Home

Gerechtshof Den Haag, 22-10-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2030, BK-23/1160

Gerechtshof Den Haag, 22-10-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2030, BK-23/1160

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22 oktober 2024
Datum publicatie
21 november 2024
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2024:2030
Zaaknummer
BK-23/1160
Relevante informatie
Art. 22 Wet WOZ

Inhoudsindicatie

WOZ-waarde woning niet te hoog. Partijen nemen ter zitting eensluidend het standpunt in dat de gebruiksoppervlakte van de woning 170 m2 bedraagt en dat daarvan uitgaande de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. Geen recht op een proceskostenvergoeding in hoger beroep omdat de Heffingsambtenaar niet kan worden verweten dat hij de bouwtekeningen niet eerder dan in hoger beroep heeft overgelegd.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-23/1160

in het geding tussen:

(gemachtigde: R. van der Weide)

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 11 oktober 2023, nummer SGR 22/6170.

Procesverloop

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken de waarde op 1 januari 2021 van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 688.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslag in de van eigenaren geheven onroerendezaakbelasting en de aanslag watersysteemheffing eigenaren (de aanslagen).

1.2.

De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikking en aanslagen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 136. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 10 september 2024. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2. Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het betreft een tussenwoning met een aanbouw en een inpandige berging, gelegen op een perceel van ongeveer 145 m2. De woning is gebouwd in 2020.

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

3.1.

In hoger beroep is in geschil of de waarde van de woning op een te hoog bedrag is vastgesteld. Voorts is in geschil of belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de procedure in hoger beroep. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de Heffingsambtenaar ontkennend.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en wijziging van de beschikking aldus dat de waarde van de woning wordt vastgesteld op € 578.000, met dienovereenkomstige vermindering van de aanslagen. Tevens concludeert belanghebbende tot veroordeling van de Heffingsambtenaar in de proceskosten voor bezwaar, beroep en hoger beroep, en tot vergoeding van de betaalde griffierechten.

3.3.

De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing