Gerechtshof Den Haag, 24-09-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1885, BK-23/1144
Gerechtshof Den Haag, 24-09-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1885, BK-23/1144
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 24 september 2024
- Datum publicatie
- 4 november 2024
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2023:17049, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- BK-23/1144
- Relevante informatie
- Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 8:26 Awb, Art. 8:42 Awb
Inhoudsindicatie
Wet WOZ. Waardevaststelling restaurant. De Heffingsambtenaar maakt aannemelijk dat de waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld. Geen schending van artikel 8:42 Awb.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-23/1144
in het geding tussen:
(gemachtigde: D.A.N. Bartels)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 8 november 2023, nummer SGR 22/6418.
Procesverloop
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de onroerende zaak) voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 720.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslag in de van eigenaren geheven onroerendezaakbelastingen (de aanslag).
Belanghebbende heeft tegen de beschikking en de aanslag bezwaar gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 548. De Heffingsambtenaar heeft een stuk met het opschrift "verweerschrift" ingediend. Dat stuk is, gelet op het moment waarop het is ingediend, aangemerkt als een nader stuk in de zin van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Belanghebbende heeft op 29 november 2023, 18 januari 2023 en 17 mei 2024 nadere stukken ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 2 juli 2024. De gemachtigde van belanghebbende heeft deelgenomen aan de zitting via een digitale video-verbinding met het Hof. De Heffingsambtenaar is verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak is een restaurant, met bouwjaar 1875, gelegen in het centrum van [woonplaats] . De onroerende zaak bestaat uit een kelder/berging (98 m2), een restaurant (145 m2) met een entresol (79 m2), een keuken (55 m2), toiletten (25 m2), een verkeersruimte (27 m2) en een opslagruimte (25 m2).
De Heffingsambtenaar heeft voor de onroerende zaak een taxatieverslag overgelegd. Hierin is de waarde van de onroerende zaak bepaald met behulp van de huurwaardekapitalisatiemethode (de HWK-methode). In het taxatieverslag is de waarde van de onroerende zaak voor het onderhavige belastingjaar getaxeerd op € 720.518, waarbij rekening is gehouden met een correctie vanwege de corona-maatregelen van 8% (€ 62.654). De Heffingsambtenaar heeft voorts een ‘Rekenblad Bruto Kapitalisatiefactor met verwijzingen naar de taxatiewijzer HWK’ overgelegd.
De Heffingsambtenaar heeft in de beroepsfase ter onderbouwing van de waarde van de onroerende zaak een matrix overgelegd. In de matrix is de waarde van de onroerende zaak getaxeerd op € 720.000 (€ 1.586/m2). In de matrix zijn verkoopgegevens opgenomen van de vergelijkingsobjecten [adres 2] (verkocht voor € 432.500 met transportdatum 2 februari 2017; € 2.703/m2), [adres 3] (verkocht voor € 487.500 met transportdatum 26 februari 2021; € 2.014/m2), [adres 4] (verkocht voor € 920.000 met transportdatum 1 april 2022; € 1.773/m2) en [adres 5] (verkocht voor € 920.000 met transportdatum 1 april 2022; € 1.773/m2), alle gelegen te [woonplaats] (de vergelijkingsobjecten).
Voorts heeft de Heffingsambtenaar (lucht)foto’s van de onroerende zaak en de vergelijkingsobjecten overgelegd.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met wat hij heeft aangevoerd aannemelijk gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Wat eiseres daartegen heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Eiseres heeft in haar stukken volstaan met algemene stellingen waarvan niet duidelijk is of ze op de zaak betrekking hebben en het enkel stellen ter zitting dat recht bestaat op een hogere coronakorting en leegstandsrisico is onvoldoende.
5. Ook de stelling van eiseres dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, volgt de rechtbank niet. Uit de gedingstukken blijkt dat verweerder bij het verweerschrift de door eiseres genoemde stukken, zoals het taxatieverslag en de niet geanonimiseerde gegevens van de vergelijkingsobjecten, heeft ingebracht. Aan de grief van eiseres dat de grondstaffels niet zijn overgelegd, gaat de rechtbank voorbij, omdat verweerder bij de waardering van de onroerende zaak geen grondstaffels heeft gebruikt. De overige door eiseres genoemde stukken, waaronder een up-to-date leegstand- annex marktanalyse, gegevens uit het kadaster en gegevens over de waardering van de onroerende zaak in eerdere- en latere jaren - zijn geen op de zaak betrekking hebbende stukken. Bovendien is verweerder niet verplicht om een taxatierapport met betrekking tot de waarde van de onroerende zaak in te brengen, zodat aan het ontbreken daarvan geen gevolgen zijn verbonden.
6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwegen, is het beroep ongegrond verklaard.
7. Het verzoek van eiseres om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wijst de rechtbank af. Het bezwaar is op 23 februari 2022 door verweerder ontvangen, zodat de redelijke termijn van twee jaar ten tijde van deze uitspraak niet is overschreden.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”