd, namelijk tot en met 12 januari 2024 en vervolgens tot en met 1 maart 2024.

1.7.

Belanghebbende heeft nadere stukken ingebracht op 27 november 2023, 4 december 2023, 17 januari 2024, 19 januari 2024, 26 februari 2024 en 19 maart 2024 en de Heffingsambtenaar heeft nadere stukken ingebracht op 29 november 2023, 11 januari 2024, 29 februari 2024 en 24 april 2024.

1.8.

Het Hof heeft partijen bericht dat het geen aanleiding zag voor een nadere zitting. Partijen hebben binnen de daartoe gestelde termijn niet aangegeven toch behoefte te hebben aan een nadere zitting.

1.9.

Vervolgens heeft het Hof het onderzoek op 3 mei 2024 gesloten.

Feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning is een portiekwoning uit 1955 met een gebruiksoppervlakte van 47 m².

2.2.

Op 21 februari 2024 heeft de taxateur van de Heffingsambtenaar de woning inpandig opgenomen.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder:

“Verzoek om aanhouding

1. Eiseres heeft op 6 mei 2022 een verzoek om aanhouding gedaan, omdat verweerder nog geen uitspraak heeft gedaan op haar bezwaarschrift tegen de WOZ-beschikking met betrekking tot de waarde van de onroerende zaak voor het belastingjaar 2020.

1.1.

Indien de belanghebbende tijdig en onder aanvoering van gewichtige redenen waarom hij niet op de voor de behandeling van de zaak vastgestelde zittingsdag aanwezig kan zijn of zich niet op de behandeling kan voorbereiden, verzoekt die behandeling op een nader te bepalen latere dag te doen plaatsvinden, dient de rechter dat verzoek in te willigen, tenzij hij oordeelt dat zwaarder wegende bij de behandeling van de zaak betrokken belangen aan zodanig uitstel in de weg staan. Dit oordeel dient in zijn uitspraak te worden gemotiveerd (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 17 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1334 en de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 4 mei 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:748).

1.2.

Naar het oordeel van de rechtbank bestaan voor dit aanhoudingsverzoek niet dergelijke gewichtige redenen. De rechtbank wijst in dat verband op vaste jurisprudentie volgens welke voor de bepaling van de WOZ-waarde in enig jaar de waardevastelling in een eerder of later jaar niet relevant is (zie bijvoorbeeld GHAMS:2017:5339 (r.ov. 12) en GHARL:2018:5460 (r.ov. 4.13). Behandeling van het beroep kan dus plaatsvinden los van de beoordeling van de waarde van dezelfde onroerende zaak in een eerder jaar. Nu eiseres voor haar verzoek om aanhouding geen andere reden heeft opgegeven en verweerder ter zitting heeft aangegeven niet in te stemmen met inwilliging van het verzoek om aanhouding in het belang van de voortgang van de behandeling van zaken, welk belang de rechtbank onderschrijft, heeft de rechtbank ter zitting het verzoek om aanhouding afgewezen.

De waardebepaling

2. In geschil is de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum 1 januari 2020. Eiseres stelt dat de waarde te hoog is vastgesteld, volgens haar bedraagt de waarde € 145.000,-. Verweerder is van mening dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld.

3. De onroerende zaak is een portiekwoning met een gebruiksoppervlakte van 47 m². Het bouwjaar is 1955.

4. Eiseres voert aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de verhuurde staat van de onroerende zaak.

4.1.

Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de onroerende zaak bepaald op de waarde die eraan moet worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom ervan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet WOZ blijkt dat de WOZ-waarde gelijk dient te zijn aan de prijs die de meest biedende koper betaalt na de meest geschikte voorbereiding.

4.2.

Gelet hierop volgt de rechtbank eiseres niet in de stelling dat verweerder rekening had moeten houden met de verhuurde staat van de onroerende zaak. De beroepsgrond slaagt niet.

5. Verweerder moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld. Hiertoe legt hij een taxatierapport over van [naam taxateur] van 7 februari 2022 en de daarin opgenomen waardematrix (matrix). Verweerder onderbouwt de waarde met de verkoopcijfers van drie vergelijkingsobjecten, [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] .

6. De in het taxatierapport opgenomen vergelijkingsobjecten zijn bruikbaar bij de waardering, omdat deze op de belangrijkste waardebepalende kenmerken, zoals ligging, type, bouwjaar, woonoppervlakte, voorzieningen, kwaliteit en onderhoudstoestand goed vergelijkbaar zijn met de onroerende zaak.

7. Eiseres voert aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de onderhoudstoestand van de onroerende zaak, omdat het interieur en de GWE installaties sneller verouderen bij verhuur.

7.1.

Uit de matrix volgt dat zowel de onroerende zaak als de vergelijkingsobjecten een drie (voldoende) voor onderhoud hebben gekregen. De enkele stelling van eiseres dat de onderhoudstoestand sneller is verouderd door de verhuurde staat kan zonder onderbouwing niet tot het oordeel leiden dat verweerder de onderhoudstoestand niet op een drie heeft kunnen waarderen. De beroepsgrond faalt.

8. Eiseres voert aan dat verweerder de waarde niet met een taxatieverslag heeft onderbouwd en er geen feitelijke oppervlakte is genoemd, waardoor het besluit niet controleerbaar is.

8.1.

Eiseres heeft in bezwaar niet verzocht om een taxatieverslag. In artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ is bepaald dat op verzoek een afschrift van de gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde wordt verschaft. Gelet hierop slaagt de beroepsgrond niet. Overigens heeft verweerder de waarde in beroep onderbouwd met een taxatierapport, waaruit ook de oppervlakte van de onroerende zaak volgt.

9. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat sprake is van een onrealistische en onacceptabele stijging (62,5 %) van de WOZ-waarde tussen de jaren 2019 en 2021, overweegt de rechtbank als volgt. De WOZwaarde die in deze zaak ter beoordeling voorligt is die over 2021 met waardepeildatum 1 januari 2020. Een waardevaststelling uit een eerder jaar is voor de juistheid daarvan niet relevant. Doel en strekking van de Wet WOZ brengen namelijk mee dat de waarde van een onroerende zaak voor elk tijdvak opnieuw wordt bepaald, aan de hand van feiten en omstandigheden die zich op of rond de waardepeildatum voordoen, met voorbijgaan aan de waarde die per een vorige waardepeildatum aan de onroerende zaak is toegekend. De waarde van de onroerende zaak is vastgesteld op basis van rond de waardepeildatum behaalde verkoopcijfers van de met de onroerende zaak vergelijkbare objecten. Deze beroepsgrond slaagt niet.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing