Gerechtshof Den Haag, 21-03-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:752, BK-23/656
Gerechtshof Den Haag, 21-03-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:752, BK-23/656
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 21 maart 2024
- Datum publicatie
- 7 mei 2024
- Formele relaties
- Oorspronkelijk arrest: ECLI:NL:GHDHA:2024:753
- Zaaknummer
- BK-23/656
- Relevante informatie
- Art. 17 WOZ, Art. 22 WOZ, Art. 40 WOZ, Art. 6:17 Awb, Art. 7:4 Awb
Inhoudsindicatie
Art. 17 Wet WOZ Heffingsambtenaar maakt WOZ-waarde eindwoning per 01-01-2021 niet aannemelijk. Van de drie in de matrix van de Heffingsambtenaar genoemde objecten zijn er twee niet vergelijkbaar. Het derde object is wel vergelijkbaar maar samen met een vergelijkingsobject dat belanghebbende noemt in zijn taxatierapport levert dit onvoldoende ondersteuning voor de vastgestelde waarde. Van de matrix van belanghebbende zijn ook twee objecten niet bruikbaar. Belanghebbende heeft de door hem voorgestane waarde ook niet aannemelijk gemaakt. Hof stelt WOZ-waarde in goede justitie vast.
Uitspraak zoals deze luidt na herstel bij uitspraak van 27 maart 2024.
Uitspraak
Team Belastingrecht
enkelvoudige kamer
nummer BK-23/656
in het geding tussen:
(gemachtigde: A. Bakker)
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 26 mei 2023, nummer SGR 22/885.
Procesverloop
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2020 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op € 342.000 (de beschikking). Met de beschikking zijn in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2021 opgelegde aanslag in de onroerende-zaakbelastingen van deze gemeente (de aanslag).
Belanghebbende heeft tegen de beschikking en de aanslag bezwaar gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft het bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 136. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 28 januari 2024 een nader stuk met bijlagen ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 februari 2024. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een procesverbaal opgemaakt.
Feiten
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak is een eindwoning met inpandige garage en een terras/balkon (de woning) en is gebouwd in 1977. De gebruiksoppervlakte van de woning is ongeveer 130 m2 en de oppervlakte van het perceel is ongeveer 87 m².
De Heffingsambtenaar heeft in beroep een taxatieverslag en een waardematrix overgelegd, waarin de waarde van de woning is bepaald op € 359.504. In de matrix zijn woningen opgenomen die naar de opvatting van de Heffingsambtenaar met de woning vergelijkbaar zijn, te weten [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] , alle gelegen in [woonplaats] (de vergelijkingsobjecten). De matrix bevat onder meer de volgende gegevens:
|
Object en vergelijkingsobjecten |
De woning [adres 1] |
[adres 2] |
[adres 3] |
[adres 4] |
|
Soort object |
eindwoning |
rijtjeswoning |
rijtjeswoning |
rijtjeswoning |
|
Bouwjaar |
1977 |
1977 |
1874 |
1935 |
|
Gebruiksoppervlakte |
130 m2 |
130 m2 |
134 m2 |
124 m2 |
|
Grondoppervlakte |
87 m2 |
111 m2 |
125 m2 |
206 m2 |
|
Bijgebouwen: Garage inpandig Garage vrijstaand Terras/balkon |
€ 73.656 €4.800 |
28.500 1.200 |
||
|
Transactiedatum |
17-1-2020 |
30-09-2019 |
21-04-2020 |
|
|
Trasactieprijs |
€ 344.500 |
€ 377.500 |
€ 358.000 |
|
|
Index naar wpd |
-0,422% |
0.2556% |
-3,061% |
|
|
Corr. naar wpd |
€ 343.046 |
€ 387.150 |
€ 347.042 |
|
|
VLOKS - Ligging - Onderhoudstoestand - Kwaliteit/luxe - Uitstraling - Voorzieningen |
3 3 2 3 2 |
3 4 4 3 3 |
3 4 4 3 3 |
3 3 2 3 2 |
|
Grond |
€ 58.315 |
€ 68.875 |
€ 74.125 |
€ 99.970 |
|
Woning |
€ 222.733 |
€ 274.170 |
€ 313.024 |
€ 217.372 |
|
Totale waarde 1-1-2020 |
€ 359.504 |
€ 343.045 |
€ 387.149 |
€ 347.042 |
De verkoopcijfers zijn gecorrigeerd met de gemiddelde waardestijging binnen de [gemeente] van woningen tussen de waardepeildatum en de datum van levering.
Aan de hand van de m2-prijzen die zijn berekend uit de verkoopcijfers van de vergelijkingsobjecten is de prijs per m2 van de woning berekend op € 1.713. Dit is na toepassing van de correcties die verband houden met de VLOK-codering. Elk punt dat afwijkt van het cijfer 3 leidt tot een verlaging respectievelijk verhoging van de m2-prijs.
|
Gegevens onderbouwing |
Correctie naar |
Correctie |
m2-prijs bij |
Best |
Verrekening |
Prijs per m2 |
Correcties |
per m³ |
|||
|
130 |
V-L-O-K |
VLOK 3 |
Vergelijkbaar |
VLOK |
onderhoud |
||||||
|
(4,-/M2) |
[adres 1] |
€150,00 |
|||||||||
|
[adres 2] |
GO |
130 |
m2 |
2109 |
-300 |
1809 |
-225 |
1584 |
kwaliteit |
||
|
1977 |
€ 2.109 |
per /m2 |
L3 O4 K4 U3 V3 |
L3 O3 K2 U3 V2 |
€150,00 |
||||||
|
[adres 3] |
GO |
134 |
m2 |
2352 |
-300 |
2052 |
-225 |
1827 |
Uitstraling |
||
|
1874 |
€ 2.336 |
per /m2 |
L3 O4 K4 U3 V3 |
L3 O3 K2 U3 V2 |
€75,00 |
||||||
|
[adres 4] |
GO |
124 |
m2 |
1729 |
225 |
1954 |
-225 |
1729 |
Voorzieningen |
||
|
1935 |
€ 1.753 |
per /m2 |
L3 O3 K2 U3 V2 |
L3 O3 K2 U3 V2 |
€75,00 |
||||||
|
Gemiddelde m2-prijs |
Ligging |
||||||||||
|
1713 |
€ - |
De Heffingsambtenaar heeft van de woning bouwtekeningen en van vergelijkingsobjecten [adres 3] en [adres 4] iWOZ-kaarten verstrekt. Aan de hand van de daarin opgenomen gegevens heeft de Heffingsambtenaar de hiervoor opgenomen matrix opgesteld.
Belanghebbende heeft bij nader stuk een waarderapport overgelegd van [naam] , opgemaakt op 19 januari 2024, waarbij de waarde van de onroerende zaak is getaxeerd op € 303.000 per 1 januari 2020. In de bijgevoegde matrix zijn de volgende vergelijkingsverkopen opgenomen:
|
Vergelijkings-objecten |
Bouwjr. |
Hoofd- gebouw m2 |
Overige objectdelen |
Grond m2 |
Verkoopprijs en prijs per 01-01-2020 |
Verkoop- datum |
|
[adres 5] Hoekwoning |
1985 |
102 |
Berging € 3.000 |
195 € 90.480 |
€ 277.000 geïndexeerd € 266.000 |
01-07-2020 |
|
[adres 6] Halfvrijstaand |
1970 |
142 |
Berging € 4.000 |
166 € 81.865 |
€ 327.805 geïndexeerd € 355.000 |
28-10-2019 |
|
[adres 7] Rijwoning |
1980 |
94 |
Berging € 4.000 |
77 € 53.365 |
€ 235.000 geïndexeerd €221.000 |
15-10-2020 |
De KOUDV-factoren (kwaliteit, onderhoud, uitstraling en voorzieningen) zijn voor de vergelijkingsobjecten op 3 gesteld en voor de woning op 2-3-3-2-3.
