Gerechtshof Den Haag, 18-06-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:999, BK-23/591
Gerechtshof Den Haag, 18-06-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:999, BK-23/591
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 18 juni 2024
- Datum publicatie
- 4 juli 2024
- Zaaknummer
- BK-23/591
- Relevante informatie
- Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ
Inhoudsindicatie
Wet WOZ. De Heffingsambtenaar heeft de door hem bepleite waarde van de woning niet aannemelijk gemaakt omdat hij de door hem gebruikte grondprijs onvoldoende heeft onderbouwd.
Dat belanghebbende met de gemachtigde bij voorbaat heeft afgesproken dat een eventuele vergoeding van immateriële schade met gemaakte kosten van rechtsbijstand met gesloten beurs wordt verrekend, betekent niet dat geen spanning en frustratie kan worden verondersteld en evenmin dat belanghebbende zijn recht op vergoeding van immateriële schade heeft prijsgegeven. Dat belanghebbende gebruikmaakt van een “no cure no pay” bureau staat niet in de weg aan toekenning van een proceskostenvergoeding.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-23/591
in het geding tussen:
(gemachtigde: A. Oosters)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van de Heffingsambtenaar tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 4 mei 2023, nummer SGR 22/244.
Procesverloop
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de woning) op waardepeildatum 1 januari 2020 (de waardepeildatum) voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op € 698.000. Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2021 opgelegde aanslag in de onroerende-zaakbelastingen (de aanslag).
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar de waarde van de woning nader vastgesteld op € 689.000 en de aanslag dienovereenkomstig verminderd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Er is een griffierecht geheven van € 50. Het oordeel van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- wijzigt de beschikking aldus dat de vastgestelde waarde wordt verminderd tot € 603.000;
- vermindert de aanslag onroerendezaakbelastingen tot een berekend naar een waarde van € 603.000;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.”
De Heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft op 18 maart 2024 een verweerschrift ingediend dat door het Hof wordt aangemerkt als nader stuk.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 7 mei 2024. Partijen zijn verschenen. De Heffingsambtenaar heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning is een tussenwoning. De inhoud van de woning is ongeveer 630 m³. De oppervlakte van het perceel is ongeveer 202 m².
De Heffingsambtenaar heeft in hoger beroep een “overzicht taxatiewaarden” overgelegd. In dit overzicht zijn drie, naar de opvatting van de Heffingsambtenaar met de woning vergelijkbare woningen opgenomen, te weten [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] (de vergelijkingsobjecten).
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“7. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de W van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en d eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding" (Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44).
8. Verweerder heeft op 28 februari 2022 stukken ingediend en daarbij meegedeeld dat het taxatieverslag, het verweerschrift en de matrix zullen worden nagezonden. Verweerder heeft het verweerschrift en de matrix pas op 6 april 2023 als tiendagenstuk naar de rechtbank toegestuurd, nadat de rechtbank telefonisch contact had opgenomen met verweerder op 29 maart 2023. Het taxatieverslag heeft verweerder niet toegestuurd. Door deze handelwijze heeft eiser in verband met de feestdagen (Goede Vrijdag en Pasen) nog maar zeer beperkte tijd gehad om de stukken van verweerder nader te bestuderen, waardoor de procespositie van eiser is verslechterd. Op enig moment kan de rechtbank beslissen dat deze handelwijze van verweerder zodanig in strijd is met de goede procesorde dat de tiendagenstukken niet meer tot de gedingstukken worden gerekend.
9. Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Verweerder is hierin niet geslaagd. Uit de matrix blijkt niet wat het bouwjaar is van de vergelijkingsobjecten en wat voor type woningen het zijn. Verder zijn bij de matrix geen foto’s van de vergelijkingsobjecten gevoegd zodat evenmin kan worden vastgesteld wat de uitstraling van vergelijkingsobjecten is en in hoeverre die objecten uiterlijk verschillen dan wel overeenkomen met de woning. Ook ontbreekt informatie over de wijze waarop verweerder de door hem gehanteerde m³ prijs heeft berekend en hoe hij rekening heeft gehouden met de verschillen in kwaliteit en onderhoud. Hierdoor heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat hij met alle onderlinge verschillen in voldoende mate rekening heeft gehouden.
10. Eiser heeft ter onderbouwing van de door hem bepleite waarde een matrix overgelegd voorzien van beeldmateriaal en verkoopinformatie over de door hem gebruikte vergelijkingsobjecten. Daarmee heeft hij de door hem bepleite waarde aannemelijk gemaakt omdat daaruit blijkt dat in voldoende mate rekening is gehouden met de onderlinge verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning wat betreft onder meer inhoud, kaveloppervlakte, ligging en kwaliteit van de opstallen.
11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de waarde van de woning en de daarop gebaseerde aanslag te hoog vastgesteld en is het beroep gegrond verklaard.
12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak). De kosten voor de bezwaarfase zijn reeds door verweerder vergoed. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat er geen reden is voor een proceskostenvergoeding omdat de rechtsbijstand wordt verleend op basis van “no cure no pay” en wijst daartoe op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad[1].
13. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift is op 31 maart 2021 door verweerder ontvangen en door de rechtbank is op 4 mei 2023 uitspraak gedaan, waardoor de bezwaar- en beroepsfase twee jaar en afgerond naar boven twee maanden hebben geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn met afgerond (naar boven) twee maanden is overschreden. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden waardoor de redelijke termijn zou moeten worden verlengd. Aangezien tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en de uitspraak op bezwaar meer dan 8 maanden is verstreken, is de termijnoverschrijding geheel toe te rekenen aan de bezwaarfase. Aan eiser komt daarom een schadevergoeding toe van € 500 te vergoeden door verweerder.
(…)
[1] ECLI:NL:HR:2011:BT6841, ECLI:NLHR:2012:BY2770