Home

Gerechtshof Den Haag, 24-07-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1486, BK-23/1137

Gerechtshof Den Haag, 24-07-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1486, BK-23/1137

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24 juli 2024
Datum publicatie
7 oktober 2024
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2024:1486
Zaaknummer
BK-23/1137
Relevante informatie
Art. 225 Gemw

Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Parkeerregime voldoende kenbaar.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-23/1137

in het geding tussen:

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 2 oktober 2023, nummer SGR 22/3507.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is op 8 mei 2022 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Den Haag opgelegd van € 68,50, bestaande uit € 2 aan parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten van de naheffingsaanslag (de naheffingsaanslag).

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar belanghebbendes bezwaar tegen de naheffingsaanslag afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Ter zake is een griffierecht geheven van € 136. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, ingekomen bij het Hof op 2 juli 2024.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 10 juli 2024. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 1 mei 2022 zijn auto met kenteken [kenteken] (de auto) geparkeerd in de [straat 1] , in [woonplaats] . Deze locatie is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag aangewezen als een plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting kan worden geparkeerd.

2.2.

Tijdens een controle op 1 mei 2022 is met een scanauto om 16.10 uur geconstateerd dat voor de auto geen parkeerbelasting was voldaan. Naar aanleiding hiervan is aan belanghebbende de naheffingsaanslag opgelegd.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft – voor zover van belang – overwogen, waarbij belanghebbende is aan geduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

“4. Eiser stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd, omdat het niet kenbaar was dat ter plaatse parkeerbelasting verschuldigd is. Bij het inrijden van de [straat 1] vanaf de [straat 2] heeft eiser geen bord of een parkeerautomaat gezien. Eiser is, nadat hij geparkeerd had ook meteen teruggelopen in de richting van de [straat 2] . Eiser stelt dat hij dus niet kon weten dat hij op de locatie moest betalen om te parkeren. Verweerder heeft aangevoerd dat het voldoende kenbaar was dat op de locatie sprake was van betaald parkeren.

5. De rechtbank overweegt als volgt. De verplichting om parkeerbelasting te betalen voor het op een bepaalde plaats en een bepaalde tijd parkeren van een voertuig, dient zodanig kenbaar te zijn gemaakt dat redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan omtrent de verschuldigdheid daarvan. Het bestaan van de verplichting om parkeerbelasting voor een locatie te voldoen kan blijken uit de aanwezigheid van parkeerapparatuur bij of in de nabijheid van de parkeerplaats, maar ook uit borden of andere aanwijzingen bij of in de directe omgeving van de parkeerplaats op zo’n wijze dat over de verschuldigdheid van parkeerbelasting voor die parkeerplaats redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan.[1] Daar staat tegenover dat een parkeerder een onderzoeksplicht heeft in die zin dat hij zich, voordat hij parkeert, op de hoogte moet stellen van de verschuldigdheid van parkeerbelasting ter plaatse. Het zich niet voldoende op de hoogte stellen en het (als gevolg daarvan) niet naleven van die voorschriften, komt naar vaste jurisprudentie voor rekening en risico van de parkeerder.[2]

6. Ter zitting heeft eiser desgevraagd verklaard dat hij op I mei 2022 vanaf de rotonde bij [locatie] de [straat 2] is opgereden om vervolgens de [straat 1] in te rijden. Verweerder heeft, uitgaande van die route, verder toegelicht dat in de omgeving van de locatie meerdere borden en parkeerautomaten staan waarop het parkeerregime staat vermeld. Verweerder heeft ter zitting onweersproken verklaard dat op de hoek van de [straat 2] aan de rechterzijde van de weg waar eiser linksaf de [straat 1] is ingereden een parkeerautomaat staat, dat in de [straat 1] een herhalingsbord staat en dat op het einde van de [straat 1] nog een parkeerautomaat staat. Dit volgt ook uit de door verweerder overgelegde stukken, waaronder een uitdraai uit het Gemeentelijke belastingsysteem met de gegevens van de constatering en de foto's van de scanauto, plattegronden van de locatie en een foto van een parkeerbord op de rotonde van de [straat 2] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de overgelegde stukken en zijn toelichting daarop aannemelijk gemaakt dat de verschuldigdheid van parkeerbelasting ter plaatse voldoende kenbaar was.

7. Het betoog van eiser over de gestelde onduidelijkheid ter plaatse slaagt niet. Dat, zoals eiser stelt, de [straat 1] feitelijk een nagenoeg haakse bocht betreft volgt niet uit de overgelegde kaarten van de locatie. Dat het herhalingsbord ten tijde van het parkeren niet (goed) zichtbaar was is evenmin aannemelijk geworden. Eiser had deze bij een eenvoudige controle van de feitelijke situatie kunnen waarnemen. Gelet op de hiervoor genoemde onderzoeksplicht is het missen van het bord nabij de rotonde bij het binnenrijden van de zone, de parkeerautomaten en het herhalingsbord een omstandigheid die voor rekening en risico van eiser moet blijven. De naheffingsaanslag is dan ook terecht opgelegd.

8. Eiser heeft nog aangevoerd dat verweerder in zijn uitspraak op bezwaar in meervoud heeft gesproken over omstandigheden, terwijl eiser slechts één feitelijkheid heeft aangedragen en dat verweerder ten onrechte heeft verwezen naar een herhalingsbord binnen een straal van acht meter. Voor zover eiser met deze opmerking heeft bedoeld te stellen dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het motiveringsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel of enig ander beginsel van behoorlijk bestuur, volgt de rechtbank dit niet.

9. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.

[1] Hoge Raad van 22 november 1995, ECL1:NL:HR: 1995:LJN AA3126.

[2] Gerechtshof Den Haag van 9 juli 2019, ECLl:NL:GHDHA:2019:2020.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing