Home

Gerechtshof Den Haag, 30-10-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2055, BK-24/50

Gerechtshof Den Haag, 30-10-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2055, BK-24/50

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30 oktober 2024
Datum publicatie
21 november 2024
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2024:2055
Formele relaties
Zaaknummer
BK-24/50
Relevante informatie
Art. 225 Gemw, Art. 231 Gemw, Art. 63 AWR

Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Auto belanghebbende niet aangemeld op bezoekersparkeervergunning. Medische omstandigheden leiden niet tot overmacht.

Uitspraak

Team Belastingrecht

enkelvoudige kamer

nummer BK-24/50

in het geding tussen:

(gemachtigde: H. Oldenhof)

en

(vertegenwoordiger: […] )

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 22 december 2023, nummer SGR 22/7306.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Den Haag opgelegd ten bedrage van € 68,50 bestaande uit € 2 aan parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten ter zake van de naheffingsaanslag.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband hiermee is een griffierecht geheven van € 138. De Heffingsambtenaar heeft een nader stuk, met dagtekening 16 augustus 2024, ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 18 september 2024. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Op 13 juli 2022 om 17.25 uur stond de auto van belanghebbende met kenteken
[kenteken] (de auto) geparkeerd ter hoogte van [adres] te [woonplaats] . Deze locatie is door het college van burgemeester en wethouders van die gemeente aangewezen als een plaats waar op die datum en dat tijdstip slechts mag worden geparkeerd met een geldige parkeervergunning of tegen betaling van parkeerbelasting.

2.2.

Tijdens een controle op vorengenoemde datum en tijdstip is geconstateerd dat de auto zonder geldige parkeervergunning geparkeerd stond en dat ook geen parkeerbelasting was voldaan.

2.3.

Om 17:44 uur op die dag is de auto voor een bezoekersparkeervergunning aangemeld.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

“5. Volgens de gebruiksvoorwaarden die aan het kenteken-parkeren voor bezoekers zijn verbonden, dient het kenteken van het voertuig van de bezoeker aangemeld te zijn.

Het aan- en afmelden kan via de website ( [website] ). Op het moment van de naheffingsaanslag was de auto niet aangemeld. Eiser heeft dan ook niet voldaan aan de voorwaarden die aan de vergunning zijn verbonden. Er is dan geen sprake van parkeren met een vergunning.[1]

6. Parkeerbelasting is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren en dient onverwijld te worden voldaan. Het is daarbij vaste jurisprudentie dat een belastingplichtige wel een, afhankelijk van de omstandigheden, redelijke tijd moet worden gegund voor het verrichten van de handelingen die voor het betalen van de parkeerbelasting nodig zijn (de zogenoemde uitvoeringshandelingen). Hetzelfde heeft te gelden voor het parkeren met een bezoekersvergunning. Aan het begrip ‘uitvoeringshandelingen’ moet een strikte uitleg worden gegeven. Het moet namelijk gaan om handelingen waaruit blijkt dat een aanvang wordt gemaakt met het betalen van parkeerbelasting.[2] De uitvoeringshandelingen moeten voorts onverwijld nadat de auto is geparkeerd worden gestart en voortgezet.

7. Tussen de controle en het aanmelden van de auto zijn 19 minuten verstreken. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij al even binnen was toen hij aan de ex-partner vroeg of de aanmelding was gelukt. Gelet op het voorgaande, kan niet worden geoordeeld dat eiser (en zijn ex-partner) bij voortduring bezig zijn geweest met uitvoeringshandelingen. De naheffingsaanslag is dan ook terecht opgelegd.

8. Voor zover eiser heeft verzocht om coulance, heeft verweerder gesteld in de onderhavige omstandigheden geen aanleiding te zien de naheffingsaanslag te vernietigen. Nu toepassing van de hardheidsclausule van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet aan de beoordeling van de rechtbank is onderworpen, kan de rechter niet anders dan verweerder hierin volgen.

9. Parkeerbelasting is voorts een zogenoemde objectieve belasting, waarbij opzet en schuld geen rol spelen en in beginsel geen rekening wordt gehouden met persoonlijke omstandigheden. Slechts in bijzondere gevallen kan strikte naleving van de regels met betrekking tot de verschuldigdheid van parkeerbelasting redelijkerwijs niet van de parkeerder worden gevergd (zogenoemde overmacht). Van overmacht is in dit geval geen sprake.

10. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

1. Hoge Raad van 17 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3336.

2 Hoge Raad 28 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU5160.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten en griffierecht

Beslissing