Home

Gerechtshof Den Haag, 11-09-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2088, BK-23/1269 en BK-23/1270

Gerechtshof Den Haag, 11-09-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2088, BK-23/1269 en BK-23/1270

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11 september 2024
Datum publicatie
21 november 2024
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2024:2088
Zaaknummer
BK-23/1269 en BK-23/1270
Relevante informatie
Art. 225 Gemw

Inhoudsindicatie

Artikel 225 Gemeentewet en artikelen 1 en 24 RVV 1990. Parkeerbelasting. Aanwijzing als fiscale parkeerplaats. Parkeren op plaats waar een parkeerverbod geldt. Naheffingsaanslagen ten onrechte opgelegd.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-23/1269 en BK-23/1270

in het geding tussen:

(gemachtigde: R. de Nekker)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 23 november 2023, nummer SGR 22/5519 en SGR 22/5520.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 7 februari 2022 en 18 februari 2022 naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Den Haag ten bedrage van € 68,50, bestaande uit € 2,- aan parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten van de naheffingsaanslag (de naheffingsaanslagen).

1.2.

Belanghebbende heeft met dagtekening 28 februari 2022 bezwaar gemaakt tegen beide naheffingsaanslagen, welke op 3 maart 2022 is ontvangen door de Heffingsambtenaar. Bij uitspraak met dagtekening 10 juni 2022 heeft de Heffingsambtenaar het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft met dagtekening 31 augustus 2024 tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft op 23 november 2023 het beroep ongegrond verklaard. Ter zake is een griffierecht geheven van € 100.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 136. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting op 31 juli 2024. De Heffingsambtenaar is verschenen. Belanghebbende is met bericht van verhindering niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Op 31 januari 2022 om 20:10 en op 10 februari 2022 om 20:08 stond de auto van belanghebbende met kenteken [kenteken] geparkeerd aan de [straat] ter hoogte van nummer […] te [woonplaats] .

2.2.

Tijdens een controle met de scanauto op de genoemde tijdstippen is geconstateerd dat geen of onvoldoende parkeerbelasting is voldaan en dat belanghebbende ter zake van de geparkeerde auto niet beschikte over een geldige parkeervergunning.

2.3.

Naar aanleiding van de genoemde constateringen heeft de Heffingsambtenaar de naheffingsaanslagen aan belanghebbende opgelegd.

Oordeel van de Rechtbank

3.1.

De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

“8. Verweerder heeft in zijn verweerschrift naar voren gebracht dat de plaatsen waar eiser zijn auto op 31 januari en 10 februari 2022 heeft geparkeerd, aangewezen zijn als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. Verweerder heeft daartoe kaartjes overgelegd waarop de fiscale parkeerplaatsen staan aangegeven. Hieruit volgt dat eiser zijn auto heeft geparkeerd op een fiscale parkeerplaats. Eiser heeft tegen dit standpunt van verweerder niets ingebracht.

9. Nu vaststaat dat eiser op beide dagen op een parkeerplaats heeft geparkeerd waar alleen tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd en eiser geen parkeerbelasting heeft betaald zijn de naheffingsaanslagen terecht aan eiser opgelegd.

10. Gelet op wat hiervoor is overwogen zijn de beroepen ongegrond.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten en griffierecht

Beslissing