Gerechtshof Den Haag, 18-02-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:226, BK-25/64
Gerechtshof Den Haag, 18-02-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:226, BK-25/64
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 18 februari 2026
- Datum publicatie
- 5 maart 2026
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2024:22464, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- BK-25/64
Inhoudsindicatie
Art. 30a Wet WOZ; geen bijzonder geval.
Uitspraak
Team Belastingrecht
enkelvoudige kamer
nummer BK-25/64
in het geding tussen:
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van de Heffingsambtenaar tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 31 december 2024, nummer SGR 24/3403.
Procesverloop
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2022 van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op € 776.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2023 opgelegde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen en de watersysteemheffing eigenaren (de aanslagen).
De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikking en de aanslagen gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar afgewezen.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 51. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“De rechtbank:
- -
-
verklaart het beroep gegrond;
- -
-
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- -
-
wijzigt de beschikking aldus dat de vastgestelde waarde wordt verminderd tot € 500.000;
- -
-
vermindert de aanslag onroerende-zaakbelastingen tot een berekend naar een waarde van € 500.000;
- -
-
vermindert de aanslag watersysteemheffing tot een berekend naar een waarde van € 500.000;
- -
-
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- -
-
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.126,26;
- -
-
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden;
- -
-
draagt verweerder op om de toegekende proceskosten en het griffierecht (ingevolge artikel 30a, vierde en vijfde lid, Wet WOZ) te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiser.”
De Heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, aangeduid als verweerschrift. Belanghebbende heeft op 9 december 2025 en 15 december 2025 nadere stukken ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 januari 2026. Partijen zijn verschenen. Gelijktijdig met de behandeling van de onderhavige zaak zijn ter zitting tevens de zaken met nummer BK-25/63 en BK-25/65 behandeld. Al hetgeen in de ene zaak wordt aangevoerd, wordt geacht te zijn aangevoerd in de andere zaken, tenzij het specifiek op de desbetreffende zaak betrekking heeft. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2. De gemachtigde van belanghebbende heeft bij zijn nader stuk van 13 november 2025 een afbeelding van de website van zijn onderneming [naam] , een modelovereenkomst van opdracht en diverse overeenkomsten en facturen met en aan klanten van de onderneming overgelegd.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“13. Tot slot heeft eiser verzocht om een vergoeding voor het door hem overgelegde deskundigenrapport. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, en artikel 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bestaat recht op vergoeding door het bestuursorgaan van kosten die eiser in verband met de behandeling van zijn bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Onder deze kosten zijn op grond van het bepaalde in artikel 7:15, vierde lid, en artikel 7:28, vijfde lid, van de Awb in samenhang met artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht tevens begrepen de kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht. Eiser komt derhalve in aanmerking voor een vergoeding van € 106 (2 uur x € 53), vermeerderd met 21% btw, per ingediend deskundigenrapport.
14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond verklaard.
15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt het gewicht in deze zaak vast op 1 (gemiddeld). De rechtbank stelt alsdan de te vergoeden kosten op grond van het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.126,26 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 624 (tarief 2024)[3], 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 (tarief 2024) en een vergoeding van € 128,26 voor het deskundigenrapport).
(…)
[3] Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060”