Home

Gerechtshof Den Haag, 28-08-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1503, bK-23/869

Gerechtshof Den Haag, 28-08-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1503, bK-23/869

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28 augustus 2024
Datum publicatie
7 oktober 2024
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2024:1503
Formele relaties
Zaaknummer
bK-23/869
Relevante informatie
Art. 17 Wet WOZ, Art. 18 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 6:22 Awb, Art. 10:3 Awb

Inhoudsindicatie

Art. 17, lid 2, Wet WOZ. Art. 18, lid 3, Wet WOZ. Waarde woning 2022. Waardepeildatum 1 januari 2021. Toestandsdatum 1 januari 2022. Heffingsambtenaar heeft terecht rekening gehouden met nieuwe cv-ketel, dakbedekking, verbouwing tweede verdieping, keuken en tuinaanleg in 2021. Het eerste taxatierapport van belanghebbende dateert van ruim een jaar voor waardepeildatum. Het tweede taxatierapport ondersteunt de door de Heffingsambtenaar beschikte waarde. De eigen aankoopprijs uit 2019 is niet bruikbaar. Redelijke termijn niet overschreden. Art. 10:3 Awb is niet geschonden.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-23/869

in het geding tussen:

en

(vertegenwoordiger: […] )

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 25 juli 2023, nummer SGR 22/2952.

Procesverloop

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de onroerende zaak), voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 438.000 (de beschikking). Met de beschikking zijn in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aanslagen in de lokale belastingen van de [gemeente] voor het jaar 2022, waaronder de voor het jaar 2022 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen eigenaar (de aanslag).

1.2.

De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar de tegen de beschikking en de aanslag gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en het verzoek om proceskosten afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Er is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, de Heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van € 11,40 aan proceskosten en € 50 aan griffierecht.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Er is € 136 griffierecht geheven. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 17 januari 2024 een nader stuk ingediend en de Heffingsambtenaar op 24 februari 2024.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 17 juli 2024. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is in 2022 eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak is een hoekwoning gebouwd in 1988 met een aanbouw van de woonruimte van 11 m2. Er is een vrijstaande berging en de woning heeft twee dakkapellen van 2 m2 en 4 m2. De gebruiksoppervlakte van de woning is ongeveer 118 m2 . De oppervlakte van het perceel bedraagt ongeveer 160 m2. Aan de achterkant ligt de woning aan water en heeft een ruim uitzicht. Aan de zijkant grenst de woning aan een groenstrook.

2.2.

Belanghebbende heeft de woning op 15 maart 2019 gekocht voor € 355.000. Hij heeft vervolgens isolatievoorzieningen zoals HR++-glas, spouwmuurisolatie en vloerisolatie laten aanbrengen en zonnepanelen laten plaatsen. In 2021 zijn de keuken en de CV-installatie vervangen en is de tuin opnieuw aangelegd. Voorts is de tweede verdieping gerenoveerd en is een groen dak geplaatst.

2.3.

De Heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de waarde een taxatieverslag en in beroep een waarderapport met een matrix van 24 mei 2022 overgelegd. In het rapport is de waarde van de woning op de waardepeildatum bepaald op € 455.000. De matrix bevat, onder meer, de volgende gegevens:

Object en vergelijkingsobjecten

De woning: [adres 1]

[adres 2]

[adres 3]

[adres 4]

