Home

Gerechtshof Den Haag, 23-07-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1384, BK-22/1228

Gerechtshof Den Haag, 23-07-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1384, BK-22/1228

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23 juli 2024
Datum publicatie
19 augustus 2024
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2024:1384
Zaaknummer
BK-22/1228
Relevante informatie
Art. 8:75 Awb

Inhoudsindicatie

De Rechtbank heeft ten onrechte niet beslist over het verzoek om vergoeding van wettelijke rente over de vergoeding van proceskosten en griffierecht. Betaling Heffingsambtenaar tijdig. Betaling Staat niet tijdig. Belanghebbende heeft gedeeltelijk recht op vergoeding wettelijke rente.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-22/1228

in het geding tussen:

(gemachtigde: N.G.A. Voorbach)

en

(vertegenwoordiger: […] )

en

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 14 oktober 2022, nummer ROT 21/1163.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 25 juni 2020 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Rotterdam opgelegd ten bedrage van € 67, bestaande uit € 2,50 parkeerbelasting en € 64,50 kosten voor het opleggen van de naheffingsaanslag.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 49. De Rechtbank heeft beslist, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond:

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van

€ 166,67.-:

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van immateriële schade tot een

bedrag van € 333,33:

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 379,50:

- veroordeelt de Staat der Nederlanden in de proceskosten van eiser tot een bedrag van

€379,50:

- gelast dat verweerder de helft van het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoedt,

zijnde € 24,50:

- gelast dat de Staat der Nederlanden de helft van het door eiser betaalde griffierecht aan

hem vergoedt, zijnde € 24,50.”

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 136. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. De Staat is niet uitgenodigd tot het voeren van verweer gelet op de beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014 (nr. 436935, Stcrt. 2014, 20210).

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak die was bepaald op 18 juni 2024 heeft geen doorgang gevonden. Partijen zijn niet verschenen. De griffier heeft belanghebbende bij aangetekende brief, verzonden aan zijn gemachtigde [naam en postadres] op 8 mei 2024, onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd op de zitting te verschijnen. Blijkens door de griffier bij PostNL ingewonnen inlichtingen (track and trace) is de brief op 10 mei 2024 op het postadres afgehaald. De Heffingsambtenaar is via het systeem Digitale Toegang op 8 mei 2024, 09:01 uur, onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd de zitting bij te wonen. De griffier heeft van het niet verschijnen van partijen proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Op 10 juni 2020 om 16:14 uur stond de auto van belanghebbende met kenteken

[kenteken] stil op een parkeerplaats aan de [straat] te [woonplaats] , ter hoogte van huisnummer [huisnummer] . Deze locatie is aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting kan worden geparkeerd. Tijdens een controle met de scanauto op het genoemde tijdstip is geconstateerd dat er geen parkeerbelasting was voldaan.

2.2.

Naar aanleiding van de onder 2.1 vermelde constatering heeft de Heffingsambtenaar belanghebbende de naheffingsaanslag opgelegd.

2.3

Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift verzocht om vergoeding van proceskosten en griffierecht en om vergoeding van wettelijke rente over de bedragen bij niet tijdige betaling hiervan. Per e-mail van 30 mei 2022 en per e-mail van 25 juli 2022 heeft belanghebbende verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

“Proceskostenvergoeding en griffierecht

7. De rechtbank vindt in de omstandigheid dat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, aanleiding verweerder en de Staat te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 759.- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 0.5). Omdat de vergoeding enkel plaatsvindt in verband met de toekenning van een vergoeding van immateriële schade, is de wegingsfactor voor het gewicht van de zaak gesteld op 0.5 (Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660). Daarnaast heeft eiser recht op vergoeding van het door hem betaalde griffierecht.

7.1.

De vergoeding van de proceskosten en het griffierecht moet deels plaatsvinden door verweerder en deels door de Staat. Om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid wordt uitgegaan van een verdeling waarbij ieder van hen de helft betaalt (Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252).

7.2.

Eiser heeft verder verzocht om een tegemoetkoming in de kosten voor het verzoekschrift waarin word verzocht om een immateriële schadevergoeding. Dit verzoek wordt door de rechtbank afgewezen. Hiertoe overweegt de rechtbank dat voor een verzoek om immateriële schadevergoeding geen (afzonderlijk) verzoekschrift is vereist. Het enkel benoemen van het verzoek is voldoende. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in een geval als dit, waarin een verzoek om immateriële schade wordt gevraagd in een beroep tegen het materiële geschil, er geen afzonderlijke proceshandelingen vereist zijn om het beoogde doel (de toekenning van de schadevergoeding) te bereiken.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten en griffierecht

Beslissing