Gerechtshof Den Haag, 16-10-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2240, BK-23/1180
Gerechtshof Den Haag, 16-10-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2240, BK-23/1180
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 16 oktober 2024
- Datum publicatie
- 5 december 2024
- Zaaknummer
- BK-23/1180
- Relevante informatie
- Art. 22 Wet WOZ, Art. 40 Wet WOZ, Art. 6:22 Awb
Inhoudsindicatie
Art. 40, lid 2, Wet WOZ. Art. 6:22 Awb. Waarde woning. Indexeringscijfers niet uiterlijk bij uitspraak op bezwaar verstrekt. Schending toezendverplichting. Gebrek gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb. Schending vormt aanleiding voor een vergoeding aan belanghebbende voor de kosten van de beroepsfase. Toepassing wegingsfactor 0,25. Hoger beroep ongegrond.
Uitspraak
Team Belastingrecht
enkelvoudige kamer
nummer BK-23/1180
in het geding tussen:
(gemachtigde: G. Gieben)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 26 oktober 2023, nummer SGR 22/5309.
Procesverloop
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021 van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 1.147.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen (de aanslag).
De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikking en de aanslag gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 418,50;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.”
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 136. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Een onderzoek ter zitting van de zaak heeft niet plaatsgehad. De griffier heeft partijen bij bericht van 5 juni 2024 meegedeeld dat het Hof voornemens is een zitting achterwege te laten, tenzij partijen uiterlijk binnen twee weken na de dagtekening van het bericht het Hof laten weten dat zij ter zitting willen worden gehoord. Partijen hebben niet verzocht om een mondelinge behandeling. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Feiten
Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning is een twee-onder-één-kap woning uit 1935 met vrijstaande garage en een aanbouw. Het gebruiksoppervlak van de woning is ongeveer 189 m². Het grondoppervlak is ongeveer 403 m².
Belanghebbende heeft bij brief van 6 maart 2022 bezwaar gemaakt tegen de beschikking en de op het aanslagbiljet vermelde aanslagen. Het bezwaarschrift vermeldt – voor zover in hoger beroep van belang – het volgende:
“Om de WOZwaarde en de opgelegde aanslag nader te controleren verzoek ik u ons uiterlijk binnen twee weken via [e-mailadres] het taxatieverslag of een taxatiekaart/-matrix met daarop een uitgebreide onderbouwing van de waarde toe te sturen.
Tevens verzoek ik u conform artikel 40 Wet WOZ om alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan mij te verstrekken zodat ik de door u gemaakte keuzes te allen tijde kan controleren. Ik doel hierbij op alle stukken/gegevens die u bij de initiële waardebepaling en bij de behandeling van dit bezwaar heeft betrokken. Hieronder kunnen bijvoorbeeld vallen de grondstaffels, liggingsfactoren, onderbouwing van de indexering naar waardepeildatum, de KOUDV-factoren van het onderhavige object en de referentiepanden, huurcijfers voor de gehanteerde huurwaarde, onderbouwing van de kapitalisatiefactor, de correctie in verband met Covid-19 etc. Dit verzoek ziet op de gehele bezwaarfase; ook als u na de hoorzitting nog nieuwe stukken in de procedure betrekt wil ik deze van u ontvangen Dat u hiertoe verplicht bent volgt uit ECLI:NL:HR:2018:1316, ECLI:NL:PHR:2017:1051, ECLI:NL:RBAMS:2021:3591, ECLI:NL:RBAMS:2021:5041 en ECLI:NL:GHARL:2021:7246”
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“2. In geschil is de waarde van de woning op waardepeildatum. Eiser bepleit een waarde van € 1.088.000. Daartoe voert hij – samengevat – aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het afnemend grensnut, de matige isolatie (energielabel G), de ligging aan een drukke rotonde en de ondoelmatigheid van sommige delen van de woning, specifiek de zolder. Daarnaast wijst eiser op een woningwaarderapport, opgemaakt door [naam taxateur] , waaruit een waarde van € 1.088.000 op de waardepeildatum blijkt.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft verweerder een taxatieverslag en een matrix overgelegd. In de matrix is de waarde van de woning bepaald op € 1.229.324.
4. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding".[1]
5. Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op de door hem overgelegde matrix en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, hierin geslaagd. De rechtbank acht de door verweerder gehanteerde vergelijkingsobjecten goed vergelijkbaar met de woning. Met de matrix en hetgeen overigens door verweerder is aangevoerd, maakt hij aannemelijk dat in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning. Verweerder heeft de zolder apart gewaardeerd op 50% van de prijs per m² van het hoofdgebouw. Hij heeft zo voldoende rekening gehouden met de slechte(re) bereikbaarheid ofwel ondoelmatigheid van de woning. Met betrekking tot de matige isolatie heeft verweerder terecht aangevoerd dat de vergelijkingsobjecten een vergelijkbaar bouwjaar hebben wat duidt op eenzelfde isolatieniveau. Uit de verkoopadvertenties blijkt bovendien dat de vergelijkingsobjecten ten tijde van de verkoop hetzelfde energielabel hebben als de woning. Eiser heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat moet worden uitgegaan van een lagere waardering.
6. Hetgeen eiser verder heeft aangevoerd, doet aan het hier boven gegeven oordeel niet af. Eiser heeft ter zitting gesteld dat verweerder ten onrechte niet de volgende gegevens heeft verstrekt:
-
de indexering van de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten naar de waardepeildatum;
-
de KOUDV-factoren van de woning en de vergelijkingsobjecten en hoe die factoren in de waarde doorwerken; en
-
de waardering van de bijgebouwen.
Eiser stelt daarom primair onder verwijzing naar het black box-arrest[2] dat verweerder de WOZ-waarde niet inzichtelijk heeft gemaakt. Deze gegevens behoren tot de gedingstukken van het beroep en zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk. Door eiser is verder niet beargumenteerd wat er precies aan de onderbouwing van verweerder in beroep ontbreekt. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Subsidiair stelt eiser dat het niet verstrekken van deze gegevens in de bezwaarfase leidt tot schending van artikel 40 van de Wet WOZ. De rechtbank stelt vast dat eiser in de bezwaarfase een voldoende specifiek verzoek heeft gedaan tot het verstrekken van de indexering naar de waardepeildatum en tot het verstrekken van de KOUDV-factoren zelf en dat deze gegevens ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in de bezwaarfase evenwel geen voldoende specifiek verzoek gedaan tot het verstrekken van de doorwerking van de KOUDV-factoren in de waarde of de waardering van de bijgebouwen. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder tijdens de hoorzitting inzicht heeft gegeven in de indexering naar de waardepeildatum door het op een computer tonen van de bolletjesgrafieken. Echter, nu (de onderbouwing van) de indexering naar de waardepeildatum niet uiterlijk bij de uitspraak op bezwaar daadwerkelijk aan eiser is verstrekt, is desalniettemin artikel 40 van de Wet WOZ geschonden.[3]
8. Eiser heeft in beroep alsnog kennis kunnen nemen van alle onder 6. genoemde gegevens en heeft deze kunnen betwisten - hetgeen eiser overigens niet heeft gedaan. De rechtbank passeert het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.
9. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de waarde van de woning en de daarop gebaseerde aanslag onroerende-zaakbelasting eigenaar niet te hoog vastgesteld. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
10. Gelet op hetgeen onder 7. is overwogen, veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep. De rechtbank stelt het gewicht in deze zaak vast op 0,25 (licht), gelet op de eenvoud van de zaak, de daarmee samenhangende (geringe) werkbelasting van de gemachtigde en het geringe belang van de zaak. De rechtbank stelt alsdan de te vergoeden kosten op grond van het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837 (tarief 2023) en een wegingsfactor 0,25).
[1] Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44.
[2] Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1316.
[3] Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052.”