Soort object

Hoekwoning

Rijwoning

Rijwoning

Rijwoning

Bouwjaar

1988

1988

1986

1987

Oppervlakte zonder bijgebouwen

107 m2

107 m2

94 m2

94 m2

Bijgebouwen

Berging vrijstaand

Aanbouw

Dakkapel 2x

Berging vrijstaand

Dakkapel

Berging vrijstaand

Aanbouw

Dakkapel

Overkapping

Berging aangebouwd Aanbouw

Dakkapel

Tuinhuis

Perceel oppervlakte

160 m2

164 m2

123 m2

121 m2

Transactiedatum

02-09-2021

28-04-2021

31-03-2021

Transactieprijs

€ 455.500

€ 377.500

€ 366.000

Corr. naar wpd

€ 413.988

€ 372.438

€ 366.000

PPE

€ 2.070,30

€ 2.070,30

€ 2.070,30

€ 2.134,69

KOUDVL-factoren

- Kwaliteit/Luxe

- Onderhoudstoestand

- Uitstraling

- Doelmatigheid

- Voorzieningen

-Ligging

3

4

3

3

3

4

3

3

3

3

3

4

3

4

3

3

3

3

3

3

3

3

3

3

Totale waarde 1-1-2021

€ 455.000

€ 413.000

€ 372.000

€ 366.000

De Heffingsambtenaar heeft in het waarderapport de waarde van de woning bepaald naar de toestandsdatum 1 januari 2022 waarbij hij rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat in 2021 in de woning een nieuwe keuken en een nieuwe CV-installatie is geplaatst en dat de tuin opnieuw is ingericht. De factor onderhoud heeft hij op 4 gezet. Vanwege de ligging aan de achterzijde aan water heeft hij daarvoor een factor 4 toegekend.

2.4.1.

Belanghebbende heeft een taxatierapport overgelegd van [taxateur 1] van 30 oktober 2020 waarbij de marktwaarde van de woning is getaxeerd per 27 oktober 2020 na in- en uitpandige opname op € 400.000.

2.4.2.

Bij de taxatie van [taxateur 1] is gebruik gemaakt van de methode van objectvergelijking waarbij de volgende vergelijkingsverkopen zijn gebruikt:

-

[adres 5] verkocht op 24 april 2019 voor €368.000; gecorrigeerd naar datum taxatie € 397.500.

-

[adres 6] verkocht op 20 mei 2020 voor € 441.777; gecorrigeerd naar datum taxatie € 445.000.

-

[adres 7] , verkocht op 16 januari 2020 voor € 430.000; gecorrigeerd naar datum taxatie € 445.000.

-

[adres 8] , verkocht op 20 mei 2020 voor € 387.500; gecorrigeerd naar datum taxatie € 404.000.

-

[adres 9] , verkocht op 6 juli 2020 voor € 350.000; gecorrigeerd naar datum taxatie € 355.000.

2.5.

Belanghebbende heeft tevens een taxatierapport overgelegd van [taxateur 2] van 22 maart 2022 waarbij de woning is getaxeerd op € 479.000 per 28 februari 2022 na in- en uitpandige opname. Vermeld is dat in 2020 nieuwe zonnepanelen zijn geplaatst, de nieuwe keuken is geplaatst in 2021; een nieuwe C.V.-ketel is geplaatst in 2021 en de zolder geheel opnieuw is afgewerkt in 2020. De tuin is opnieuw ingericht inclusief een vlonder boven het water in 2021.

Bij de taxatie is gebruik gemaakt van de methode van objectvergelijking waarbij de volgende vergelijkingsverkopen zijn gebruikt.

-

[adres 2] , op 10 mei 2021 voor € 455.500; gecorrigeerd naar taxatiedatum 28 februari 2022 € 509.518.

-

[adres 10] , op 4 mei 2021 voor € 435.000; gecorrigeerd naar taxatiedatum 28 februari 2022 € 488.118.

-

[adres 11] op 4 oktober 2021 voor € 400.000; gecorrigeerd naar taxatiedatum 28 februari 2022 € 416.485).

Oordeel van de rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

“5. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding".1

6. Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op de door hem overgelegde matrix en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, hierin geslaagd. Zoals volgt uit de matrix is de waarde van de woning bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met woningen aan de [adres 2] (verkocht op 2 september 2021 voor € 455.500), het [adres 4] (verkocht op 31 maart 2021 voor € 366.000) en de [adres 3] (verkocht op 28 april 2021 voor € 377.500). De rechtbank acht de vergelijkingsobjecten wat bouwjaar, kwaliteit, uitstraling, doelmatigheid en voorzieningen betreft goed vergelijkbaar. Met de verschillen in oppervlakte, ligging en onderhoud is voldoende rekening gehouden, zoals inzichtelijk is gemaakt in de waardematrix.

7. Hetgeen eiser heeft aangevoerd, doet aan het hier boven gegeven oordeel niet af.

Uit de voorgaande overweging volgt dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. De stelling van eiser dat verweerder ten onrechte met één vergelijkingsobject rekening heeft gehouden kan de rechtbank, gelet op het bovenstaande, niet volgen. Het is weliswaar mogelijk dat eiser in een telefoongesprek met de taxateur van de gemeente de indruk heeft gekregen dat aan de verkoop van het object [adres 2] doorslaggevende betekenis werd toegekend, maar uit de gedingstukken blijkt dat er met drie objecten is vergeleken. Daarnaast heeft eiser gesteld dat de aan de woning toegekende waarde, niet in een juiste verhouding staat tot de waarde die voor een vorige tijdvak aan de woning is toegekend. Doel en strekking van de Wet WOZ brengen echter met zich mee dat de waarde van een onroerende zaak voor elk tijdvak opnieuw wordt bepaald. Voor de beoordeling van de juistheid van de voor het onderhavige tijdvak vastgestelde waarde is daarom slechts van belang of de aan de woning toegekende waarde in overeenstemming is met het wettelijke waardebegrip, zoals in 5 hierboven weergegeven. Aan de verhouding tussen voor verschillende tijdvakken vastgestelde waarden komt in dat kader geen zelfstandige betekenis toe. De door eiser overgelegde taxatierapporten geven geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. In de eerste plaats niet, omdat de taxatierapporten voor andere doeleinden zijn opgemaakt. Daar komt bij dat, anders dan in de matrix van verweerder, in de taxatierapporten van eiser geen m² en m³-prijzen op basis van de behaalde verkoopprijzen zijn herleid. Ook is niet duidelijk hoe verschillen in de ligging en het bouwjaar zijn verdisconteerd. Eiser heeft met de taxatierapporten dan ook niet inzichtelijk gemaakt in hoeverre uit de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten een waarde voor de woning tussen de € 380.000 en € 390.000 valt te herleiden. Met betrekking tot de stelling van eiser dat verweerder ten onrechte rekening heeft gehouden met de verbeteringen aan de woning na de waardepeildatum, overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder heeft in eerste instantie helemaal geen rekening gehouden met deze verbeteringen, maar eiser heeft deze onder de aandacht gebracht om daarmee zijn stelling te onderbouwen dat de waarde te hoog was vastgesteld. In het kader van de WOZ-waardebepaling geldt het volgende. De verbeteringen waar eiser op wijst hebben niet allemaal in gelijke mate invloed op de WOZ-waarde en zeker niet in die zin dat elke euro die eiser daaraan heeft besteed leidt tot een waardeverhoging van 1 euro. Voor de verbeteringen die wel invloed hebben op de WOZ-waarde geldt dat deze kunnen worden aangemerkt als verbeteringen van de woning als bedoeld in artikel 18, derde lid van de Wet WOZ. Hierdoor moet op grond van artikel 18 van de Wet WOZ worden uitgegaan van de toestand van de woning op 1 januari 2022, zodat bij de waardering rekening gehouden wordt met de waarde-invloed van deze verbeteringen. In de door verweerder overgelegde matrix is dit ook aangegeven, al ontbreekt een duidelijke toelichting daarop. Tot slot geldt anders dan eiser veronderstelt in het kader van de WOZ-waardebepaling geen verplichting om de woning door een taxateur te laten bezoeken, al verdient dat in een aantal gevallen wel aanbeveling.

8. Voor zover eiser heeft gesteld dat verweerder in de uitspraak op bezwaar het motiveringsbeginsel heeft geschonden, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de uitspraak op bezwaar volgt niet voldoende duidelijk hoe verweerder tot de beschikte waarde is gekomen. Verweerder heeft daarmee het motiveringsbeginsel geschonden. De rechtbank is van oordeel dat eiser uiteindelijk niet in zijn belang is geschaad en zal op grond van artikel 6:22 van de Awb hieraan voorbijgaan. Wel ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat aan eiser het griffierecht moet worden vergoed en de door eiser gemaakte proceskosten, nu eiser eerst beroep moest instellen om het gemotiveerde standpunt van verweerder te vernemen.

9. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de waarde van de woning alsmede de daarop gebaseerde aanslag niet te hoog zijn vastgesteld en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op

€ 11,40, aan reiskosten voor het bijwonen van de zitting. De rechtbank is van oordeel dat het opstellen van de taxatierapporten, zoals eiser ter zitting heeft verklaard, in het kader van de hypotheekverstrekking heeft plaatsgevonden en niet in het kader van de waardebepaling in de zin van de Wet WOZ. De rechtbank is van oordeel dat de taxatierapporten dan ook niet voor vergoeding in aanmerking komen.

[1] Kamerstukken II 1992 93, 22 885, nr. 3, blz. 44.”

Omschrijving geschil en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing