Home

Gerechtshof Den Haag, 24-09-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1852, BK-23/870

Gerechtshof Den Haag, 24-09-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1852, BK-23/870

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24 september 2024
Datum publicatie
4 november 2024
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2024:1852
Zaaknummer
BK-23/870
Relevante informatie
Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ

Inhoudsindicatie

Artikel 17, lid 2, Wet WOZ. Waardevaststelling woning. De Heffingsambtenaar maakt niet aannemelijk dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Eigen verkoopcijfer. Belanghebbende maakt de door hem bepleite waarde evenmin aannemelijk. Waardering in goede justitie. Vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-23/870

in het geding tussen:

(gemachtigde: D.A.N. Bartels)

en

(vertegenwoordiger: […] )

en

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 30 augustus 2023, nummer SGR 22/998.

Procesverloop

1.1.1.

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2020 van de hierna vermelde onroerende zaken voor het kalenderjaar 2021 als volgt vastgesteld (de beschikkingen):

-

[adres 1] in [woonplaats] (woning 1): € 256.000; en

-

[adres 2] in [woonplaats] (woning 2): € 276.000.

1.1.2.

Met de beschikkingen zijn in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2021 opgelegde aanslagen in de van eigenaren geheven onroerendezaakbelastingen (de aanslagen).

1.2.

De Heffingsambtenaar heeft bij een in één geschrift vervatte uitspraak op bezwaar het tegen de beschikking en de aanslag betreffende woning 1 gerichte bezwaar ongegrond verklaard en het tegen de beschikking en de aanslag betreffende woning 2 gerichte bezwaar gegrond verklaard. De waarde van woning 2 is vervolgens vastgesteld op € 239.000 en de aanslag in de van eigenaren geheven onroerendezaakbelastingen betreffende woning 2 is verminderd met een bedrag van € 19,09.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om toekenning van vergoeding van immateriële schade afgewezen.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 136. De Heffingsambtenaar heeft een stuk met het opschrift “verweerschrift” ingediend. Dat stuk is, gelet op het moment waarop het is ingediend, aangemerkt als een nader stuk in de zin van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.5.

Belanghebbende heeft op 17 mei 2024 een nader stuk ingediend.

1.6.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 2 juli 2024. De gemachtigde van belanghebbende heeft aan de zitting deelgenomen via MS Teams, waarbij sprake was van een rechtstreekse beeld- en geluidsverbinding. De Heffingsambtenaar is verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een procesverbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van woning 1. De woning is een etageportiekwoning met een balkon/terras met een gebruiksoppervlakte van ongeveer 67 m2. Het bouwjaar is 2012 en de woning is in 2017 gerenoveerd.

2.2.1.

De Heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de waarde van woning 1 verwezen naar de koopsom (€ 269.000). De (voorlopige) koopovereenkomst waarbij de woning is verkocht is op 9 november 2020 getekend. De woning is vervolgens op 11 januari 2021 geleverd.

2.2.2.

Voorts heeft de Heffingsambtenaar een taxatieverslag en een iWOZ-rapport van de woning, inclusief foto’s, overgelegd.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

Geschil

(…)

7. In geschil is de waarde van beide woningen op de waardepeildatum. Eiser stelt voor beide woningen dat de waarde te hoog is vastgesteld, zonder een specifieke waarde lager dan de vastgestelde waarde te bepleiten. Hiertoe voert hij -zakelijk weergegeven- aan dat verweerder bij het bepalen van de WOZ-waarde geen geschikte referentieobjecten heeft gebruikt en dat geen rekening is gehouden met de onderhoudssituatie van de woning en eventueel lokaal aanwezige verpaupering/verloedering.

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep voor wat betreft woning 1 ongegrond moet worden verklaard. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst verweerder naar het eigen verkoopcijfer van woning 1 (verkocht op 9 november 2020 voor € 269.000). Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat ook het beroep voor wat betreft woning 2 ongegrond moet worden verklaard. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft verweerder een taxatieverslag, een taxatiematrix (de matrix) en iWOZ-rapporten overlegd.

9. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding".[1]

Woning 1

10. Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van woning 1 niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hierin geslaagd. De rechtbank is van oordeel dat het eigen verkoopcijfer van woning 1 binnen een redelijke termijn na de waardepeildatum is gerealiseerd, zodat de koopprijs van € 269.000 in beginsel de waarde in het economisch verkeer vertegenwoordigt. Niet gebleken is dat dat onjuist is.

(…)

Woning 1 en 2

(…)

14. Het standpunt van eiser dat de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase onjuist is vastgesteld omdat geen rekening is gehouden met een nadere hoorzitting, volgt de rechtbank niet. Niet gebleken is dat onderhavige woningen op een andere hoorzitting dan die van 3 november 2021 zijn behandeld.

15. Gelet op wat hiervoor is overwogen is, is het beroep ongegrond verklaard.

Vergoeding immateriële schade

16. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 9 februari 2021, zodat de redelijke termijn ten tijde van het doen van deze uitspraak is overschreden. Eiser heeft in beginsel recht op een vergoeding ter compensatie voor de spanning en frustratie als gevolg van de lange duur van de procedure. Eiser heeft een machtiging getekend waarin hij ermee instemt dat alle vergoedingen voor immateriële schadevergoedingen aan gemachtigde worden gecedeerd. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat eiser niet persoonlijk gecompenseerd wordt voor veronderstelde spanning en frustratie. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om te volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden en geen compensatie in de vorm van schadevergoeding toe te kennen. De rechtbank verwijst in dit verband naar haar eerdere uitspraak van 13 april 2023[3], alsook naar die van het Gerechtshof te Den Haag van 13 juli 2023.[4]

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)

[1] Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44.

(…)

[3] ECLI:NL:RBDHA:2023:5422.

[4] ECLI:NL:GHDHA:2023:1451.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten en griffierecht

Beslissing