Home

Gerechtshof Den Haag, 14-10-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2087, 200.350.341/01

Gerechtshof Den Haag, 14-10-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2087, 200.350.341/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14 oktober 2025
Datum publicatie
21 oktober 2025
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2025:2087
Formele relaties
Zaaknummer
200.350.341/01

Inhoudsindicatie

Aanbesteding. Bevoegdheid de aanbestedingsprocedure in te trekken. Croce Amica.

Uitspraak

Civiel recht

Team Handel

Zaaknummer hof : 200.350.341/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/673803 / KG ZA 24-935

Arrest in kort geding van 14 oktober 2025

in de zaak van

Catom Distribution B.V.,

gevestigd in Rotterdam,

appellante,

advocaat: mr. J.H.J. Bax, kantoorhoudend in Rotterdam,

tegen

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Defensie),

zetelend in Den Haag,

geïntimeerde,

advocaat: mr. D. Wolters Rückert, kantoorhoudend in Den Haag,

en

Finco Supply & Trading B.V.,

gevestigd in Rotterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.J.H. Kingma, kantoorhoudend in Amsterdam.

Het hof noemt partijen hierna Catom, Defensie en Finco.

1 De zaak in het kort

1.1

Defensie heeft een aanbestedingsprocedure georganiseerd voor de levering van dieselbrandstof. Nadat de inschrijvingen waren ontvangen, heeft Defensie laten weten de aanbesteding te zullen intrekken. Catom verzet zich daartegen en wil dat het Defensie wordt verboden een nieuwe aanbestedingsprocedure te organiseren.

1.2

De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van Catom afgewezen. Het hof komt tot hetzelfde oordeel.

2 Procesverloop in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

-

de dagvaarding van 17 januari 2025, waarmee Catom in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 20 december 2024;

-

de memorie van grieven van Catom, tevens wijziging van eis;

-

de memorie van antwoord van Defensie;

-

de memorie van antwoord van Finco;

-

de brief van mr. Wolters Rückert van 20 augustus 2025 aan mr. Bax en mr. S.C. Brackmann;

-

de brief van mr. Bax van 1 september 2025 aan het hof;

-

de akte tot referte van Finco van 8 september 2025.

2.2

Op 11 september 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten (voor Catom heeft mede mr. S.C. Brackmann het woord gevoerd en voor de Staat mr. T.M.O. Bottinga) hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.

3 Feitelijke achtergrond

3.1

Het Ministerie van Defensie (hierna: Defensie) is een Europese openbare aanbestedingsprocedure gestart voor de levering van dieselbrandstof F-54 met 30% HVO. HVO staat voor Hydrotreated Vegetable Oil. Dit is een geavanceerde vorm van biodiesel die kan worden geproduceerd uit een breed scala van herbruikbare grondstoffen, zoals bijvoorbeeld: slachtafval, bosafval, gebruikte plantaardige oliën en andere organische restmaterialen. Tijdens de productie wordt waterstof aan het mengsel toegevoegd om een brandstof te creëren. Het mengsel moet zorgen voor een vermindering van CO2-uitstoot van de voertuigen van Defensie.

3.2

In het programma van eisen (hierna: PVE) zijn de eisen beschreven die Defensie stelt aan de dieselbrandstof F-54 met 30% HVO. Paragraaf 4 van het PVE bevat eisen met betrekking tot duurzaamheid van de biobrandstof. Zo bevat par. 4.3 de eis dat biobrandstof geproduceerd uit voedselgewassen, palm- en soja olie niet is toegestaan. Par. 4.5 bepaalt dat ten tijde van de fysieke leveringen de leverancier is gecertificeerd volgens een erkend Duurzaamheidssysteem, goedgekeurd door de Europese Commissie.

3.3

Par. 4.10 van het PVE bepaalt:

“De Leverancier dient de Koper inzicht te geven in de gehele keten van de geleverde HVO om zodoende de herkomst en duurzaamheid van de grondstoffen te kunnen controleren en waarborgen.”

3.4

In par. 1.4 (Functionele en/of technische specificaties) van de Leidraad Europese Openbare Aanbesteding (hierna: de Aanbestedingsleidraad) staat het volgende vermeld:

“De functionele en/of technische eisen voor de uitvoering van de opdracht zijn omschreven in de programma’s van eisen bijlage 2A, 2B en 2C bij deze leidraad.

Het door inschrijver te offreren product dient volledig te voldoen aan de eisen van bijlage 2A. Het voldoen aan de eisen dient door de inschrijver te worden aangetoond. Daartoe dient het volgende bij de inschrijving o.a. te worden gevoegd:

(...)

Inzicht keten afkomst HVO

Inschrijver dient inzicht te geven in de gehele keten van de geleverde HVO om zodoende de herkomst en duurzaamheid van de grondstoffen te kunnen controleren en waarborgen. Zie ook bijlage 2A, punt 4.10.

Door in te schrijven verklaart u dat u voldoet aan alle gestelde eisen en voorwaarden zoals gesteld in de aanbestedingsstukken.

U moet er voor zorgen dat er geen misverstand kan ontstaan over de aanbieding in relatie tot de aangeboden prijs.”

3.5

In de aanbesteding is het gunningscriterium ‘laagste prijs’ gehanteerd.

3.6

Catom heeft in haar inschrijving een schematisch overzicht opgenomen van de maatregelen die de producent waarbij zij de brandstof zal gaan inkopen neemt, om inzicht in de keten te houden en die te kunnen controleren.

3.7

Defensie heeft in totaal drie inschrijvingen ontvangen. Op 21 mei 2024 is de opdracht voorlopig gegund aan Finco, die met de laagste prijs had ingeschreven. Catom is als derde in de ranking geëindigd.

3.8

Catom kon zich niet verenigen met de uitkomst van de aanbestedingsprocedure en heeft op 7 juni 2024 de Staat in kort geding gedagvaard. Catom heeft zich in die kortgedingdagvaarding op het standpunt gesteld dat Defensie in haar ogen de voorgeschreven minimumeisen ten aanzien van de opdracht en de inschrijving niet handhaaft. Zij heeft uiteengezet dat de prijsstelling van Finco voor de biobrandstof met 30% HVO erop duidt, dat zij bij de aankoop van HVO gebruik maakt van een trader. Met de keuze voor een trader zou het in 4.10 van het PVE geëiste inzicht in de keten voor wat betreft de herkomst en duurzaamheid van de HVO noch bij de inschrijving, noch bij de uitvoering gegeven kunnen worden. Catom heeft primair gevorderd dat de inschrijving van Finco ongeldig wordt verklaard. Subsidiair heeft zij gevorderd dat Defensie vanwege een fundamenteel gebrek in de aanbestedingsprocedure geboden wordt de lopende aanbestedingsprocedure in te trekken. Als Defensie alsnog een opdracht wenst te gunnen, dan zou dat alleen mogen plaatsvinden na het doorlopen van een nieuwe aanbestedingsprocedure. Het fundamentele gebrek in de aanbestedingsprocedure zou er blijkens de eerste dagvaarding in bestaan dat Defensie kennelijk genoegen neemt met een papieren werkelijkheid voor wat betreft de herkomst van HVO, en eis 4.10 van het PVE dus onduidelijk is, aldus Catom.

3.9

Bij brief van 13 augustus 2024 heeft Defensie Finco bericht dat de voorlopige gunningsbeslissing van 21 mei 2024 wordt ingetrokken. Het kort geding is daarna door Catom ingetrokken.

3.10

Defensie heeft bij brief van 29 augustus 2024 aan Catom bericht dat hij besloten heeft de aanbesteding in te trekken en de opdracht opnieuw aan te besteden. Als reden daarvoor is gegeven dat in par. 1.4 van de Aanbestedingsleidraad ten onrechte is opgenomen, dat inschrijvers al bij inschrijving inzicht dienen te geven in de gehele keten van de geleverde HVO om zo de herkomst en duurzaamheid van de grondstoffen te kunnen controleren en waarborgen. Defensie heeft toegelicht dat de uitvoeringseis van 4.10 van het PVE per abuis ook in par. 1.4 van de aanbestedingsleidraad als inschrijvingseis is opgenomen. Bij inschrijving is een dergelijk vergaand inzicht nog niet te geven, aldus Defensie. Defensie concludeert daarbij dat Catom dat inzicht in haar inschrijving ook niet heeft geboden.

3.11

Catom heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat deze intrekkingsbeslissing van Defensie onrechtmatig is. Ook als aangenomen zou worden dat uitvoeringseis 4.10 ‘per abuis’ een minimumeis is geworden, dan maakt dat de aanbestedingsprocedure niet fundamenteel gebrekkig, zo heeft Catom aangevoerd. Verder heeft Catom betwist dat zij in haar inschrijving geen inzicht heeft gegeven in de keten van de door haar te leveren HVO. Catom heeft toegelicht dat in haar inschrijving de hele keten schematisch inzichtelijk is gemaakt.

3.12

Defensie heeft bij brief van 25 september 2024 nader toegelicht waarom hij van oordeel is dat (ook) Catom niet heeft voldaan aan het geven van inzicht in de keten van de te leveren HVO. Ook uit het door Catom overgelegde schema volgt niet wat de herkomst van geleverde HVO is. Defensie heeft toegelicht dat dit ook niet mogelijk is, omdat nog geen sprake is van een concrete levering HVO; daar zal pas tijdens de uitvoering sprake van zijn. De herkomst en duurzaamheid van de grondstoffen van de daadwerkelijk geleverde HVO zal dus ook pas ná levering kunnen worden aangetoond. Defensie concludeert daarop dat het bieden van inzicht in de keten een uitvoeringseis en geen inschrijvingseis behoort te zijn en er dus sprake is van een procedureel gebrek in de aanbesteding.

3.13

Op 25 maart 2025 heeft Defensie een nieuwe aanbestedingsprocedure gepubliceerd voor de levering van dieselbrandstof F-54. Catom heeft daarop ingeschreven, maar haar inschrijving is op 16 juni 2025 ongeldig verklaard. Catom is tegen die beslissing niet opgekomen. Op 24 juli 2025 heeft Defensie vervolgens een raamovereenkomst gesloten die op 4 augustus 2025 in werking is getreden.

4 Procedure bij de rechtbank

5 Vordering in hoger beroep

6 Beoordeling in hoger beroep

7 Beslissing