De gecorrigeerde m2-prijs is volgens deze matrix voor de woning van belanghebbende € 1.384 en voor de vergelijkingsobjecten respectievelijk € 1.579, € 1.802 en € 1.597. De waarde van de onroerende zaak is volgens belanghebbende uitgaande van deze vergelijkingsverkopen op 1 januari 2020 € 303.113.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“8. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding".1
9. Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op de door hem overgelegde matrix en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, hierin geslaagd. Zoals volgt uit de waardematrix is de waarde van de woning bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met woningen aan de [adres 2] (verkocht op 17 januari 2020 voor € 344.500), de [adres 3] (verkocht op 30 september 2019 voor € 377.500) en de [adres 4] (verkocht op 21 april 2020 voor € 358.000). De rechtbank acht de woning en de vergelijkingsobjecten wat type, ligging en uitstraling betreft goed vergelijkbaar. Met de verschillen in inhoud, bouwjaar, onderhoudstoestand, kwaliteit en voorzieningen is voldoende rekening gehouden, zoals inzichtelijk gemaakt in de waardematrix. Niet is gebleken dat de kubieke meterprijzen van € 1.579 voor de woning en € 670 voor de grond te hoog zijn vastgesteld. Verweerder heeft daarnaast ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt dat, ondanks dat de matrix een kennelijke misslag bevat, de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld.
10. Hetgeen eiser heeft aangevoerd, doet aan het hier boven gegeven oordeel niet af. Uit de voorgaande overweging volgt dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. De stelling van eiser dat de inhoud van de woning niet juist is berekend, heeft eiser niet met stukken onderbouwd.
Verweerder heeft bij de taxatie van de woning voor de kwaliteit en het voorzieningenniveau op een vijfpuntsschaal het cijfer 2 gehanteerd. Eiser heeft niet met stukken onderbouwd dat verweerder hiermee onvoldoende rekening heeft gehouden met de gedateerdheid van de woning.
11. Eiser heeft gesteld dat verweerder de door eiser genoemde stukken niet in de bezwaarfase aan hem heeft toegestuurd. Het gaat om een taxatiekaart en de matrix met daarop vermeld de KOUDV- en liggingsfactoren, de wijze waarop deze zijn verdisconteerd in de waarde en de grondstaffel. Eiser beroept zich hiervoor op artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank volgt eiser hierin niet. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder heeft voldaan aan zijn verplichting tot passieve informatieverstrekking zoals bedoeld in artikel 7:4, tweede en derde lid, van de Awb. Verweerder is op grond van artikel 40 van de Wet WOZ niet verplicht om de stukken waar eiser tijdens de bezwaarfase om heeft verzocht, voorafgaand aan het horen toe te zenden. De wetgever heeft met artikel 7:4, vierde lid, van de Awb reeds een voorziening getroffen voor deze situatie. Afschriften van op de zaak betrekking hebbende stukken kunnen immers tegen vergoeding worden verkregen door een belanghebbende. Ook artikel 7:4, vierde lid, van de Awb verplicht verweerder niet tot toezending van die stukken. Het bepaalde in artikel 6:17 van de Awb leidt niet tot een ander oordeel. Die bepaling leidt er slechts toe dat, als een partij zich in een procedure laat vertegenwoordigen, de correspondentie inzake de processtukken aan de gemachtigde moet worden toegezonden. Artikel 6:17 Awb regelt derhalve niet welke stukken moeten worden toegezonden.
12. Van schending van het motiveringsbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, omdat verweerder in zijn uitspraak op bezwaar is ingegaan op alle gronden die eiseres in bezwaar heeft aangevoerd.
13. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de waarde van de woning alsmede de daarop gebaseerde aanslag niet te hoog zijn vastgesteld en is het beroep ongegrond verklaard
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding..
(…)
[1] Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44.”